”Je bent mijn achtste vader”


 

-‘You are my eiht father, eits, eitch, yes, my eighs father’
Sommige woorden lukken niet, maar hij spreekt verbazend goed Engels. Anupong heet hij.
-‘Je achtste?’
-Ja, mijn achtste vader’
-‘Vertel’
-Eerst was er de vader die mij heeft verwekt. Die ken ik niet’
-‘Dat heb je me al verteld, ja. En verder?’
-‘Nummer een is de vader die mij heeft verwekt. Toen de vader die mij heeft meegenomen uit het ziekenhuis en de vader die voor mij heeft gezorgd’
-Was dat dezelfde vader?’
-Toen was er de vader die……’
Hij begint te tellen. Al zijn vingers komen er aan te pas.
-‘Nummer een, nummer twee… ook de vader van mijn zuster in Kalasin’
Hij telt opnieuw op zijn vingers; nummer een, nummer twee, nummer drie, nummer vier….
-‘En toen jij!’
-‘Dan ben ik dus de vijfde?’
-‘Ja, de vijfde’

We zitten in een hoekje van de campus van de Thammasaat Universiteit in Bangkok. Voor ons ligt het sportveld met de sintelbaan, omsloten door collegezalen. Onder de bomen lopen studenten, èchte studenten. Anupong is geen student. Zijn beginnende haargroei verraadt dat hij tot voor kort een novice was, maar hij wil er uit zien als een student. Daarom draagt hij een donkerblauwe broek met een wit overhemd en wanneer hij geld heeft, koopt hij de Students Weekly. Die leest hij niet, ‘maar als ik hem bij me heb ben ik een student’.

Willem Hulscher, Achtste vader, vingers
….hij telt op zijn vingers….

Hoeveel moeders heb je gehad?

-‘En hoeveel moeders heb je gehad?’
-‘Acht, nee, vijf’

Hij begint opnieuw te tellen met behulp van zijn vingers. Het is een puzzel. Eerst was er dus de moeder die hem geboren had laten worden. Die heeft hij niet gekend. En toen zijn moeder die voor hem heeft gezorgd met zijn vader in Roi Et. Ze waren oud en overleden toen hij elf jaar was. Ik wist al dat ze arm waren. Nu kom ik te weten dat ze bij een bos woonden, waar hij met pijl en boog mocht schieten. Hij werd vaak geslagen; hij moest koken en het huisje schoon houden en hij paste op de buffels. Zijn vader had één buffel en ook wel eens twee. Ze verbouwden rijst, maar dat was niet genoeg, waardoor er soms dagenlang geen eten was. Ze aten rupsen en kevers. Hij was mager en moest dikwijls naar het ziekenhuis. Na deze ouders waren er de jaren bij de monniken in de tempel, die tellen niet mee. Wel zijn stiefmoeder en de moeder in Kalasin die zijn certificaten zal sturen. Vijf dus.

-‘Wacht even, ik tel er vier.’
Anupong is bereid opnieuw te tellen. Hij begrijpt dat ik het echt wil begrijpen en schrijft al zijn ouders op een servetje. Dan wordt me duidelijk dat zijn stiefmoeder de tweede vrouw van zijn vader in Roi Et was.
-‘Had je vader twee vrouwen? En woonden jullie allemaal bij elkaar?’
-Ja, zij woonde in de stad en zij had wel kinderen’
-‘Zij wel, zeg je, zij wèl! Zag je haar wel eens?’
-‘Nee’
-‘Waarom noem je haar dan moeder?’
-‘Dat weet ik niet!’
Hij kijkt me verbaasd aan, alsof ik een verklaring weet.
-‘Goed, vijf moeders dus. Maar je stiefmoeder zag je nooit?’
-‘Jawel’
-‘Net zei je van niet’
-‘Ik vertel je geen leugens!’
-‘Dat weet ik, dat weet ik. Ik probeer te begrijpen wat je zegt’

Goed, hij zag haar dus wel nadat de oudjes waren overleden, maar daarvoor niet. Zo zijn we het weer eens. Anupong is intelligent; daarover bestaat bij mij geen twijfel, ook al is tellen niet zijn sterkste kant. Hij is een van die alfa’s die moeiteloos een rivier overbruggen zonder een notie van peilers te hebben. Tenminste, wanneer hij vrolijk is, maar daarvoor heeft hij zelden een reden. Doorgaans kijkt hij triest. Dan hangt zijn hoofd en zakken zijn schouders in.

The mother who gave birth to me

The mother who gave birth to me. Een ziekenhuis in een provincie stadje in Isan; ik probeer me een voorstelling te maken, iets wat hij duizendmaal heeft geprobeerd. Een vrouw, misschien een jong meisje, waarschijnlijk was ze arm, of misschien was ze bang voor straf. Er zal niet veel begeleiding zijn geweest, daar en in die tijd. Na de geboorte is ze weggegaan, dat is alles wat Anupong weet, het is alles wat hem is verteld. Ze is weggegaan. Hij kan het zich niet herinneren, zegt hij, vráágt hij als het ware. Hij roept een beeld op dat alles overheerst: ze heeft me weggedaan en ik weet niet waarom. Hoe voelt dat? Het is niet een gevoel; het is een niet-bestaan. Het laat je niet los, nooit. Ik zie een glimp van de lege ruimte achter hem, angstig groot.

-‘Misschien was ze te arm om voor je te zorgen. Ik denk dat ze van je hield en dat ze wilde dat jij het beter zou hebben dan zij.’
-‘Ja, dat wil ik het liefst geloven, soms.’

Willem Hulscher, achtste vader, vingers tellen
…misschien was ze bang voor straf…

Pity, mercy en love

Anupong hoort me uit over de betekenis van de woorden pity, mercy, love en care, en de verschillen die ik daaraan toeken. Ik antwoord naar beste weten. Naar de vader die hem heeft meegenomen uit het ziekenhuis (een handelaar?) vraag ik niet en ook niet naar zijn andere vaders.

-‘Hou je van je moeder?
-‘Welke moeder?
-‘Je moeder in Kalasin’
-‘Ze is de moeder van mijn zuster’
-‘Dan ben jij haar zoon’
-‘Nee’
-‘Waarom niet?’
-‘Ze zorgde voor me omdat ik een novice was in de tempel, maar ik ben lelijk en ik ben geen novice meer’
-‘Hou je van haar?’
-‘Ik hou van iedereen, van iedereen evenveel, net als Boeddha’
-‘Dus Boeddha houdt ook van jou!’
Anupong kijkt me aan met wijd opengesperde ogen en zegt niets.

-‘Heb je werk in Bangkok?’
-‘Ik werk in het Indra Hotel’ mompelt hij, terwijl hij weer voor zich kijkt.
-‘Werk je daar allang?’
Uit zijn verwarde antwoord begrijp ik dat hij nog helemaal niet bij het Indra werkt. Hij heeft er gesolliciteerd en zijn wens is zijn realiteit. Misschien zal hij worden aangenomen, misschien niet. Het hangt van de certificaten af die zijn moeder in Kalasin zal sturen… als ze mercy heeft.

Maar hij is geen novice meer en ze is zijn moeder niet. Zijn moeder heeft hem weggedaan. Hij staart voor zich uit; zijn handen klemmen het servetje vast.

Willem Hulscher, achtste vader, Isan
….reiken met je armen en je hoofd….

Weer die lege, trieste blik. Wanneer hij niet praat zie ik de leegte achter zijn gezicht. Het beeld dringt zich aan me op. In die ruimte heerst geen duisternis, integendeel; het licht is schel, maar het schijnt op niets. Ik zie de gaping van een bodemloze put. Soms vormt zich een vliesje waarop je bijna kunt staan, een heel klein randje, maar het brokkelt af en je valt weer; daaronder is niets, niets dat je voeten steunt, je valt. Je moet met je armen reiken en met je hoofd; met woorden probeer je te pakken wat er niet is.

Het is leeg om je heen. Er waren twee oudjes van wie hij een naam kreeg; ze sloegen en ze verdwenen weer, ze verdwenen zonder hem. Leeg. Anupong reikt, roept, schreeuwt zonder geluid. Ik kan me haar niet herinneren, ik weet niets van haar, ze heeft me weggedaan.

 

Foto vingers tellen: ©N. Phansawat

1 Comment

  1. Ja, Willem, zo kom je elkaar weer tegen na ‘ De Tegel’ waar ik lang mijn stukjes heb mogen plaatsen en nu dus dit medium met meer potentie dan het verenigingsblad, hoewel, de glossy uitgave zeker het oog heeft gestreeld.
    Dit verhaal is weer een prachtig doch schrijnend voorbeeld hoe er in Thailand (soms) met kinderen wordt omgesprongen. Ik kan ervan meepraten sinds ik in een bui van overmoedigheid – of was het toch weloverwogen – een straatjongen in mijn hart heb gesloten en sindsdien voor gezorgd. Hij zou later trouwen, zelf een kind krijgen, maar zijn vrouw is op een gegeven moment met stille trom vertrokken – Boeddha eigen, toen hij nog een prins was en het paleis waarin hij woonde zwijgende verliet – zonder kind wel te verstaan en er ook nooit meer naar heeft omgekeken. Het valt moeilijk te begrijpen, wel dat zij in haar man (mijn straatjongen) niets meer zag, dat komt geregeld voor, maar een kind….
    Ach, ik heb er een kleinkind bij en wellicht dat ik daarover ook nog eens verhaal zal schrijven hoewel het ver van mijn gebruikelijke onderwerpen (thema) staat. Doe er nog maar een paar, er zijn er meer onder ons met een soortgelijke ervaring.

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.