Thailand. Jagerslatijn en de lekkere kleine beestjes

Lieven Kattestaart, Isan, Hagedis, Smikkelen

Verblijvend in mijn vrouw’s geboortedorpje, kun je eenvoudigweg niet om de plaatselijke Isaan eetgewoonten heen. Tussen de oeverloze hoeveelheden som-tam, bergen kleefrijst en de al net zo veelvuldig voorkomende curry’s waren er ook nog zaken die als plattelandssnack dienden.

En wel de gegrillde hagedisjes. Deze lokale borrelnoot werd mij ooit eens geserveerd bij een buurman in hetzelfde dorpje. Men zat daar ‘s avonds aan het plaatselijke vuurwater en knabbelde daarbij op deze voormalige bosbewoners, goudbruin en knapperig. Na enige aarzeling besloten toe te happen, licht aangemoedigd door eega, en zwaar door tafelgenoot Chang Beer.

Lieven Kattestaart, Jagerslatijn, Hagedisjes

Openbaring per smaakzintuig. Gewoon heerlijk, en gebakken kip als lachertje van het ere-podium duwend. Al hield mijn eigen eetlust op, waar die van mijn Thaise gastheer begon. Hij was namelijk dol op de overgebleven hagedissekopjes. Die kraakten zo lekker tussen je tanden, voegde hij me toe.

Het een leidde tot het ander, en kwam in handen en voeten-gesprek met aanwezige neef van mijn vrouw, die soms op zoek ging naar deze kleine scharrelaars. Mijn jagersinstinct ontwaakte uit zijn jarenlange comateuze toestand en een afspraak was snel gemaakt. Tian zou me bij het ochtendgloren meenemen op expeditie naar de binnenlanden, alwaar rijke buit ons wachtte.

Op zoek naar kleine scharrelaars in het grote, enge bos

Dauwtrappend begaven wij ons de volgende morgen op weg naar het grote enge bos, de beschaving vaarwel zeggend. (Om later via Google-Earth te ontdekken dat dit struikgewas het vliegveld van Khorat herbergt.) Gewapend met lichte kater van de avond ervoor en pioniersschopje begonnen wij onze missie.

Tevens voorzien van mijn oude legerkistjes, belachelijk groot mes, rugzakje en mega-veldfles was ik prima voorbereid op dit avontuur. Het feit dat neef Tian op flip-flops liep, en niet meer meesleepte dan zijn rotan mandje met daarin zijn katapult en wat voorgedraaide kanthooi-peuken, ontging me even.

Dat het schopje diende om de kleine rakkers uit te graven, werd mij onderweg pas duidelijk. Weg visioenen van valstrikken leggen of vernuftige, slechts aan enkele ingewijden bekende bosvergiften. Bloedig geschramd door stekelstruiken en verwelkomd door opzienbarend bijterige bosmieren, begon het zweet al gauw te stromen. Tian bleef Thais onderkoeld en speurde naar tekenen van hagedisleven.

Herkenbaar aan kleine openingen in de bosgrond, wist neefje hun ondergronds verblijf te lokaliseren. Waarbij het beter was om niet zoals sommige overijverige farangs het verkeerde holletje uit te graven, waarin slechts een harige spin huisde. Deze was not amused, zo kan ik mededelen.

Gravend, zwetend, en handkramp opdoend van het piepkleine schopje bleven de hagedisjes echter terdege uit ons zicht en greep. Daarbij waarschijnlijk nog het meest gewaarschuwd door het amechtig hijgen naar lucht van deze sportschoolmijder, of het droge rokershoestje van mijn gids.

Verwoede graafpogingen leidden tot niets, behalve mini-bomkraters, en ontwortelde struiken. Ettelijke locaties werden tot een halve meter diep uitgegraven, om tenslotte de bewoner op vakantie te vinden. Met als apotheose die keer dat ik erachterkwam dat hagedissen beslist niet achterlijk zijn, en vaak twee uitgangen maken van hun hol.

Zag door mijn zweetdruipende wenkbrauwen hoe onze prooi razendsnel wegschoot uit een ongezien ander gat, terwijl ik net enthousiast een kubieke meter Thaise bosgrond had verzet. Een zeer bemoedigend iets.

Smadelijke terugtocht

Aldus was bot het enige wat ik die dag ving. En de ongewenste attentie van vele ronddarrende insecten, die me graag lieten weten eveneens op jacht te zijn.

Mijn medegraver had ook zijn dag niet, en tenslotte werd ons duidelijk dat dit niet ging lukken, en het tijd werd voor een tactische terugtrekking. Deze slag was voor de bosbewoners. Zou je vrouwlief horen lachen, die had al zo haar bedenkingen gehad, mijn uitrusting ziende. Haar vraag of ik niet beter ook nog een helm op kon zetten sprak boekdelen.

Met het opgedroogde zweet op de rug en een opkomende blaar in beide knuistjes, vingen we de smadelijke terugtocht aan. In ons kielzog een kleine hectare aan omgeploegd bosperceel achterlatend.

Onderweg kwamen we nog een bejaard echtpaar tegen, op rubberen kaplaarsjes en met een meterslange stok mierennesten uit bomen sjorrend. De krasse oudjes waren wel succesvol en hadden al flink wat nesten verschalkt. Later op de markt zou dat leuk wat bahtjes opleveren, terwijl wij, serieuze jagers op grof wild, slechts de beelden van wegrennende en middelvinger opstekende hagedisjes op het netvlies hadden.

Aldus ontmoedigd sjokte ik verder, om dan door Tian opmerkzaam gemaakt te worden op een boom, zo’n tien meter verderop. En wat zat daar op de bast? Jawel, een van onze zo gewilde, doch onbereikbare holbewoners. Met een enkel schot van zijn steenslinger veegde neef Arendsoog het beestje perfect van de schors. Een schot dat een zekere David hem in gevecht met Goliath niet verbeterd had, al lagen de verhoudingen hier wel wat anders. Trots ging hij met zijn buit op de foto.

Toch nog geslaagd, al mag het resultaat na urenlang zoeken, zweten, en complete Thaise Metro-ingangen uitgraven povertjes genoemd worden.

Heb daarna nimmer meer Thaise jacht-activiteiten ontplooid, doch me slechts bezig gehouden de aangeboden snacks te verorberen. Daarbij respect hebbend voor het blaartrekkende werk dat eraan voorafgaat.

Vrouwlief kon een schaterlach inderdaad niet onderdrukken bij het aanschouwen van het ene zielige hagedisje, en vroeg nahikkend of we morgen weer gingen. Dan zou ze ruimte maken in de koelkast. Ik deed haar leedvermaak uiteraard met een schouderophalen af, want ach, wat weten Thaise vrouwen nou helemaal van jagen op Groot Wild?

Deze pagina delen

  • Delen op Facebook
  • Delen op Twitter
  • Delen op LinkedIn
  • Delen op Google+
 

Lees ookgerelateerde berichten

Reageer

E-mail (wordt niet gepubliceerd)