Intermezzo. De haas verneukt de kip…

Pasen, een christelijk Hoogfeest. Je hoorde het al aan het uitbundige klokgelui vanochtend. De klokken van de katholieke kerken zijn terug gekeerd uit Rome. Die van protestantse kerken zijn nooit naar Rome geweest. Sinds Witte Donderdag hebben we geen klok gehoord; de stilte van rouw. In sommige landen en parochies werden in deze Goede Week de belletjes waarmee de misdienaars de kerkelijke plechtigheden begeleiden, vervangen door ratels. Het geklepper van dat hout moet de gelovigen nog meer doen denken aan het kruishout van Christus.

Maar vandaag is het feest. Jezus verrezen. De klokken zijn terug. Ze strooien niet alleen klanken, maar ook (paas)eieren over stad en land. Anders- of niet-gelovige kindertjes wordt verteld dat niet de klokken, maar de Paashaas die eieren in tuinen, parken en op balkons, of zelfs binnenskamers verstopt. Zelfs in de religieuze sprookjeswereld is de oecumene ver te zoeken… Gelukkig maar dat beide versies onzin zijn. Zo brengt, volgens één van de vele overleveringen, de haas de eieren alléén bij brave kinderen; de Sinterklaas in dierenland. Je moest als kind tegen Pasen erg braaf zijn anders kon je naar je eieren fluiten.

Elk jaar weer denk ik: die haas verneukt de kip. Die kip doet het legwerk maar krijgt stank voor dank, terwijl die rappe langoor met de veren gaat strijken. Mijn naam is Haas, jawel…. Hij is gewoon een loopjongen, een bezorger. Iemand moet die eieren tenslotte rond brengen en als je de kip dat zèlf laat doen komt er natuurlijk niks van terecht. Die loopt als een kip zonder kop in de rondte, kent alleen de weg naar haar eigen hok en zit liever òp d’r eieren dan ze weg te geven.

Eieren met Pasen? Hoezo? Omdat eeuwenlang al rondom de wereld op een of andere manier het Lentefeest wordt gevierd. Vaak met eieren, omdat het ei hèt symbool is van de wedergeboorte. Et voilá, dan zijn we weer terug bij het christelijke Pasen: de wederopstanding van de Heer, het begin van een nieuw leven.

In ons familie-archiefje zit een handgeschreven gedichtje van tante Cor; in 1893 geboren en in 1976 overleden. Ze schreef graag en heel gemakkelijk gedichtjes, zoals ‘Paasch-Zaterdag’, gedateerd, 5 april 1947:

Vanmorgen heb ik wat fijns gezien, direct bij het ontwaken.
Daar wil ik nu, aanstonds van louter plezier, een liedeke op gaan maken.
Ik zag de kastanje vanuit mijn raam; heel zachtkens wiegden de toppen.
Plots maakte de zon er een kerstboom van, met lichtjes in alle knoppen!
Begin April en bewolkte lucht, maar komt de zon even kijken
dan staat me daar die wondre boom met honderden lampjes te prijken.

‘Geen dag zonder Bach’, riep de muziekliefhebber vrolijk en zette een cd van de Zangeres zonder Naam op. Kun je zo iemand een cultuurbarbaar noemen? Natuurlijk niet. Smaken verschillen nu eenmaal, ook wat betreft (de) cultuur. Wat zou een mens, een land zijn zonder veelzijdige cultuur? Ter bevordering daarvan hebben we er in 1965 zelfs een ministerie voor opgericht met een heuse minister aan het hoofd, Marga Klompé was de eerste.

Vanaf 1982 is Cultuur een ondergeschoven kindje geworden in departementen met meerdere en kennelijk belangrijker taken. Sindsdien is bezuinigen op cultuur eerder regel dan uitzondering geworden.

Hoeveel fanfares, toneelgezelschappen, jazz-combo’s, orkesten, balletdansers en operazangeressen, beeldende kunstenaars, gemengde koren, dichters, schrijvers en cabaretiers heeft een land nodig? Nooit genoeg, ben ik geneigd te zeggen. Cultuur is hart en ziel tegelijk van elke samenleving. Maar in zijn sonnet ‘De Kalverstraat’ heeft de dichter Gerrit Komrij (1944-2012) een heel andere kijk op cultuur:

Cultuur is om m’n reet mee af te vegen.
En dan wat is cultuur nog in dit land?
Een steekje los, een stukje in de krant.
Gekeuvel met wat prietpraatjes ertegen.

En Freek de Jonge doet er nog een schepje boven op:

Cultuur is voor onnozele malloten
en dan wat is cultuur nog in dit land.
Een snel gevulde kinderhand
met klodders verf en pepernoten

Dorus was niet de pienterste leerling van de klas, onderbouw, maar wel vroegrijp. De juffrouw vond het leuk om hem zo af en toe eens extra te testen, zelfs met gemakkelijke vragen, zoals:

‘Luister Dorus. Er zitten vier vogels op een hekje. Komt er een jager aan en schiet er één dood. Hoeveel vogels blijven er dan nog zitten?’
‘Geen een’, antwoordt Dorus. ‘Hoezo dat?’ vraagt de onderwijzeres. ‘Nou’, zegt Dorus, ‘als je er één afschiet vliegen de anderen weg’.
‘Nee’, zegt de juffrouw, ‘zo bedoel ik het niet. Het antwoord is natuurlijk drie. Maar de manier waarop je denkt vind ik wel leuk’.
‘Wel’, zegt Dorus, ‘dan heb ik ook nog een vraag aan u. Er zitten drie vrouwen op een bankje. De eerste likt aan een ijsje, de tweede bijt in het ijsje en de derde zuigt aan een ijsje. Wie van die drie is getrouwd?
De onderwijzeres denkt diep na en zegt dan met enige aarzeling: ‘Ik denk de vrouw die aan het ijsje zuigt’.
‘Nee, nee’, antwoordt Dorus. ‘Dat is de vrouw met de trouwring om haar vinger. Maar de manier waarop u denkt vind ik wel leuk’.

Honi soit qui mal y pense…

Over Frans Wijnands 33 Artikelen
Frans Wijnands is journalist. Voor regionale dagbladcombinaties werkte hij als correspondent in Rome, Praag en Bonn. In de jaren tachtig was hij tien jaar hoofdredacteur van dagblad De Limburger. Na zijn pensionering woonde hij in Italië en België (Gent) alvorens naar Nederland terug te keren.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*