Intermezzo: Ciao bella

Gisteren was het (alweer) 4 mei. En voor de tweede keer werden de oorlogsdoden op een vrijwel lege Dam herdacht. Met een verrassende spreker: André van Duin. De 74-jarige veelzijdige komiek/presentator is veel van zijn vrolijk makende gekkigheid kwijt. Hij voelt zich doorlopend eenzaam, las ik in een interview met hem in de NRC. “De waarheid is dat ik elke dag thuis kom in een leeg huis. Ik ben alleen. Echt alleen. Want Martin is er niet”. Vorig jaar januari overleed Martin, de echtgenoot met wie hij twintig jaar lang zielsgelukkig was.

Nee, de pure grappenmaker in hem zullen we niet meer zien: ‘Als komiek moet je op ’n bepaalde leeftijd stoppen, anders wordt het een beetje zielig. Oude komieken hebben toch iets treurigs’. De kortgeleden aan darmkanker overleden cabaretier Jeroen van Merwijk, pas 65, zag het toppunt van treurigheid:

Niets is zo treurig als een man
die met twee bakkebaarden aan
en haar op z’n hoofd als bisonkit
op de kermis alleen in een botsauto zit

Wat André van Duin op de Dam ging zeggen wilde hij in dat interview niet kwijt. Maar het Homomonument op de Amsterdamse Westermarkt zou zeker ter sprake komen. Alle vormen van discriminatie, antisemitisme, homohaat blijken wereldwijd onuitroeibaar. Hoe actueel blijft de uitspraak van de Holocaust-overlevende en Nobelprijswinnaar (voor de Vrede, in 1986) Elie Wiesel: “Het tegenovergestelde van liefde is niet haat, maar onverschilligheid”. Medemensen niet als mèns zien, maar als lastige, vervelende, nutteloze dingen…

4 mei. Ik herlees voor de zoveelste keer de zes regels van de schrijfster en dichteres Ida Vos (1931-2006):

aardrijkskunde
zij had een onvoldoende
voor aardrijkskunde
die laatste dag
maar wist een week later
precies waar Treblinka lag
héél even maar

De oorlog is voor mij een reeks losse herinneringen: mijn moeder die me op een holletje uit de kleuterschool kwam halen als het luchtalarm afging en dat ze mijn jongere broertje en mij soms naar binnen riep als we op de stoep voor ons huis speelden. In de laatste fase van de oorlog waren de huizen aan de overkant van onze straat namelijk gevorderd: bewoners eruit, Duitse soldaten er in. Sommigen van hen riepen wel eens iets naar ons; wisten mijn broertje en ik veel…, maar ons moeder riep ons dan terug in huis: “Frans, Peter kom”. Jongensnamen die Duitsers vertrouwd klinken…

Enkele dagen voordat Eindhoven, in september 1944 bevrijd werd, begonnen de Duitse soldaten aan de overkant van onze straat ’s nachts in grote haast en met veel geschreeuw en motorgeronk aan de terugtocht, zeg maar vlucht.

Mijn vader heeft toen door een spleet in het slaapkamergordijn gezien dat een van die soldaten met iets langwerpigs in z’n hand naar onze voordeur liep en daarna wegholde, met lege handen. Pas uren later, toen duidelijk was dat ze ècht vertrokken waren, vond mijn vader bij de voordeur een vioolkist met daarin ’n viool en ’n briefje: Für Franz und Peter.

Geen idee wat er met dat instrument is gebeurd. Ik heb er ook later nooit meer naar gevraagd. Jammer. Een week later zaten in de huizen aan de overkant bevrijders: Engelsen. De beste overburen die je je maar kon wensen… Met een van hen hebben mijn ouders nog jaren contact gehad.

Mijn hele leven – tot nu toe – heb ik geen oorlog bewust, laat staan actief hoeven meemaken; een Godsgeschenk. Dat realiseer ik me elke 4e mei, en niet alleen op die ene dag. We zijn vrijheid als vanzelfsprekend gaan beschouwen, terwijl het een toevallige, gelukzalige episode in de geschiedenis is. Vrijheid is vliesdun als ‘n vlindervleugel en vraagt doorlopend verantwoordelijkheid. Je mag alles zeggen, maar in alle vrijheid moet je tegelijk op je woorden passen.

Toen ik onlangs in de plaatselijke poli was voor een routine-bloedprik kreeg ik van de ‘prik-mevrouw’ een compliment. Ze vond dat mijn mondkapje geraffineerd mooi paste bij m’n losjes gestrikte stropdas: ‘n Liberty, met veelkleurige pastelbloempjes. Ik ben te oud om dan een blos te krijgen, maar ik vond het leuk om te horen.

Op de wandeling terug naar huis dacht ik: wàt als het nou omgekeerd was geweest? Als ik háár een compliment had gegeven, voor haar kleurige sjaal of die leuke vlecht met ’n rozetje. Want als je vandaag de dag complimenteus bent zit je vóór je het weet in moerassig gebied. Niet alle vrouwen (steeds minder?) zijn gediend van galante opmerkingen.

In het Italiaanse stadje waar ik een aantal jaren heb gewoond voelde niemand zich speciaal aangesproken als mannen ‘Ciao bella’ zeiden, om het even tegen wie. Ze zeiden het tegen de altijd zuinig kijkende apothekeres, het bejaarde vrouwtje van de bloemenkiosk, het inderdaad mooie meisje achter de toonbank van de beste patisserie van de stad en vele anderen. ‘Dag schoonheid’. Gewoon een compliment, zonder de minste bijbedoeling.

Ik zeg het hier niet zo gemakkelijk, want je weet maar nooit of de ontvangster het als een seksistisch getinte opmerking opvat.Je kunt vrouwen in twee groepen verdelen…, maar ik zou het niet doen”, adviseert de Twentse cabaretier Herman Finkers.

Daar hou ik me dan maar aan.

Over Frans Wijnands 33 Artikelen
Frans Wijnands is journalist. Voor regionale dagbladcombinaties werkte hij als correspondent in Rome, Praag en Bonn. In de jaren tachtig was hij tien jaar hoofdredacteur van dagblad De Limburger. Na zijn pensionering woonde hij in Italië en België (Gent) alvorens naar Nederland terug te keren.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*