Ibu Jono

Het waterkasteel

Dagenlang doorkruiste ik Jogya zonder al teveel doel of richting. Ik at kleefrijst met kokos bij eetstalletjes op straat en zwom in de loop van de ochtend clandestien in hotel Ambarrukmo onder de kokospalmen. Naast de levendigheid van de stad ving ik een glimp op van het vertraagde leven in de kraton waar ik luisterde naar gamelanmuziek die me maar matig beviel, te metalliek. Na afloop sprak ik met een gids die beweerde dat de sultan een bemiddelende rol speelde tussen God en de mensen. Voor hielenlikkers was geen argument te zot.

Indrukwekkend in zijn verval was het Waterkasteel, een groene woestenij met holen en holtes vol krijsende vleermuizen. Het liefst dwaalde ik rond te in de fascinerende wereld van de Pasar Burung. Alles wat leefde was er te koop, slangen, vissen, civetkatten, maden, meelwormen en kakkerlakken, tot poezelige jonge uilen in kartonnen dozen, en kleine witte reigers zoals ik ze overal zag in de natte rijstvelden.

Een eenzame roofvogel op ooghoogte op een zitstok, een arend dacht ik, had ik graag willen meenemen om hem zijn vrijheid terug te geven, maar het koninklijk dier dat hoog in de lucht boven onze hoofden had moeten cirkelen, bleef verweesd achter, met zijn ene poot aan een ketting, bewaakt door een oude vrouw met een sirihpruim in haar mond, die wat naar buiten hing, waardoor het was of ze zojuist een rauw stuk vlees naar binnen had gewerkt en het achtergebleven bloed tussen haar tanden door naar buiten sijpelde.

Na zonsondergang kreeg de stad een ander aanzien en bracht in straatjes en stegen van alles naar buiten wat overdag verborgen bleef, blinden en bedelaars, zangers en trommelaars, travestieten die het erop waagden met hun broze identiteit naar buiten te treden. Een voorrecht om in hun midden te zijn. Ik maakte kennis met een paar jonge knapen die aanvankelijk wat aan me wilden verdienen, maar me al spoedig toelieten tot hun vriendenkring.

Bij het vallen van de avond ging ik naar Mama die met een handdoek om haar hoofd geknoopt de borden vulde met voedsel uit haar dapur, die door een schuchter meisje buiten op onze tafel werd neergezet. Hier at ik met Toto, en met Mardi, een mannelijke schoonheid, en met Talal, een Arabische jongen die aan een van de vele universiteiten van de stad studeerde. Een verwend knaapje, afkomstig van Medina, trots op zijn vader, die eigenaar was, beweerde hij, van een paar hotels en een aantal Cadillacs.

Robert Vacher, Indonesië, Ibu Jono,We aten samen en na afloop popelden de jonge honden om zich in een dooie hoek in de doolhof van stegen aan Sumatra grass te vergrijpen met een slok whisky erbij. Allah keek ook wel eens de andere kant op. Maar politie in burger deed dat niet. Heel spannend allemaal, ik nam ook een paar hijsen maar had weinig zin om door een onbekende in mijn nek gegrepen te worden om vervolgens jaren in een betonnen bunker te worden opgesloten en er te creperen tussen de kakkerlakken. In beweging blijven leek me maar het beste. Het was goed om even met ze op te trekken, maar de behoefte om weer alleen te zijn nam het over.

Ik sloot ze in mijn hart en reisde op een dag naar Muntilan, vandaar naar Magelang en Wonosobo. De weg ging hier de hoogte in. Het regende. Waar in het busje plaats was voor tien, twaalf man zaten twintig man tussen knapzakken en manden. Toen ik op het eindstation uitstapte was het droog.

Ik wist ongeveer de richting die ik lopen moest naar de warung van ibu Jono, zoals het op mijn plattegrondje stond aangegeven, getekend door een oudere man afkomstig van Wonosobo, bekend met de meren, de bronnen, de valleien, de grotten en de oeroude tjandi’s of tempeltjes die over het Dieng Plateau verspreid lagen.

Het weerlichtte voortdurend op verschillende plaatsen tegelijk, gevolgd door vaag gerommel in de verte. Ik was in mijn element, dit voelde als het volle leven, maar na een minuut of tien was ik verkild en nat tot op het bot. Het was dan ook een verademing dat ik op zijn minst ergens schuilen kon.

Selamat sore. Mijn groet werd niet beantwoord. Er speelde alleen een glimlach om haar magere kaken terwijl ze rustig bij een houtskoolvuur zat dat gloeide in een gietijzeren komfoor. Om warm te worden trok ik droge kleren aan en ging tegenover haar bij het vuur zitten. Ze knikte dat ik kon blijven slapen.  Ibu Jono had een kamertje vrij met een touwbed waar ik gebruik van kon maken. Korte tijd later streek ze mijn natte kleren droog met een strijkijzer dat ze had gevuld met hete houtskool. Daarna kwam ze met een kom soep met mie en wat stukjes kippenvlees. Haar kat klaagde en miauwde, het was geen weer om te jagen.

De volgende morgen zat onder zijn afdak de witgekuifde kaketoe al vroeg druk te praten op zijn stok. Krielkippen stapten rond in rioolwater. Ik nam afscheid en nog steeds deed ibu Jono haar mond niet open. Wel kwam ze met een stukje papier met de rekening voor het eten. Ik betaalde en vertrok. Ibu Jono bleef staan bij haar deuropening. Telkens als ik omkeek zwaaide ze, en ik zwaaide terug, net zo lang tot we voorgoed uit elkaars leven verdwenen.

 

Ook op Trefpunt van Robert Vacher: Bitter zoet

Robert Vacher
Over Robert Vacher 4 Artikelen
Robert Vacher zwierf jarenlang door Zuidoost-Azië en Afrika en verbleef langere tijd in Frankrijk en Spanje. Hij schreef onder meer de roman Grensgebieden, de reisroman Spel van Troost, de verhalenbundel Vrije Val, en publiceerde in tijdschriften als De Revisor, Maatstaf, Nieuw Vlaams Tijdschrift, SIC en Gierek

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*