Hongerige olifanten in Noord-Thailand

De hemel is weer eens niet meer dan een vies, goor laken dat over het verduisterde land hangt. De zon heeft nog net genoeg kracht er een broeierige oranje plek in te branden, opschuivend naar rood in het kleurenspectrum. Alsof ze de wereld voorgoed de rug gaat toekeren, zoals sterren die zich met het Dopplereffect steeds verder van ons verwijderen. Op het stukje aarde waar ik me bevind, liggen de nog maar nauwelijks zichtbare bergen te stikken. Mijn ogen branden en ik heb roet in mijn neus. Het is 33 graden zie ik op de thermometer die ik aan het dashboard plakte, maar het voelt aan als boven de 40. Ik voel de zweetdruppels over mijn ruggengraat naar mijn bilnaad trekken. Helemaal lekker ben ik niet want de cerebrale mist onder mijn schedelpan is nog niet opgetrokken. Ik neem me plechtig voor nooit geen Thais distillaat meer te drinken.

In Noord-Thailand is het de jaarlijkse afbrand periode. De bossen die in dit seizoen toch al naar water staan te snakken, moeten er wederom aan geloven. Op de as die overblijft, schieten straks paddestoelen op die met wat pepers en andere kruiden bijzonder lekker smaken in een Thais soepje. In een ommezien zet je het op tafel en met wat rijst erbij is de maag weer gevuld. En verder moet de mais van de velden en met het afval dat overblijft kun je je eens lekker pyromaan uitleven. In de conservenfabrieken worden zelfs de lege kolven in de fik gestoken, terwijl daar toch ook andere dingen zoals biochar mee te maken zijn

Biochar is wat de Warm Heart Foundation, een Amerikaanse NGO, in nooit aflatende ijver probeert te promoten onder boeren en lokale overheid. Ze ontwikkelden er een speciale oventje voor dat door maisboeren gemakkelijk te vervaardigen is. De belangrijkste onderdelen zijn een oud olievat en wat geribbeld plaatstaal. Dat oventje kan die lege maiskolven rookloos omzetten in biochar. Echt geen technologisch mirakel hoor. Alles wat je ervoor moet doen, is te zorgen dat bij het verbrandingsproces de aanvoer van zuurstof minimaal is. Biochar is eigenlijk niet meer dan een inerte vorm van koolstof, en als de pellets vermengd worden met varkenspis zijn ze een uitstekende vorm van mest, die de kwaliteit van de grond blijvend kan verbeteren. Je kunt het ook gebruiken om pesticiden uit kraanwater te halen zodat het te drinken is.

Biochar oven, foto: YouTube kanaal Warm Heart Foundation

Een paar jaar geleden had ik het erover met een Thaise vrijwilligster van Warm Heart Foundation. Tijdens een benefiet concert van een paar muzikanten uit Chiang Mai opgezet om geld in te zamelen voor die oventjes. Stop the smoke, zo heette de actie. Als het maken van biochar industrieel wordt opgezet, zou met de warmte die vrijkomt ook een elektriciteitscentrale aangedreven kunnen worden, vertelde ze me op de dansvloer tussen arabesk aandoende draaibewegingen door. Ofschoon er van overheidswege wel enige belangstelling was, was dat tot nu toe nog niet echt vertaald in actie. Op die overheid hoefden ze trouwens ook niet te reken bij het promoten van hun kleinschalige oventjes onder de boeren, liet ze me tussen neus en lippen weten toen ze na een paar gedurfde danspassen weer eens voorbijkwam.

Het jaarlijkse terugkerende vreugdevuur in Noord-Thailand brengt tienduizenden mensen in ademnood en veroorzaakt allerlei andere fysieke aandoeningen. Een rapport van de Wereldgezondheidsorganisatie schat dat er in Thailand door de rook jaarlijks minstens 60.000 mensen prematuur overlijden. Maar voor de grote voedselproducenten, de stropers en de rapers van paddenstoelen prevaleert economisch belang en een gemakkelijk gevulde buik over menselijk welzijn.

Al jaren maakt de Thaise overheid elk jaar aardig wat decibels geluid. Maatregelen gaan ze nemen, boetes uitdelen, en als dat ook niet helpt in het gevang met die brandstichters. Maar meer effect dan op persconferenties een paar pakketjes luchtmoleculen in beweging brengen heeft het niet. Als je niet zou weten van de intieme relatie tussen de heersende elite en de grote voedselbedrijven, zou je zelfs impotentie bij de Thaise overheid gaan vermoeden.

Met de ramen van mijn Chevy pick-up truck Afrimele wijd open, nader ik het dorpje Mae Wang op een zeventig kilometer van Chiang Mai. Het is het stroomgebied van een rivier met dezelfde naam. Enkele rotspartijen hebben er wat stroomversnellingen ingelegd, die voldoende white & wild water afgeven om eens lekker in te raften.

Een paar jaar terug waagde ik me eraan, samen met een stel straatcolporteurs van een Nederlandse boekenclub. Ze hadden het afgelopen jaar goed hun best gedaan en een flink aantal mensen weten te strikken voor een abonnement. Om de zinnen te verzetten waren ze door hun baas beloond met een reisje naar Thailand. Het was een stelletje ongeregeld en ik weet niet wat er onderhuids allemaal speelde tussen die gasten en hun baas. Maar midden in een van die stroomversnellingen kieperden ze hem uit de rubberboot. Snakkend naar adem wist de arme man nog net naar de kant te komen en zich vast te grijpen aan een overhangende tak. Daar bleef hij hangen, minstens een hachelijk uur lang, totdat hij uiteindelijk door een paar boeren uit het water getrokken werd.

Dit is ook een gebied, waar jungle trekkings uitgevoerd worden, gecombineerd met vlotvaren en olifant rijden. In pre-coronale tijden was het razend populair onder het leger rugzakkers, dat jaarlijks Chiang Mai bezoekt. Een paar honderd van deze inschikkelijke slurfdieren staan er klaar om ze aan hun trekken te laten komen. In het hoogseizoen draaien ze overuren.

Hier en daar stijgen rookpluimen op uit de valleien. Ik wijs er Pairoot op die zwijgend naast me zit. Heel anders dan gisteravond, zit hij nu nors voor zich uit zit te kijken. Hij moet een gigantische kater hebben.

‘Moen Chang’, zegt hij kortaf. ‘Olifantenmoppen, die door de menners worden verzameld. Aangezien ze er niets mee kunnen, steken er ze de brand in’. In mijn hoofd maak ik een snelle berekening. Een olifant neemt dagelijks een paar honderd kilo voedsel tot zich, dat hij in 15-18 keer per dag uitkakt. Misschien in totaal 80-100 kilo. Vermenigvuldig dat met een paar honderd en je komt aan 20-25 ton olifantenpoep, die hier elk dag nodeloos als rook de lucht ingaat.

Pairoot behoort tot de Karen, een etnische minderheidsgroep, die zich traditioneel met het africhten en opleiden van olifanten bezighoudt. Zelf is hij ook mahout, een olifantenmenner; meer dan 15 jaar geleden leerde hij het vak van zijn vader. Eerst werkte hij in een van de grotere olifantenkampen, waar hij zag dat er met deze beesten goed geld te verdienen was. Met enkele bevriende mahout, onderling door familiebanden aaneengeklonken, besloten ze zelf ook twee olifanten te kopen en voor eigen rekening te gaan werken. Met een vijfjarenplan om de lening, afsloten tegen een woekerrente bij de eigenaar van een van de kampen, terug te betalen.

Gisteravond in een van die minuscule Lao Khao straattentjes langs de uitvalswegen van Chiang Mai, was ik hem tegen gekomen. Lao Khao is een Thais distillaat op basis van rijst en de goedkoopste alcohol die in Thailand te krijgen is. Hij zat er moederziel alleen. De flessen werden in bedwang gehouden door een hups Thais meisje. Zonder ooit een steek te laten vallen hebben die een nooit aflatend oog voor hun klanten. Accuraat hield ze zijn glas gevuld om in deze barre coronatijden toch nog wat omzet te scoren. Als tegenprestatie wilde ze al zijn miserie wel aanhoren. Toen ik me naast hem neerliet had hij hem al goed om. Hij had er eens even tussenuit gewild, vertelde hij, want in Mae Wang waar hij zijn olifanten hield was niets te beleven. Zo dood als een pier nu de toeristen er niet meer waren. Moeilijke tijden waren het, want die beesten moesten wel eten. Olifantengras en suikerriet, honderden kilo’s per dag. Ze konden nauwelijks voldoende aangesleept krijgen. Een honger die haast niet te stillen was. De olifanten werden er ongedurig van. In betere tijden kregen ze van de toeristen al een deel van hun dagelijkse rantsoen toegestopt. Trossen banaantjes en bussels suikerriet die als welkome bijverdienste verkocht werden. Maar nu kostte het handenvol geld en er kwam niets meer binnen.

En tot overmaat van ramp had hij net een ongeluk gehad met zijn brommer. Hij had een bochtje verkeerd berekend en was een irrigatiekanaal ingereden. Zelf had hij niet meer dan een paar schrammen en wat pijn in zijn kop. Maar zijn brommer lag behoorlijk in de kreukels. De politie was erbij gekomen, had zijn brommer uit het kanaal laten takelen. En wilde die niet eerder vrijgeven voordat hij de openstaande rekening betaald had. En dan moest zijn machientje ook weer rijdbaar gemaakt worden. Het ging weer heel wat kosten en hij had er het geld niet voor.

Uit solidariteit dronk ik er eentje met hem mee en daarna nog een paar. Maar voor hem werd het net iets te veel. Zijn oogleden begonnen al af te zakken en zijn spraak werd steeds lijziger. Toch bleef hij ergens in een hoekje van zijn hersens wonderwel lucide. Morgen moest hij weer voor zijn olifanten gaan zorgen, gras snoeien, heel veel gras. “Hoe ga je dan terug?”, vroeg ik, waarop hij me alleen maar grijnzend aanstaarde. Net voordat hij er op de hardhouten bank van dat straatbarretje helemaal onderuit ging, wist ik het nog naar hem door te seinen. Ik beloofde dat ik hem de volgende dag naar Mae Wang zou brengen. Voor mij met mijn zwerfbloed was het een welkome aanleiding er weer eens op uit te trekken. Van het barmeisje dat kennelijk wel wat gewend was, mocht hij daar blijven liggen. Ze ging toch sluiten en nam haar restantjes Lao Khao mee naar huis. De volgende ochtend vond ik er Pairoot zoals ik hem had achtergelaten.

Net voorbij de dorpsschool van Mae Wang die er in vrolijke pastelkleuren bijligt, vang ik door een stilleven van kale bomen de rivier op. In dit seizoen is het maar een mager stroompje, dat op afstand met de weg meeslingert. De weg versmalt zich tot een streep beton, net breed genoeg voor twee auto’s. We worden tot stapvoets gedwongen achter een roet uitbrakende vrachtwagen, waar Afrimele vanwege de bochten niet voorbij kan.

Enkele tientallen kilometers verderop verenigt de rivier zich weer met de weg, aangezet met een lange rij houten huisjes met eetgelegenheden, kruideniertjes en koffietentjes. De meeste zijn dicht en de met gaas bespannen parkeergelegenheid er tegenover is leeg. Dit is het eindstation van het white water rafting avontuur dat Mae Wang op de landkaart zette, maar dat er nu volkomen uitgestorven bijligt. Voor een winkeltje, dat zich niet heeft willen neerleggen bij de coronacrisis zit een man op een klapstoeltje droefgeestig voor zich uit te staren. Pairoot laat me er stoppen om bij hem een fles Lao Khao te kopen.

De weg begint te klimmen, krullend door uitgedroogde teakbossen onder sinister, schaduwloos licht. Hier en daar nog een huis, soms met enkele olifanten op het erf. Nog wat hogerop komen we bij een kamp dat zich onderweg al enkele malen aankondigde: de Tong Bai Foundation. “Zet me hier maar af”, zegt Pairoot naar de toegangspoort wijzend. “Mijn dorp is hier vlakbij”.

We draaien een lege parking op met aan het eind een paalhuis, waar koffie verkocht wordt. Blij met een paar onverwachte klanten komt een meisje uit de bediening al aanlopen, zodra we uit de auto gestapt zijn. We zetten ons neer onder het huis en ik bestel een latte om de laatste restjes drankmist uit mijn hoofd te krijgen. Pairoot houdt zijn fles Lao Khao op en wil alleen maar een glas. Hij is er blijkbaar op uit de euforie van gisteravond te herstellen.

Voor ons, vanachter een houten omheining, staat een viertal olifanten ons aan te kijken, wiegend met hun kop en hun slurf, als een jojo heen en weer bewegend. Erg opgewekt lijken ze ook niet. Wat verderop onder een afdak van atap liggen de menners in een hangmat verveeld te spelen met hun telefoon. Ik vraag Pairoot waarom er maar zo weinig olifanten zijn, want dit is een van de grotere kampen. “Ze worden elders verzorgd, waar het gemakkelijker is ze te eten te geven”, zegt hij, een doffe blik op me richtend. Als hij zijn glas krijgt vult hij het tot de rand toe en drinkt het in een keer leeg.

Daarna schudt hij met zijn hoofd, zoals een Muay Thai bokser voor het gevecht en er komt weer wat glinstering in zijn ogen. Hij maakt een gebaar naar een bultig, door droogte uitgehard zandpad, dat de heuvel afdaalt. “Mijn dorp ligt een paar kilometer verderop. Moeilijk om met de auto te komen. Ik moet mijn beesten gaan voeren, die hebben altijd honger.”

Zonder nog een woord te zeggen neemt hij zijn fles op en dribbelt weg op zijn korte beentjes, die als halve maantjes onder zijn driekwart boerenbroek uitkomen, gewend als ze zijn zich om een olifantennek te klemmen. Ik kijk hem na als hij het pad oploopt. Mijn blik dwaalt naar de verte, waar zijn dorp moet liggen. Uit de vallei kruipen traag de rookpluimen, als surrealistische smeekbeden opstijgend naar de zwart uitgeslagen hemel.

Over Antonin Cee 200 Artikelen
Antonin Cee woont sinds eind jaren tachtig in Chiangmai en voerde themareizen uit. Hij studeerde filosofie aan de Universiteit van Montpellier in Frankrijk en werkte enige tijd als redacteur bij The Nation in Bangkok. Ook schreef hij artikelen voor verschillende Nederlandse, Belgische en Engelstalige magazines. Met zijn achttienjarige dochter vormt hij een eenoudergezin en brengt elk jaar enige tijd door in Zuid-Frankrijk. Hij publiceerde een verhalenbundel getiteld 'Inheems Kruid'. Onlangs bracht hij zijn tweede boek 'Thailand tegen het Licht' uit. Beide boeken zijn zonder verzendkosten te bestellen bij www.amazon.de.

1 Comment

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*