Peter’s Kunststukjes: Hoge en lage cultuur

Een van de interessantste ontwikkelingen in de cultuurgeschiedenis is de splitsing tussen kunst en amusement.

Kunst kwam als begrip zoals wij dat kennen pas in zwang met de Romantiek. Voor die tijd dacht een schilder niet dat hij met een portret bij zijn opdrachtgever ook een kunstwerk afleverde. Dat idee was hem volledig vreemd. Hij was een ambachtsman. Hij kon zich hebben gespecialiseerd in diverse genres: portretten, landschappen, stillevens, bijbelse voorstellingen, maar dat was vaak uit commerciële noodzaak. Hij bediende de markt Dat het nageslacht zijn werk eeuwen later met omfloerste eerbied als iets groots en subliems in musea zou bewonderen en dat het bij Christie’s en Sotheby’s voor miljoenen zou worden geveild, zou nooit bij hem zijn opgekomen.

320px-Caspar_David_Friedrich_-_Wanderer_above_the_sea_of_fog
Der Wanderer über dem Nebelmeer, Caspar David Friedrich, 1818. Duitse Romantiek.

Met de Romantiek doet de vrije, autonome kunstenaar zijn intrede. Hij maakte Kunst met een grote K. Die kunst werd uitgestald in musea, beluisterd in concertzalen en met bijna religieus respect bejegend. Er werden deftige verhandelingen over geschreven, lezingen over georganiseerd en wie deelnam aan die activiteiten en ook nog met mes en vork kon eten was een beschaafd burger. De Duitsers hebben daar als zelf benoemd Kulturvolk een term voor bedacht die ook buiten de Heimat opgang maakte. Die beschaafde burger behoorde tot het Bildungsbürgertum en de cultuur waarin hij leefde en zich ontplooide was een Hochkultur.

Dit was oorspronkelijk een begrip uit de geschiedschrijving om het verschil in ontwikkelingsniveau tussen culturen te definiëren. Het kan echter ook gehanteerd worden om verschillen binnen een cultuur aan te geven.

De proletariërs lazen driestuiverromans

Met de Industriële Revolutie (IR) en de daarmee gepaard gaande urbanisatie kreeg de wereld er een nieuw mensentype bij, de proletariër. Hij was zeker in het begin van de IR niet meer dan een makkelijk vervangbare schakel in het productieproces. In de loop der jaren ontwikkelde deze proletariër zich, dankzij vakbeweging en verlichte ondernemers, tot een misschien niet altijd gewaardeerd, maar in elk geval erkend lid van de maatschappij. En in het kader van zijn verheffing werd niet alleen aan de verbetering van zijn materiële maar ook zijn geestelijke omstandigheden gewerkt. Er werd voor ontspanning en verstrooiing gezorgd onder het motto: een tevreden arbeider klimt niet gauw op de barricade.

BLP-MFL-V6-18x22-110203

Aan dit in, toegegeven, zeer grove lijnen geschetste proces danken we wat ooit in een nog net niet neerbuigende formulering, de “lichte muze” werd genoemd.

De proletariërs lazen wel boeken, maar dat waren driestuiverromans en geen Dostojewski of Couperus. Hij ging niet naar de concertzaal, maar naar de kroeg waar artiesten optraden met een op zijn en hun belevingswereld toegesneden repertoire. Hij hing reproducties aan zijn muur, lachte om kluchten en slapstick en huilde met de helden in melodrama’s. Er onstond, kortom, een volkscultuur waarvoor de Bildungsbürger meestal zijn neus ophaalde, als hij er al kennis van nam.

Beide werelden bevruchten elkaar

Met al zijn snobisme kon hij een ding niet bevroeden: dat beide werelden elkaar op den duur ondanks de diep gewortelde tegenstellingen zouden bevruchten. Er ontstonden kunstvormen als de operette, de musical, popmuziek, het (literaire) cabaret, de speelfilm, de thriller en het stripverhaal. De populaire cultuur is nu mede dankzij radio, tv, krant en internet zover opgerukt dat ze de serieuze cultuur naar de rand van het gesubsidieerde speelveld heeft verdrongen. En dat heeft weer geleid tot een tobberig soort cultuurpessimisme dat vaak onder de zogeheten betere standen circuleert. Vervlakking, vertrossing, verloedering, zijn de trefwoorden waarmee de nakende ondergang van het avondland wordt geprofeteerd.

Soms hebben die cultuurpessimisten wel een punt. Wie van het leven van Anne Frank een musical maakt, wil misschien ook nog als vervolg “Auschwitz, de musical” op de planken brengen.

th

Maar even zo vaak heeft het ook zijn komische kanten. Het bewieroken van André Hazes door dezelfde Bildungsbürger bijv. die het levenslied als “camp” omhelst en bij voorkeur in een Jordaancafé de teksten om het hardst meeblèrt. En je moet niet verbaasd opkijken als aan een letterkundige faculteit iemand noest schaaft aan een post-modernistisch proefschrift over de “diepere betekenislagen” van Hazes’ “Bloed, Zweet en Tranen”.

Andre Hazes
André Hazes

De kloof tussen serieuze en populaire kunst heeft zich verwijd

Aan die opmars van de populaire cultuur hebben zich eigenlijk alleen de hedendaagse beeldende kunst en ernstige muziek weten te onttrekken.

Dat zijn, niet toevallig natuurlijk, ook de disciplines die zich vervreemd hebben van het Grote Publiek.Tentoonstellingen van moderne en hedendaagse kunst zijn het domein geworden van ingewijden die er vaak alles aan lijken te doen om de potentieel geïnteresseerde bezoeker buiten te sluiten. Als hij de moeite heeft genomen kennis te nemen van de ontelbare stromingen die sinds de oorlog zijn ontsprongen, is de kans niettemin groot dat hij afknapt op het koeterwaals, de “artspeak”, waarmee de kunstrecensent en curator het kunstwerk “in zijn maatschappelijke en culturele context” denken te plaatsen. Dan wordt het moeilijk om vol te houden dat hedendaagse kunst niet elitair is.

$_35

Dat zelfde geldt, mutatis mutandis natuurlijk, ook voor de nieuwste ernstige muziek. Aan de eis die Stalin in een artikel over een opera van Sjostakovitsj ooit heeft gesteld, dat het een herkenbare melodie moest hebben, hoeft een componist zich natuurlijk niet te houden. En veel hedendaagse muziek is ook toegankelijk, Pärt, Goebaidulina, Glass, Penderecki, maar er is ook veel dat niet alleen de uitvoerende musici hoofdpijn bezorgt.

De ironie van deze ontwikkeling is dat de kloof tussen de serieuze en de populaire kunst die door de eerdere toenadering misschien niet was gedicht, maar in elk geval minder groot was geworden, zich weer heeft verwijd. Wie weet hoe die kloof overbrugd kan worden, verdient de Nobelprijs voor schone kunsten.

Openingsillustratie: Who is afraid of Red, Yellow and Blue III, Barnett Newman, 1967

 

 

 

 

Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 196 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (64) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD. Voor deze laatste organisatie was hij correspondent in Johannesburg, Berlijn en Tokio. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.