Het Verhaal van de Week: Winfred ontmand

Galla Placidia – ambitieus als alle vrouwen die hun man verachten – joeg hem steeds meer op. (Orosius, kerkelijk kroniekschrijver, 413 n. C.)

Dit is het verhaal van een man die duidelijk beter een nurse of een huishoudster in Thailand had gezocht, of een leidster van een kleuterklas – beter dan een vrouw om mee te trouwen.
Het gaat om Winfred! Een jè-ra-man, een klinkklare Germaan, dat hoor je aan zijn naam.
Hij zit nu een jaar vast in Thailand en ik ontmoette hem per toeval. Het gaat niet goed met hem, daar in Amnat Charoen. In dertien maanden is hij al tien kilo kwijt. Dat is de buitenkant.

Hoe het er binnen in Winfred momenteel uit moet zien? Ik tracht het me voor te stellen, het lukt vrij goed. Rechtuit zeg ik het, want ik neem nooit een blad voor de mond. Winfred is bloedeloos, zonder karakter, futloos. Dat is die man ten voeten uit! Als een verschrompelde kers, me dunkt. Flaccidus! Is hij wel een man?
Er hangt iets rond Winfred.
Heel zijn kwintessens staat me tegen.

Die ochtend was een dag die met plezier voor me op huppelde. Ik was op weg naar de Pra Mongkol voor een tambon aan een volwassen man die voor een half jaar als monnik intrad. De zon was intuïtief, als een vrouw die achteloos om haar hoofd naar haar juwelen tast.
De inwijding was plechtig en het feest vol opgewonden kinderen, de ruimten tussen de tempelgebouwen vol volk. Op mijn voorhoofd kietelden kralen zweet. In de stoet omheen de tempel liep ik tijdens de derde ronde Sopa tegen het lijf. Sopa was ooit vijftien jaar met een Antwerpse polderboer getrouwd.

Een onverzettelijk gevoel zei me later dat ik het juist had en niet giste: Winfred was een verschrompelde kers, vanbinnen en vanbuiten. Een vergeefse ziel!
Je voelt dat onmiskenbaar, dat een persoon dode energie uitstraalt. Energie die door je heen schiet en warmte meeneemt. Voor die mensen pas ik op, ze zijn in staat de gloed van elementaire partikels te verkillen, die blijmoedig in mijn eigen cellen ronddansen.

Winfred loopt op zijn eigen terras rond met de schichtigheid van iemand die zo weinig mogelijk plaats in probeert te nemen.
Ik weet niet waarom hij zich niet van kant maakt.
Nu is het uitzichtloos.

Ja, er zijn kersen die lang na het seizoen nog aan de boom hangen. Al het sap – en het sap van een kers loopt rood over je mond en je tanden naar je kin – al het sap is vergaan. Die kersen vertikken het om te vallen. Hoewel het de gewoonste zaak van de wereld is: loslaten, dat is alles. De steel een bruin draadje, het vel een geblutste taaie schil om een harde pit. En toch, ze vallen nooit, terwijl er niets vast te houden is.
Het is een onnatuurlijke zaak.
Ook de pit komt nooit bloot in al zijn fletse witheid, tenzij een merel nog in allerijl komt pikken.

Na de wijding had Sopa me bij Winfred gebracht. Diens vrouw was Nudee. We namen een tuktuk, want het was een eind buiten het centrum. Zijn villa lag ten zuiden van Amnat Charoen, in de buurt van de Wat Pho Sila, het is midden in de Isaan. Een piepklein stadje van een goede dertigduizend inwoners.

Het was zo’n levenloze nieuwe wijk op aangevulde rijstvelden. Vrachtwagens hadden eerst maandenlang tonnen keiharde rode onvruchtbare aarde aangevoerd, tot wel twee meter hoog, bulldozers hadden de hopen geëffend. Die ijzerhoudende laag verwordt diepweg traag tot een soort ondoordringbare stalen plaat. Gegadigden hadden er vervolgens gelijkvloerse villa’s met een blauw golfplaten dak breeduit neergezet.
In de regentijd raakt de grond verzadigd en staat het water voor de deur.
De Isaan was in een nieuwe versnelling geraakt. Dochters en zonen stonden niet meer gebukt in het water van de rijstvelden, maar werkten in Bangkok en Pattaya in diensten onderaan de ladder. En verkochten de erfenis van pa en ma aan falang.

Ook Winfred had zo’n huis, maar met verdieping. Het voorterras was protserig, met een plomp balkon en logge balusters in blauw gebakken email en een open brede entreehal. Protserig imposant en lelijk. Het terras van de eerste verdieping overschaduwde tot op halve lengte het onderste. Het huis stond op een voormalig rijstveld van de vader van Nudee.
Ze dacht, zei Sopa, dat ze hem er een plezier mee deed, als ze nog eens een falang langs bracht. Of ze met Winfred inzat, gaf ze niet prijs. Ik weet ook niet in welke mate ze met Nudee bevriend was.

Nudee hield hofdag. Het was vier uur toen we arriveerden. Heel wat vrouwen van middelbare leeftijd zaten op de lage leuning van dat balkon, vlak naast de weg in het stof van de motorrijders toen we toekwamen. Het was een begankenis. Ze roddelden wat bij elkaar.
Niemand maakte aanstalten Winfred erbij te roepen. Het leek of hij niet bestond.

Daar zat ik. Ook ik werd genegeerd.
En als hij wel bestond, moest hij zo nietsbetekenend zijn, dat men hem kon veronachtzamen. Ik drong aan. Was hij eigenlijk in huis?
Tenslotte slipte een lange slordige man met tegenzin uit de duistere keel van de villa tevoorschijn. Scherpe sik, bifocale montuurloze glazen door dunne goudkleurige veren gedragen, aarzelend en vol van een eigen ego dat er niet was, een soort stekelige weerstand waarmee hij zichzelf voor de gek kon houden.
Hij was graatmager, zijn korte broek hing hem rond de schrale billen.
En er was een onbeduidende tic met een been, ik kon niet goed waarnemen wat of het was. Met zijn handen had hij nooit gewerkt, dat zag ik zo. De huid op zijn gezicht was groenig grauw met diepe gezichtsrimpels.
Het zag er niet goed uit.

Winfred was niet van plan veel met me te praten. Hij wekte de schijn de hele tijd op zijn hoede voor iets te zijn. Voor mij, voor de vrouwen die er zaten, voor het late middaglicht dat dof op de terrastegels viel, voor de sterren die nog aan de nachthemel moesten komen, voor zijn eigen persoon… Ik verstond het niet.

Er was dat huis. Winfred heeft me er in rondgeleid. Ik weet niet waarom hij dat deed. Ik vroeg er niet naar. Hij toonde een grote onverschilligheid op onze tocht door de lege kamers en zijn gebaren hadden iets lusteloos. Het gaf de schijn of vele onderdelen van lijf en leden bij Winfred bevroren waren. Of tot een schijndood onder nul gebracht. Alsof een onzichtbare glazen zerk hem benauwde.

Het huis toonde zich in grote, heel grote lege ruimten aan mij. Veel duisternis. Met leeg bedoel ik geen meubels, niet aangekleed, geen snuisterijen, geen rommelige gezelligheid, niets tegen de muur, zelfs geen plankje met offergaven en kaarsjes voor een boeddhabeeld. Het lag vol schoenen, slippers, sandalen, sloffen, soms in hopen. Vol slaapmatten. Het was dood in de opgeblazen verspilling van al zijn vierkante meters. En er kon nog bijgebouwd worden, zonder dat het iets wezenlijks zou veranderen.

Zo volgde ik hem op onze dwaaltocht in de obscure ruimten en de sinistere hoeken van zijn lelijke villa met de monstrueuze balusters. Alleen zijn tenen flitsten wittig op bij iedere pas. En in het wit van zijn ogen de schichtigheid. Een cisterciënzerpater in een akelig klooster.
Eigenlijk was hij een dode geest, die door het huis dwaalde, met zijn lijf als een metgezel in een diafaan gewaad.
Ik moest mijn best doen om zijn gefluisterd Duits te verstaan.

Winfred had tot een goed jaar geleden in Hamburg gewoond. Stad van Mendelssohn, van Herz met zijn radiogolven; en van Merkel.
Hij was er geboren en werkte veertig jaar als chef op het kantoor van een groupagedienst in de haven. Met Nudee was hij op middelbare leeftijd officieel in hun beider landen getrouwd, ze was dus onomstotelijk zijn vrouw.
In vroegere jaren was hij op een keer verweesd naar Thailand gekomen, niet één Duitse had interesse voor hem, hij kon daar in zijn havenstad met zijn solitaire bestaan niet overweg. Of dat voor een man van veertig een goede reden om te trouwen is, weet ik niet, ik steek er mijn hand niet voor in het vuur.
In Pattaya liep hij Nudee tegen het lijf, een half jaar later woonde ze met hem in Hamburg. Ze was eenentwintig.
Dat was nu toch al een periode in een ver verleden.

Vervolgens hadden ze samen een zoon. Ze betrokken een huis en er waren voldoende middelen van bestaan. Uiterst zelden reisden ze naar haar geboorteland Thailand.
Plannen maakten ze weinig, dromen hadden ze nauwelijks. Geen heftige emoties, geen ruzies. Een vlak en rimpelloos bestaan in een middelgrote stad aan de Elbe die in de Noordzee uitmondt en gestaag tot op dertien meter wordt uitgebaggerd, willen er schepen in de haven aanmeren.
Vaak staat er guur weer, strakke westenwind en soms dagenlang regengordijnen.

Vervolgens werd Winfred zestig, hij kon met pensioen en deed het ook. In de maanden daarna stelde hij het geboortehuis te koop, schonk de meubels aan jonge koppeltjes in de familie, handelde alles met de burgerlijke stand en de belastingen af, bestelde op tijd tickets Bangkok.
Alles lieten ze achter en ze kwamen in haar geboortestad Amnat Charoen wonen, kregen die lap grond van de familie. Hun zoon Detlef kon zijn vierde jaar elektrotechniek in Hamburg niet afmaken, verder sprak de puber nauwelijks Thais.
In één klap werd alles anders wat voorheen gelijk gebleven was.

Nu is de situatie zo.
Winfred bezit een groot huis met balkon en lege tuin in Amnat Charoen, met de opbrengst van zijn huis in Hamburg betaald, maar zij is de eigenaar, de sleutels angstvallig in haar tas. Zo is dat in Thailand.
Hij heeft een gespekte spaarboek en een bankrekening waar zijn pensioen trouw op verschijnt, maar het staat op Thaise spaar- en bankrekeningen onder haar naam. Zij houdt de bankkaarten en geeft het geld uit.
Hij heeft een Toyota pick-up en een scooter, maar zij rijdt ermee, zij heeft de sleutels.
Hij kan ergens naartoe, enkel als zij permissie geeft en mee wil gaan. Wat niet vaak gebeurt, want Nudee moet hof houden, koekjes en thee door een discipel rond laten brengen, nieuwe vriendinnen binnenhalen. Het klankbord om op te scheppen; met haar geld en haar huis te snoeven.
Hij kookt Duitse kost voor zichzelf en zijn zoon, zij laat door één van de bezoeksters tom yam kung voor al de vrouwen bereiden.
Nudee hoeft niet meer naar hem om te kijken. Zo zonder één Thaise duit kan hij geen poot verzetten en is hij geen fluit voor een andere Thaise vrouw waard.
Alles is poco a poco gekomen.

Ik weet niet wat al die Thaise vrouwen bezielt, die hier de hele dag rondhangen. Misschien hopen ze dat Nudee een falang in Duitsland of Denemarken voor ze zal bedisselen.
Ja – Winfred, ik begrijp het! Als ik alles zo zie, moet je binnenste er als een verdroogde kers uitzien! Ik kan het me voorstellen.
Je gezondheid gaat erop achteruit, je ribben zijn te tellen. Je geest ligt dooreen.
Je kunt geen kant op, je kunt niet terug. Je bent een gevangene.

Maar echt in het binnenste van Winfred kijken kan ik niet. Dat kan niemand. Dat kan alleen hijzelf. Als hij niet in zijn inertie, zijn lauwheid, zijn onvermogen verschrompelt. Winfred is het soort man dat zijn hele leven in alles en iedereen bedrog vermoedt en daarom met zijn ogen open voor de gek gehouden wordt.
Zijn halsstarrige gedachte in zijn hoofd is een vrouw geworden die zijn gedachte uitvoert.
Ik voel geen medelijden. Nog minder medeleven. Hij is geen man. Hij heeft geen ballen.
Eigenlijk is hij al een dode geest, die met zijn lijf als een diafaan gewaad door het huis dwaalt. Beter maak je je van kant, Winfred, want zo rot je langzaam en pijnlijk dood.

Wij stonden weer bij de grote hal van zijn huis, de deuren wijd opengeschoven, de vrouwen in de draaimolen van de roddel, de muskieten om onze enkels. Plots verscheen er een smalle witte hand die met nagels over de nerven van het deurvlak krabbelde. Winfred keek om de hoek en haalde zijn zoon tevoorschijn. De jongen was schuw. Als een welp die uit een hondennest getild wordt, zo schuw was hij.

Detlef keek me niet in de ogen. Hij was een opgeschoten puber met Duits postuur, brede schouderhoeken en een ovaal gezicht, pikzwart piekend haar en met al de weerloze onhandigheid van zijn leeftijd in zijn bruine ogen.
Hij fezelde iets, zo stil dat zelfs Winfred het niet verstond. Met zijn linkeroor boog hij zich naar de mond van de jongen. Ik zag Detlef praten en ook Winfred, maar ik hoorde niets. Ik zag alleen de pukkels op de bovenlip van de jongen. Toen verdween hij, vliegensvlug, schichtig als een vos in zijn hol.

‘Ik moet dringend voor mijn zoon gaan koken,’ zei hij mij, maakte een half gebaar, draaide zich om naar de keel van zijn huis.
‘Of we elkaar volgende week bij een cappuccino in Café Amazon weer konden ontmoeten?’ drong ik aan.
‘Ik geloof het niet,’ zei hij, hij wist zich geen raad. ‘Daarvoor heb ik de auto nodig, of de scooter. Moet ik eerst nog aan Nudee vragen.’ Hij lispelde het over zijn schouder en was al weg.
Maar ik hoorde aan de toon dat hij er niet aan ging beginnen.
‘Komaan, kerel, flink zijn, op je stuk staan, keet schoppen. Kom op!’ wou ik hem nog toevoegen. Ik deed het niet. Sommige mensen leren nooit. Voor hem wachten nog vele levens voor hij uit zijn cirkel geraakt. En trouwens: voor vrijheid moet je altijd vechten – vechten als een man, Winfred zag er niet meer als een man uit. Hij had geen ballen, de platbroek!

Nudee had hem tot een piepklein wassen mannetje gekneed, zonder knoken of ruggengraat of zelfs maar een penis. Ontmand! Hij zou zijn leven nooit weer opeisen, de slapjanus. Een platbroek, een ledenpop in de handen van Nudee. Alle schepen achter zich verbrand, geen weg terug.
Tot zijn laatste snik zou ze niet van zijn zijde wijken, dat was zijn enige zekerheid. Niet uit liefde. Niet uit bekommernis. De dag dat hij het hoofd neerlegt, valt zijn pensioen haar toe, en de spaarpot. Dan kan ze, als opperkoningin, de hele familie, het hele dorp begiftigen. Alle inwoners zullen naar haar pijpen dansen.
Hoe eerder hoe liever… Steek je kop maar door de strop, Winfred.
Hang je toch op!

Van duister was het intussen donker geworden, pikkedonker. Waarom ik bleef zitten weet ik niet, op die vormeloze harde Chinese bank, zwaar als een loden boek van Anselm Kiefer, gesneden uit wortelhout dat onder glanzende lagen lak donkere grillige nerflijnen als een primaire bijbel van de natuur ingesloten had.
Winfred daagde niet meer op. Tevergeefs.

Buiten waren er onzichtbare braakliggende rijstvelden en de grenzeloze vrijheid van de sterrenhemel. Het is echt, de sterren reiken hier tot aan mijn voeten. Ginds aan het eind van de kavels waar de laatste huizen met hun blauwe daken in een verdwijnpunt terechtkomen, begonnen sterrenstelsels uit de vertrekken van de kosmos op te stijgen, Dichtbij blaften honden onbeheerst, vlogen elkaar naar de keel, een chaos van geluid waaide aan. Toen sneed een onmenselijk gejank van tussen de huizen op.
Leven of dood moest hier vlakbij aan de orde zijn.

Winfred is een verschrompelde kers, zijn binnenste is een lijkkleurige pit die zich niet wil laten vallen, angstvallig met de stengel verbonden, dor en verdroogd.
Winfred, je maakt geen schijn van kans! Daarbij, je bent absoluut geen sympathieke man. Ik walg van je.
Je houdt je met holle principes overeind, denkt in mooie clichés over jezelf. Je houdt van lijden en doorstaan. Houdt van verlies en pijniging. Vindt dat je je voor je vrouw moet opofferen. Je bent een Jezus Christus uit de Lutherse bijbel, die wil boeten voor iets waar je nooit schuld van droeg. Niets is er echt aan jou.
Je moet het zelf maar weten, Winfred, slachtoffertje spelen. Waar is je oerdrang om te leven? Ik heb geen sikkepit medelijden met je. Vol afkeer gruw ik van je.
Hang je toch op, platbroek! Toon me wie je bent.

Amnat Charoen, november 2015 – Langkawi, december 2019

Featured image: PNGfuel

 

Alphonse Wijnants
Over Alphonse Wijnants 32 Artikelen
Alphonse Wijnants (België) is gewezen leraar en directeur van middelbare scholen. Voormalig copywriter. Heden: Ronddwalen in Zuidoost-Azië en kortverhalen schrijven over mensen en voorvallen aldaar.

6 Comments

  1. Gemakkelijk leesbare proza, al moest ik toch een paar woorden opzoeken. Na zo een expliciete beschrijving kan ik Winfred uiteraard niet sympathiek vinden, ook al omdat ie zo oliedom is. Ik heb iets tegen domme mensen, trage mensen, grijze en vale mensen. Geef mij maar actieve, ondernemende, viriele personen. Dat praat ook eenvoudiger.

  2. Verdomd goed geschreven Alphonse. Arme uitgedroogde kers waarvan Nudee elke druppel uitzoog. Medelijden mag volgens mij toch een beetje vind ik. Niet iedereen heeft voldoende ruggengraat. Niet iedereen eist zijn part op. Sommigen Winfreds in dit leven zijn als schenkers geboren. Ze hebben geen behoefte aan het doorzetten van hun eigen wil of het vergaren van eigen bezit. Dat trekt natuurlijk zwermen sluwe parasieten aan. Arme Winfred?

  3. Dat schijnt inderdaad veel te gebeuren. Begrijp alleen niet waarom iemand zich zo afhankelijk maakt van iemand anders. Dat mannen daarin tuinen. Je gaat toch geen huis bouwen dat daarna op naam van je vrouw staat? Idem dito met je geld dat op haar rekening terecht komt? Beetje dom allemaal.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*