Het meisje uit Woodlands

Morgen neem ik de MRT en stap ik af in Woodlands. Ik ben nog nooit in Woodlands afgestapt. Ik weet natuurlijk waar het ligt: aan de Noordzijde van Singapore, op de rode lijn, ergens in de omtrek van Admiralty. Of toch? Was dat die industriële zone waar ik ooit een hydraulisch pompje vond voor het kapotte keukenkastje? Ik betaalde 20 sing dollar voor twee, terwijl mijn makelaar er honderd van mij vroeg. Ha! Dan kende hij me niet.

Ik ken wel meer plaatsen aan de Noordkust: Changi Village natuurlijk en Pulau Ubin. Al een tijd niet geweest maar de paadjes op het eiland ken ik van buiten, en in Thailand heb ik zowaar bomen van noten die ik hier opraapte.

Pasir Ris, mijn lievelingspark, waar ik het ooit uitgebreid over zal hebben.

Kranji. Van hier neem ik de bus – of de taxi als ik er één vind – naar Sunghei Bulow, het enige natuurreservaat in Singapore. Natuurgebied in Singapore: het klinkt wat belachelijk maar ik kom hier graag. Ik maak mooie foto’s – soms gewoon van kreeftjes die de boom zijn ingeklommen. Ik zie hier zelden de vogels waarvoor dit gebied bekend staat. Wellicht sta ik te laat op? Of heb ik niet de meterlange lenzen waar sommige afficionados mee rondzeulen?

Twee keer heb ik er krokodillen gezien – nee, geen varanen, die ik in mijn onkunde bij het begin ook voor krokodillen hield. Echte, indrukwekkende krokodillen. Sedertdien pas ik op wanneer ik ga zwemmen op Kusu of Lazarus eiland – je weet maar nooit. En otters: ik wist dat ze er zaten in Singapore, maar ik had er ooit maar een enkele keer gezien, toen ik met een Franse collega een pad insloeg dat verboden was. Later heb ik het pad weer gezocht maar niet meer gevonden. Te goed verboden.

Nu komen de otterfamilies je voor je voeten lopen in Gardens by the Bay maar dat was toen wel anders.

Ooit kwam ik in Sembawang: ik had tegen een taxichauffeur geklaagd dat ik alle parken in Singapore gezien had, en hij vroeg me of ik al in Sembawang geweest was. Nee, daar was ik nooit eerder geweest. Onderweg begon het te regenen, en hij gaf me een paraplu cadeau die ik op mijn beurt achtergelaten heb in mijn kleiklas: zo doe je met paraplu’s in Singapore. Er was een glooiend mooi park en zelfs een stukje strand. Een charmant restaurant uit de Engelse tijd dat over de Johor Straat uitkeek, en waar ik ooit ’s wil eten – al was het maar voor het uitzicht.

Maar Woodlands? Wat is er in ’s hemelsnaam in Woodlands? Woodlands moet zo boeiend zijn als Middelkerke op een winterse regendag, dus wat brengt me naar Woodlands? Eén ding maar: Jacqie, het meisje van Woodlands, heeft me bij hen thuis uitgenodigd.

Jacqie werkt voor hetzelfde Australisch verzekeringsbedrijf als ik. Tijdens mijn eerste maanden daar had ik niet echt de tijd om uitgebreid kennis te maken met anderen op het bureau: ik moest ervoor zorgen dat hun duur Duits SAP herverzekerings-systeem weer gesmeerd liep, en mijn meeste ‘klanten’ zaten in Sydney. Dat was een periode van lange dagen en hard werken, want ze hadden een backlog van meer dan zestig problemen waarvan sommige al maandenlang op een oplossing wachtten.

Wat deed Jacqie? Iets onduidelijks op de Asia afdeling, en ze werd duidelijk met de dag zwangerer – of is het zwangerder? Daarna zat ik zelf een tijdje in Sydney en tegen de tijd dat ik terug in Singapore kwam, was ze weg: moederschapsverlof, zoals ik al dacht. Kwam ze nog terug? In Singapore gaat alles snel, en Singaporeanen hadden toen nog de reputatie van om de haverklap van job te veranderen. Dat is met Covid wel anders geworden.

Maanden was ze er niet, tot ze op een namiddag met haar baby de ronde kwam doen van de collega’s. Zoals bij de meeste bedrijven, zaten we in een grote ruimte die hier en daar onderverdeeld was in hokken à la Herman Miller. Garden-office heet dat mooi. Ze kwam ook bij mij langs en we maakten wat bedremmeld kennis. Ik vond dat ze er leuk uitzag: kuiltjes in haar wangen als ze lachte, en enorm grote ogen voor een Oosterse. Nogal verward haar. Was ze wellicht Maleise?

Hoe kwam die eerste lunch er? Op een dag stonden we rond de middag samen in de lift: we zaten op de zestiende verdieping, en ik hou niet van die lift-stiltes. Ik vroeg haar waar ze ging eten en zij zei iets totaal overrompelends terug zoals “Ik denk niet dat ik geld genoeg voor lunch heb vandaag.” Terwijl lunch in Singapore echt geen afknapper is. Ik was even beduusd, en ik nodigde haar uit.

Waar gingen we eten die eerste keer? Suriya? De Japanner op de twaalfde verdieping van Orchard Central was toen één van mijn lievelingslunchrestaurants. Ik vind het niet meer: wel een Suriya in Little India. Tja, dat heb je met Singapore: ook winkels en restaurants springen op als paddenstoelen en verdwijnen geruisloos.

Singaporeanen zijn erg nieuwsgierig eens het ijs gebroken is, en ze vuurde de hele lunch vragen op me af. Waar ik tevoren gewerkt had. Wie ik was. Hoe oud ik was. Hoeveel ik verdiende. Wat ik in mijn vrije tijd deed. Dat lijkt irritant maar in Singapore kan je er beter aan wennen, en het went ook snel. Het stoorde me niet: ze had een grappig indirecte manier om ernaar te vragen.

Wij uit het Westen doen dat niet: wellicht zijn we net zo nieuwsgierig maar zomaar iemand honderduit vragen, nee dat niet. We gaan nog eerder een vriend of een collega van een vriend van een vriendin vragen dan zomaar iemand de pieren uit de neus vragen. Wat is beter?

Ik vertelde onder andere dat ik met één van mijn zoons Wordfeud speelde. Als je het niet kent: Wordfeud is de Internetversie van Scrabble. En sedert die dag speelden zij en ik ook Wordfeud – nu in het Engels. Soms met lange pauzes, soms intens.

Op een dag vertelde ze dat ze gingen verhuizen, maar het gebouw was nog in aanbouw. Verhuizen in Singapore is gewoonlijk naar een ander appartement omkassen: weinig Singaporeanen hebben een huis, en die er wel een hebben zijn meestal van mijn leeftijd, die in de goede oude tijd een lap grond voor een appel en een ei gekocht hadden en nu op een schat zaten.

Ze vertelde dat ze uit hun appartement in Woodlands moesten en voorlopig bij een vriendin gingen wonen tot hun nieuw appartement afgewerkt was. Waar was dat nieuwe appartement? Ergens aan de East Coast, aan een halte waar ik nog nooit gestopt was. Kembangan, was dat het? We babbelden over wonen, huizen, en ze vroeg of ze fotootjes mocht zien van het huis in Thailand.

Terug op het bureau zocht ik wat samen – veel had ik niet op mijn werklaptop – en stuurde het op. Ik vond ook wat foto’s van schilderijen die ik recent had laten inkaderen en stuurde er een paar. Ik vertelde erbij dat ze er één mocht uitkiezen voor hun nieuwe huis.

Daarna stilte. Ik hoorde niets terug, zelfs geen bedankje. Af en toe zette ze nog een woord op Wordfeud, en ik ook, verder niets, en ik begon me af te vragen of er wat aan de hand was. Had ze het te druk met het werk? Of met de verhuis? Ik zag haar af en toe in de keuken met collega’s maar ze deed nogal verstrooid. Had ik iets verkeerds gedaan? Soms moet je opletten bij Oosterlingen: je kan zonder het te weten op een zere teen trappen. Of – bedacht ik later – was zij het vogeltje dat stil wegkruipt wanneer je te veel aandacht geeft?

Een hele week hoorde ik niets. Van Freek, mijn jongste, hoorde ik soms weken niets, maar ik maakte me zelden zorgen: zo was de Freek nu eenmaal, en ik was al blij dat we dit onregelmatig contact via Wordfeud hadden. Maar Jacqie?

Ineens, na meer dan een week, was ze er weer: om tien uur ’s avonds, midden in mijn Frans detective programma. Ze schreef zowaar “ik ben er weer.” Hm. Ik was wat bedachtzaam, want tien uur ’s avonds is niet het moment om computerspelletjes te spelen. Ik was al wat moe en ik voelde me ongemakkelijk: nu hoorde ze met haar man te vrijen, niet met mij Wordfeud te spelen.

Ik mailde dat ik te moe was om te kletsen. We konden één van de volgende dagen samen lunchen, of? Een paar dagen was het weer heel stil en dan nodigde ze mij uit. Ze had behoefte om wat te praten, zei ze. En toen vertelde ze over haar broer.

De verhuizing naar de vriendin was niet doorgegaan. De reden was me onduidelijk – iets over dat die vriendin een flat had leeg staan, maar dat mocht niet van de overheid en de vriendin had schrik gekregen dat die zou te weten komen dat er logés zaten, en dan kon ze haar flat verliezen. In Singapore is alles sterk gereglementeerd, dus zoiets kon best.

Dus had zij gedacht – in afwachting van de afwerking van hun appartement – dat ze voorlopig bij haar moeder konden intrekken. Blijkbaar was dat bij haar broer in het verkeerde keelgat geschoten. Waarom? Dit is Oosterse cultuur die me totaal ontgaat, maar die je net zo goed in Thailand zou kunnen tegenkomen. Eén ding wat ik intriest vind: de broer wint het altijd van de zus.

Ik was wat bedachtzaam terug gaan werken maar tja, die dingen veranderen we niet. Ineens, tegen zessen, stuurde ze me een boodschapje. Dat ze het zo erg vond van haar broer. Ik antwoordde dat ik niet wist wat te zeggen. “Het is al goed dat je er bent”, schreef ze. Daar was ik blij om. Ik had niet gemerkt dat het al zo laat was, sloot mijn laptop en stond op.

Ze kwam net met mij aan de lift. “Beter?”, vroeg ik, al zag ik meteen dat ze had zitten snotteren. Ze trok haar neus op in een glimlachje. “Sorry”, zei ze. We gingen zwijgend naar beneden. Ik dacht dat ze ook naar het MRT-station ging, en ik was verrast dat ze de andere richting uitging. Geen idee waarheen, maar dat heb ik al geleerd: soms is het beter niets te vragen. Ik keek haar na en merkte dat zij stevige benen had, stevig op de grond geplant. Veel Chinese vrouwen – zeker in de oudere generatie – hebben X of O-benen door gebrek aan calcium. Zij niet: ze heeft de benen van een boerendochter.

Soms lijkt ze een vogeltje: je probeert dichterbij te komen en dan fladdert het weg, bedacht ik. Om later weer dichterbij te huppelen. Wanneer het haar uitkomt. Dat stoort me niet. Vogeltjes kan je niet dwingen. De volgende keer gingen we eten in een bekend Ramen-restaurant. Haar keuze, niet echt mijn ding. Ze vroeg hoe het kwam dat ik wat roder zag. Rood? Ja, ik had de zondagmiddag aan het zwembad zitten lezen, en mijn beschermingscrème was maar zozo. Maar rood? Later begreep ik het, toen ik met haar onder haar parasol meeliep: voor Oosterlingen is witte huid een schoonheidsideaal, een teken dat je het gemaakt hebt. Bruine huid hebben alleen de boeren en de buitenwerkers. Net het omgekeerde van bij ons. Grappig eigenlijk.

Bij onze laatste lunch gaf ze me haar Whatsapp-adres. Ik ben niet zeker of ze Facebookt: er zijn te veel Jacqies met dezelfde familienaam in Singapore. Het hoeft ook niet. Ze toonde ook fotootjes van haar goddelijk dochtertje, en ze zei erbij dat ze blij was dat ze eerder op haar man leek. Vreemd, want ze lijkt als twee druppels water op haar, en heeft nu al die grappige ogen en lachkuiltjes. Vindt ze zichzelf niet mooi?

En nu heeft ze me bij hen thuis uitgenodigd voor de lunch op zondag. In Woodlands. Een hele eer, want dit is de dag waarop de hele familie samenkomt. Ik ben nieuwsgierig!

Over Geert Barbier 23 Artikelen
Van oorsprong uit Oostende maar woonde 20 jaar in Mechelen. Verder ook jarenlang in Duitsland, in de VS en in Singapore. Zijn werk als internationale verzekeringsadviseur stelde hem in staat een groot gedeelte van de wereld te bereizen. Sinds 2019 woont hij in Thailand en houdt zich bezig met bezig met tuinieren, tekenen, schilderen, talen leren, schrijven en koken.

1 Comment

  1. Zal me niets verbazen dat haar man van haar gescheiden is…daarom moest ze haar adres en onderkomen veranderen…woont ze nu weer bij haar moeder?… Familie dag bijeenkomst… Wordt dit een “meet my best friend” situatie.?
    Ik hoop dat het een gewone gezellige dag blijft, zonder staartje…

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*