Het gaat weer om het midden

De Kamerverkiezingen van vier jaar geleden, een corona-eeuwigheid geleden, stonden in het teken van het populisme. Alles, partijprogramma’s, verkiezingsbeloftes en wat dies meer zij, was ondergeschikt aan dat ene thema. Hoe voorkomen de gevestigde partijen dat de PVV van Geert Wilders de grootste wordt? De angst was groot dat de populistische golf die in 2016 aan kwam rollen met het Britse Brexit-referendum en de verkiezing van Donald Trump, als een tsunami over de dijken zou slaan.

De verkiezingen van 2017 werden opgeklopt tot een krachtmeting tussen Wilders en minister-president Mark Rutte en diens VVD. Uiteindelijk won Rutte overtuigend. De dijken waren niet bezweken. Op het Binnenhof bleven de voeten droog en konden ze de gezapige draad weer oppakken.

Uiteraard was het populisme niet verslagen. De onvrede en het onbehagen over ‘het falen van de elites’ waren niet als bij toverslag verdwenen. Bij de Provinciale Statenverkiezingen van twee jaar geleden was Forum voor Democratie (FvD) van Thierry Baudet opeens de grootste partij. Het feestje van de democratie had weer eens een kater opgeleverd.

Maar dit keer is het als vanouds. Baudet en co hebben zichzelf met hun boreale onzin en ruzies uitgeschakeld en Wilders lijkt zich geschikt te hebben in zijn rol. Foeteren aan de zijlijn en toegejuicht worden door een vaste schare fans.

De verkiezingen zijn dus weer de slag, nou ja, om het midden geworden. Met de uitzondering van de populisten, waartoe we op links ook de SP mogen rekenen, gaat het om de kiezers met een voorkeur voor politiek op de sudderplaat. Het land moet bestuurd worden.

Dit gaat volgens een vast stramien. De partijen stellen een commissie in die een programma opstelt. Dat programma is een lijst van voornemens die de doelgroep(en) moet overtuigen. In tv-debatten slaan de lijsttrekkers er elkaar mee om de oren. De kijkers zien het aan en letten op dingen zoals de lichaamstaal van de kandidaten: ‘zien we daar niet de lip van de premier trillen’? De ‘analisten’ kijken uit naar een ‘gamechanger’ die de race op zijn kop zou kunnen stellen. Omdat die meestal uitblijft, zit er vervolgens weinig anders op dan het optreden van de kandidaten te recenseren. Wie won of verloor, had al dan niet geblunderd en hoe brachten de nieuwkomers het er vanaf?

Dat geeft een campagne het karakter van een ritueel. Dat is in de meeste democratieën zo, met natuurlijk hun eigen nationale eigenaardigheden. In Nederland is dat de doorberekening door de planbureaus. Het Centraal Planbureau (CPB) gaat over de financieel-economische effecten en tegenwoordig kijkt het Planbureau voor de Leefomgeving, de naam zegt het al, naar de gevolgen voor het klimaat, de natuur etc. Als partij moet je je wel onderwerpen aan de tuchtmeesters van de planbureaus. Doe je het niet, loop je het risico niet serieus te worden genomen.

Die doorberekeningen hadden een tijdlang een enorme status. Alsof de Heer zelf zijn goedkeuring aan een programma had gegeven. Het had ook iets absurds, de illusie dat de toekomst ‘planbaar’ was en, bij links, de samenleving dientengevolge ‘maakbaar’. Het toppunt van absurdisme werd bereikt met de ‘koopkrachtplaatjes’ die tot achter de komma werden becijferd. Die koopkrachtplaatjes waren de fetisj van de polderpolitiek. Avondvullende debatten gingen over stijgingen dan wel dalingen van 0,15 of 0,2 procent. Wie accepteerde dat ‘modaal’ er 0,2 procent meer op vooruitging dan het minimumloon was ‘asociaal’.

Hans Mommaas (PBL) en Pieter Hasekamp (CPB) bij de presentie van hun doorrekening van de verkiezingsprogramma’s

Die status hebben de doorberekeningen allang niet meer. De PVV en Forum doen helemaal niet meer mee en de VVD zond haar programma niet naar het Planbureau voor de Leefomgeving. Het inzicht is onderhand wel overal doorgedrongen dat je het voorspellend vermogen van die rekenmodellen niet moet overdrijven.

Niettemin hebben die doorberekeningen wel enig zin. Ze geven de ruimte aan waarbinnen de onderhandelingen tijdens de formatie zullen plaatsvinden. Daarbij gaat het om zaken als lastenverdeling (de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten), hoeveel begrotingstekort en staatsschuld mogen oplopen om de corona-schade en -herstelprogramma’s te betalen, en de financiering van de energietransitie en immigratie.

De formatie van het kabinet Rutte III. Informateur Gerrit Zalm ontvangt de onderhandelaars in de Stadhouderskamer.

Op de een of andere manier komt er na maanden plussen en minnen, uitruilen en gesteggel een regeerakkoord uit. Dat is een compromis waarvoor de meeste partners niet echt warm lopen maar als het ‘hoogst haalbare’ aan de achterban verkopen. Ze plakken er een slogan op waaruit vertrouwen en daadkracht moet spreken en die elke burger meteen weer vergeet. Dit allemaal onder het voorbehoud dat er geen onverwachte en onvoorzienbare tegenslagen opduiken, trefwoord corona, waardoor het meteen op de stapel oud papier kan.

Belangrijker misschien dan al dat puntkommageneuk is de geest die uit zo’n regeerakkoord spreekt. Dat is de onderliggende gedachte, het verbindende beginsel waarmee een nieuw kabinet aan de slag gaat. Je kan dat de uitdrukking van de ‘tijdgeest’ noemen of minder hoogdravend de stemming onder de bevolking. De afgelopen decennia was die tijdgeest ‘rechts’ of ‘neoliberaal’. De markt zou te machtig en de staat te zwak zijn geworden. Je kunt je afvragen of dat wel klopt, gezien de collectieve lastendruk (totaal van belastingen en premies als percentage van het nationale inkomen) van ruim 38 procent in 2019, maar het beheerst momenteel de beeldvorming.

Beeld: Mirjam Vissers

Vrijwel alle partijen zien nu een belangrijkere rol voor de staat. Zelfs een ondernemerspartij als de VVD waar het marktdenken een dogma zou zijn. (In werkelijkheid valt dat reuze mee. De VVD heeft bijvoorbeeld de verzorgingsstaat en de hoge kosten daarvan altijd meegedragen). Hoe die herwaardering in de praktijk uitpakt, staat te bezien. Meer menselijke maat en minder hardvochtig de regels toepassen. Daar kan niemand tegen zijn. Maar of zo’n cultuuromslag lukt? De staat is ‘het koudste van alle koude monsters’, waarschuwde de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche zo’n 140 jaar geleden al. En toen moest ze nog op gang komen.

Maar zoals gezegd, het gaat om de tijdgeest of stemming in het land die nu linkser zou zijn. Waarschijnlijker is dat rechts meer naar het midden is opgeschoven, waar de meeste kiezers zitten. Dat blijkt ook uit het blote feit dat de linkse partijen als de PvdA, GroenLinks en de SP niet profiteren van die verschuiving. Ze mogen al blij zijn wanneer ze niet verliezen. En dat moet de strategen op de partijbureaus te denken geven.

Ook op Trefpunt Azië: Na Trump zijn we nog lang niet van het populisme verlost

Over Peter van Nuijsenburg 259 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (1951) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD, het Financieele Dagblad en diverse omroepen. Hij was correspondent in Johannesburg, Berlijn, Tokio en Rome. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*