Het atelier als huis van de kunst

Je zou een sociale geschiedenis van de westerse kunst kunnen schrijven met als rode draad de betekenis van het atelier door de eeuwen heen. Die geschiedenis zou niet alleen de plaats van de kunst in een samenleving maar ook de rol van de kunstenaar kunnen belichten; hoe de werkplaats veranderde in het atelier, de beschutte ruimte waarin de kunstenaar zijn eigen werk maakt.

Als vertrekpunt moeten we de late Middeleeuwen en de vroege Renaissance nemen.  Er werd voor die tijd uiteraard ook kunst gemaakt, en ook in de werkplaats, maar rond die tijd, eind 14de eeuw, begin 15de eeuw, werd het meer dan een ambachtelijke bezigheid. De kunstenaar bleef in de eerste plaats werken in opdracht, van de kerk, de adel, het vorstenhuis, maar er trad sluipend een verandering op in zijn status. Hij was nog lid van het gilde met zijn regels, voorschriften en gebruiken maar begon  steeds vaker een eigen, meer persoonlijke stijl te ontwikkelen.

Peter van Nuijsenburg, Kunst, Altaarstuk

Altaarstuk

Voor die tijd was dat nauwelijks aan de orde. Het kwam uiteraard wel voor, een uitzonderlijk talent dat zich niet aan banden liet leggen door de conventies van zijn tijd en plaats. Soms oogste hij ook de erkenning en werd zijn werk hoger aangeslagen dan dat van de vakbroeders. Dat was goed voor zijn reputatie en portemonnee, maar of hij zichzelf als kunstenaar zag, kun je je afvragen. Hij zal zich er vermoedelijk niet mee bezig hebben gehouden. Hij schilderde die altaarstukken, sneed dat Christusbeeld, en deed dat zo goed mogelijk. De kwaliteit van zijn werk bepaalde de omvang van zijn orderportefeuille.  In dat opzicht verschilde zijn positie niet van die van de timmerman of leerlooier.

Dat veranderde met de doorbraak van het individualisme. Dat was de grote kunsthistorische breuk die tot op de dag van vandaag doorwerkt. De ambachtsman werd kunstenaar,  kreeg een naam, werd, zoals we nu zouden zeggen, een merk. Hij was niet langer de anonieme of bijna anonieme maker van werk dat een opdrachtgever bij hem had besteld.

Peter van Nuijsenburg, Kunst, Atelier Michelangelo

De werkplaats van Michelangelo

Meestal begon het met een regionale of lokale stijl. In het Italië van de Renaissance had vrijwel elke grote stad zijn eigen stijl. De Venetiërs schilderden anders dan de Florentijnen of Milanezen. Die techniek, die stijl, werd doorgegeven in de werkplaatsen van de erkende meesters aan hun leerlingen. Die bekwaamden zich vooral in de stijl van hun meester. Soms, als ze goed waren, ontwikkelden ze binnen die  stijl hun eigen visie en signatuur. En als ze heel goed waren konden ze zelf meesterschilders worden.

Vanuit Italië verspreidde deze werkwijze zich naar de rest van Europa, in het begin met name Vlaanderen en de Duitse steden, waar zich ook regionale stijlen en daarin ingebed de meer individueel getinte varianten, ontwikkelden.

Maar nog altijd was het atelier in de eerste plaats de werkplaats van de meester waarin een onwrikbare hiërarchie heerste. De leerlingen deden vooral de routineklussen, preparen van het doek, malen van de pigmenten,  schilderen van de achtergrond, uitwerken van grote vlakken. Als ze wat verder gevorderd waren, mochten ze ook de moeilijkere dingen doen, stofuitdrukking, voeten, handen en soms zelfs gezichten, maar alles volgens de strikte aanwijzingen van de meester. Die behield de regie, ook al bestond zijn daadwerkelijke aandeel in het werk soms uit niet meer dan de finishing touch, de karakteristieke toets die een schilderij onmiskenbaar tot het zijne maakte.

Peter van Nuijsenburg, Kunst, Rubens

Dronken Silenus (Peter Paul Rubens, 1617)

Deze werkwijze verklaart ook de vaak duizelingwekkende productie van de grote meesters van de Renaissance en de Barok. Peter Paul Rubens had tientallen mannen in dienst die precies wisten wat hun te doen stond. Ze waren zo gedrild dat de meester als het ware op afstand hun hand stuurde. Het was nog net geen lopende band maar er moesten wel, soms letterlijk, meters worden gemaakt.  

Er was een nieuwe revolutie voor nodig om deze door de eeuwen gelouterde productiewijze ingrijpend te veranderen. Met de Romantiek verschijnt tegen het einde van de 18de eeuw de vrij scheppende kunstenaar op het toneel. En met hem wordt de werkplaats het atelier zoals wij dat kennen, de artistieke vrijplaats waarin de kunstenaar ongestoord door veeleisende opdrachtgevers kan werken aan zijn eigen oeuvre. Hier heeft hij de vrije hand, kan hij experimenteren tot hij groen ziet en, de kiem van sindsdien alle kunst, leren van de mislukking.

Peter van Nuijsenburg, Kunst, Vermeer

L’atelier du peintre (Johannes Vermeer)

Later ontstaan er ook ateliercomplexen waar gelijkgestemde kunstenaars werken en de kunst soms een radicaal nieuwe richting op sturen. De grote avantgardistische uitbarsting, fauvisme, kubisme, expressionisme, abstractie, van het eerste decennium van de  vorige eeuw begon daar.

Soms zijn die gebouwen gewijde plaatsen geworden, zoals le Bateau-Lavoir en la Ruche in Montmartre in Parijs. Le Bateau was een oude fabriekshal , een goor, stinkend, tochtig krothol, zonder sanitair waar volgens de overlevering zelfs de ratten hun neus voor ophaalden. In deze griebus begonnen de carrières van Pablo Picasso, Henri Matisse Kees van Dongen Amedeo Modigliani en andere, mindere goden uit de hoogtijdagen van de moderne kunst.

Peter van Nuijsenburg,Kunst, Le Bateau-Lavoir

Le Bateau-Lavoir

Le Bateau-Lavoir bestaat niet meer. Het brandde een kleine 50 jaar geleden af, werd weliswaar herbouwd maar de ziel was er allang uit. Het complex leeft nu alleen voort in de legenden en mythen over zijn roemruchte jaren.

La Ruche, waar Joodse schilders uit Rusland zoals Marc Chagall en Chaim Soutine aanvankelijk onderdak vonden en hun jaren van miskenning en armoede doorstonden is er nog steeds. Een trekpleister voor de kunstminnende toerist en grote, epoch makende kunst wordt er sinds jaar en dag niet meer gemaakt.

Peter van Nuijsenburg, Kunst, La Ruche

La ruche

De glorietijd van het atelier als broedplaats van de Grote Vernieuwing is inmiddels voorbij. Dat wil niet zeggen dat er door kunstenaars geen goede en soms zelf grote kunst wordt gemaakt. Natuurlijk niet. Elke plek waar je je thuis voelt kan je atelier zijn. Jan Schoonhoven werkte aan de keukentafel. Meer had hij niet nodig. Het atelier past zich aan aan de kunst die er gemaakt wordt. Het is nooit anders geweest.

En toch, geen geschiedenis zonder ironie. De werkplaats waar het allemaal begon, bestaat nog steeds, of liever weer. Jeff Koons staat net als Rubens aan het hoofd van een werkplaats waar tientallen medewerkers zijn ideeën omzetten in kunst. Alleen, Koons zelf kan niks, heeft waarschijnlijk nooit zijn handen vuil hoeven te maken en is vooral een meester van de hype. Niet dat het ene moer uitmaakt. Dankzij zijn assistenten in zijn werkplaats is hij verreweg de rijkste kunstenaar van onze tijd.

Peter van Nuijsenburg, Kunst, Jeff Koons

Jeff Koons

Deze pagina delen

  • Delen op Facebook
  • Delen op Twitter
  • Delen op LinkedIn
  • Delen op Google+
 

Lees ookgerelateerde berichten

Eén reactie

  1. Boeiend verhaal weer.
    Kunstenaars behoorden destijds tot een gilde (het Sint-Lucasgilde), net als bakkers, kleermakers en chirurgijns. Het waren ‘ gewoon’ ambachtslieden. Maar zijn het nu ‘ vrij scheppende kunstenaars’? Ik heb het gevoel dat ze nog steeds een elite clubje vormen zonder veel banden met de omgevende maatschappij. Hebben bakkers en kleermakers niet veel meer een positieve uitwisseling met hun klanten zonder zichzelf op een voetstuk te plaatsen? De Thaise intellectueel en revolutionair Chit Phumisak schreef een boek ‘Art for Life’ (1957) waarin hij betoogt dat kunst naast de schoonheid ook een functie moet hebben waar het de maatschappij in het algemeen betreft.

    Tino Kuis

Reageer

E-mail (wordt niet gepubliceerd)