Peter’s kunststukjes. Het nieuwe conformisme

Peter van Nhuijsenburg, Kunststukjes, Conformisme

van www.itsnicethat.com

Je hoeft geen fervent marxist te zijn om te erkennen dat kunst eeuwenlang een uitdrukking van machtsverhoudingen is geweest. Alleen de machtigen en rijken konden zich kunstwerken veroorloven.
Zij lieten zich portretteren, hingen een schilderij van een landschap of zeeslag aan de paleismuur, bestelden engelen voor het plafond, een bijbelse voorstelling voor de kapel of de beeltenis van een wulpse naakte dame voor in de slaapkamer. Dat was vaak goede en soms zelfs grote kunst.

De kleine man moest zich behelpen met een bidprentje en later met reproducties van het zigeunerjongetje met biggelende traan en het hertje van Van Meegeren. Dat kon misschien nog kunst genoemd worden, hoewel slechte, en in deftige kringen had men het dan liever over kitsch.

Goed of slecht, deze kunst had geen expliciet politieke boodschap. Het werd gemaakt en gekocht om te behagen of, in het eerste geval, om te laten zien dat je niet van de straat was. Dat geldt al veel minder voor bijvoorbeeld de enorme protspaleizen van vorsten, monumenten en de ruiterstandbeelden op hoofdstedelijke pleinen. De boodschap was duidelijk. De bewoner van het paleis was erg machtig en het heerschap op het bronzen ros was een held des vaderlands.

Ook de propaganda raakte gedemocratiseerd

Maar het was geen kunst in de eigenlijke zin van het woord. Het waren groot uitgevallen symbolen van (staats)macht, uit steen en marmer opgetrokken en in brons gegoten propaganda. De onderdaan wordt verteld wat er van hem verwacht wordt: in de pas lopen, pet af nemen, jubelen. Het is een dwangbevel tot conformisme.

In de loop van de tijd is ook de propaganda gedemocratiseerd. Het bleef niet alleen een instrument van de machtigen en rijken. Allerlei opstandige en revolutionaire bewegingen en clubs bedienden zich ervan om wantoestanden aan de kaak te stellen. Deze anti-propaganda begon meestal als satire. Spotprenten en karikaturen waarin de gevestigde orde op de hak werd genomen en te kijk werd gezet, gingen deel uitmaken van de politieke cultuur.

Peter van Nhuijsenburg, Kunststukjes, Conformisme

Karikatuur Daumier

Daar kwam soms goede kunst uit voort. Honoré Daumier, Otto Dix, en George Grosz, om er maar een paar te noemen, geneerden zich in bepaalde fases, en niet de slechtste, van hun kunstenaarschap niet om vol overgave de politieke zeden van hun tijd te lijf te gaan. Daumier werd beroemd als de karikaturist van de politieke klasse van het Frankrijk van het midden van de 19de eeuw.

Talent dat zich niet laat wegdrukken

Dix en Grosz waren veteranen van de Eerste Wereldoorlog en schoten met scherp op de verrotte en decadente wereld van oorlogsprofiteurs, zalvende geestelijken en politieke charlatans. Wat hen op den duur onderscheidde van de meeste propagandisten is dat hun talent door de boodschap niet in de verdrukking raakte. Ze maakten kunst die los van hun politieke opvattingen genietbaar bleef. Dat Dix en zeker Grosz dwarsliggers waren en geen grein aanleg tot conformisme hadden, heeft daar ongetwijfeld mee te maken. De titel van Grosz’ autobiografie spreekt wat dat betreft boekdelen: ‘’Een klein ja en een groot nee’.

Er was ook geen totalitaire staat die hen het conformisme oplegde. Dat conformisme is natuurlijk het wezenskenmerk van de als staatskunst vermomde propaganda. Dit is niet de plek voor een uitvoerig exposé over de artistieke voorkeuren van figuren als Stalin en Hitler. Kunst stond in dienst van de ideologie en werd voornamelijk op die gronden beoordeeld. Soms glipte er een fatsoenlijk schilderij, boek, strijkkwartet of beeld door de censuur maar dat was toeval, de dienstdoende ambtenaar had niet opgelet. Meestal was het bagger met overheidskeurmerk.

Na de tweede wereldoorlog werd kunst in het Westen nauwelijks nog ingezet als propaganda. De Amerikanen wilden tijdens de Koude Oorlog wel goede sier maken met moderne kunst, als bewijs van de ruimdenkendheid en superioriteit van het Westen ten opzichte van het Oostblok, maar ze gingen nooit zover om voor te schrijven wat wel en niet mocht.

Dat betekent niet dat ook het conformisme verdween. Het kreeg alleen een veel mildere vorm. In dit land ging de overheid een kunstbeleid ontwikkelen en richtlijnen opstellen. Kunst moest ‘vernieuwend en grensverleggend’ zijn. Wie daar niet aan wilde voldoen, geen zin had om ‘grensverleggend en vernieuwend’ bezig te zijn of ‘scherp in de tijd te staan’ moest dat zelf weten. Alleen, hij kreeg geen cent subsidie.

Het nieuwe conformisme: identiteitskunst

Die richtlijnen leverden meestal matige kunst op. Nu is de meeste kunst matig tot slecht, omdat echt en groot talent nu eenmaal dun gezaaid is, daar valt ook met allerlei goed bedoelde voorschriften en richtlijnen niets aan te verhapstukken. De tijd van de richtlijnen is nu wel voorbij maar wie had gehoopt dat het conformisme voorgoed van het toneel was verdwenen zal nog raar opkijken.

We zijn nu namelijk in de fase van de ‘identiteitskunst’ beland. Identiteitskunst is een vrucht, als je het zo mag noemen, van de identiteitspolitiek. Dat is uit de VS overgewaaid en heeft zijn oorsprong in de strijd van de zwarte bevolking tegen discriminatie en voor gelijke rechten. Het is uiteindelijk een ideologie geworden met alle verschraling van dien.

Peter van Nhuijsenburg, Kunststukjes, Conformisme

Zelfportret Lubaina Himid

Slavernij, discriminatie en onderdrukking zijn de bepalende factoren van de zwarte identiteit. Dat discrimineren en onderdrukken is het werk van de blanken, witten in het pc-jargon, wier identiteit tot deze activiteiten wordt gereduceerd. In de kunst betekende dit dat zwarte kunstenaars nooit de kansen kregen die hun blanke/witte collega’s wel hadden. Dat daar een einde aan moest komen spreekt van zelf. En omdat niets zo makkelijk is te exploiteren als het schuldgevoel van een bevoorrechte elite, krijgt de zwarte kunst, dwz van zwarte kunstenaars, nu ruim baan.

Is black creativity beautiful?

De winnares van van de belangrijkste Britse kunstprijs, de Turner Prize, is een zwarte vrouw uit Zanzibar, Lubaina Himid, die de ‘zwarte creativiteit celebreert’. De Biënnale van Berlijn heeft dit jaar een zwarte vrouwelijk curator uit Zuid-Afrika. Barack en Michelle Obama laten hun statieportret schilderen door zwarte schilders. En je hoeft geen profeet te zijn om te voorspellen dat dit ook hier de trend wordt.

Daar is niks op tegen als die kunst goed, spannend of interessant is. Maar als zwart zijn of nog correcter, het hebben van een migratieachtergrond, het beslissende criterium wordt, kunnen we daar beter niet van uit gaan.

 

Illustraties:

Homepage: Step into your place (whowhatwhy.com en Reddit)
Honoré Daumier: karikatuur botst met kunst (wiki)
Zelfportret en Zwarte Dansers (Lubaina Himid – collectie foto’s)

 

Deze pagina delen

  • Delen op Facebook
  • Delen op Twitter
  • Delen op LinkedIn
  • Delen op Google+
 

Lees ookgerelateerde berichten

4 Reacties

  1. Het onderscheid tussen kunst en kunstnijverheid is een westers fenomeen, begonnen tijdsens de renaissance en tijdens de romantiek tot volle ontplooiing gekomen. Kunstenaars waren aanvankelijk ambachtlui, lid van een gilde en werkten voornamelijk in opdracht. Aan originaliteit, authenticiteit of grens verleggen, dezen ze niet. Dart kwam pas met de romantiek. De ‘vrije, atonome’ kunstenaar verscheen.
    In andere culturen is dat onderscheid nooit zo dwingend geweest.
    In het Westen hebben we van tijd tot tijd ook pogingen gezie om de grens tussen kunst en kunstnijverheid weer op te heffen: bijv Bauhaus en de Engelse Arts and Crafts beweging. Moderne architectuur, design, mode zijn daar hedendaagse voorbeelden van.

    Peter van Nuijsenburg
    • Dank voor dit mooie antwoord, Peter. Ik kan het daar geheel mee eens zijn.
      Nog een aanvulling. Misschien is er ook het onderscheid dat in andere tijden en plaatsen de kunstenaar anoniem bleef, en nu juist verheerlijkt wordt.

      Tino Kuis
  2. Peter,
    Citaat:
    ‘Je hoeft geen fervent marxist te zijn om te erkennen dat kunst eeuwenlang een uitdrukking van machtsverhoudingen is geweest. Alleen de machtigen en rijken konden zich kunstwerken veroorloven.’

    Carle C. Zimmerman schrijft in zijn boek ‘Siam, Rural Economic Survey 1930-31’ (White Lotus Press, 1999) op bladzij 227 het volgende:

    ”….de Siamezen hebben een hoge ontwikkeling bereikt waar het kunst, beeldhouwwerk, zilverwerk, niëllo werk, zijde en katoen weven, lakwerk en andere praktijken die met kunst samenhangen betreft. (Ik zou ook muurschilderingen in tempels willen noemen, Tino). Zelfs in de meest primitieve gemeenschappen kunnen we een mooi bewerkte deur aantreffen, een schotel, een lap geweven stof, houtsnijwerk in een tempel of op de achterkant van een ossenkar. ‘

    Ik vind de definitie van ‘kunst(werken)’ te beperkt. Kunst is niet alleen de ‘hogere’, officiële en betaalde kunst, wat de kunstwereld en de kunstkenners ‘kunst’ noemen, de ‘schone kunsten’. Ik moet nadenken over een betere definitie.

    Tino Kuis

Reageer

E-mail (wordt niet gepubliceerd)