Grootse plannen en te weinig baby’s

De macht van een staat rust grosso modo op drie pijlers: de ligging (geografie), de omvang van de bevolking (demografie), en het productie- en innovatievermogen (economie). Dat was de klassieke geopolitieke drieslag. Een land dat toegang had tot grondstoffen, goed bevaarbare rivieren en begaanbare wegen had en, vooral, een bevolking die groot genoeg was om oorlog te voeren en een economie draaiende te houden, gooide hoge ogen in de vaart der volkeren. 

Onze eigen Republiek kon in haar Gouden Eeuw het rijkste land ter wereld worden mede dankzij haar gunstige ligging. Dat maakte haar tot een voor die tijd ongekend machtige handelsnatie. Ze was in staat een grootmacht, Spanje, te verslaan en een andere, Engeland, zich lang van het lijf te houden. Uiteindelijk moest ze zich gewonnen geven omdat de bevolking aan de overkant van de haringvijver veel groter was. Bovendien hadden de Britten het geluk dat ze grote voorraden makkelijk winbaar steenkool hadden. Dat maakte de Industriële Revolutie mogelijk. De Republiek zakte af tot een tweede- en later derderangs mogendheid. 

De omvang van de bevolking was eeuwenlang een obsessie voor staatslieden met grootse plannen. Met een groeiende bevolking kon je voldoende jonge sterke kerels naar het slagveld sturen en oorlogen winnen. En als ze niet sneuvelden op wat het veld van eer heette, konden ze in de fabriek of op het land de handen uit de mouwen steken. Ter meerdere eer, glorie en rijkdom van de heersende klasse.

Een krimpende en vergrijzende bevolking werd door de leiders gezien als een vloek. Een volk dat zich niet voldoende voortplantte was decadent en tot de ondergang gedoemd. Dat leefde heel sterk in Frankrijk dat sinds mensenheugenis het bevolkingsrijkste land van West-Europa was. Begin vorige eeuw werd ze voorbijgestreefd door Duitsland en het VK. Het was een klap die de elite hard in het onderlijf trof. Daarop volgden de slachting in WO I en de vernederende nederlaag tegen Duitsland in WO II. Volgens sommige vorsers van de Franse ziel zijn ze die fiasco’s nooit echt te boven gekomen. 

Ook nu kijken regeringsleiders met grote spanning uit naar de uitslag van de laatste volkstelling.

In Beijing moet het resultaat van de laatste telling vies zijn tegengevallen. De bonzen besloten de uitslag niet op de geplande datum, in april, vrij te geven. Dat voedde natuurlijk speculaties dat het veel erger was dan gevreesd en dat de bevolking was afgenomen. De laatste keer was dit gebeurd tijdens het gruwelijke bewind van Mao Zedong. Zestig jaar geleden kwamen naar schatting 30 miljoen Chinezen om bij een door de Grote Roerganger veroorzaakte serie hongersnoden. Daar wil je nu niet mee geassocieerd worden.

De huidige negatieve ontwikkeling is te wijten aan het ‘één-kind-beleid’ dat 35 jaar, tot de afschaffing in 2015, de Chinese voortplanting regelde. Dat was destijds misschien  nodig maar het middel is inmiddels erger dan de kwaal. De vergrijzing begint nu zijn tol te eisen en de prognoses schijnen president Xi Jinping en co de stuipen op het lijf te hebben gejaagd. Nu zijn er ruim 1,4 miljard Chinezen, over 30 jaar 1,28 en in 2100 is het aantal gehalveerd tot een dikke 700 miljoen. Tegen 2040 is 30 procent ouder dan 60 en zal moeten worden onderhouden door een kleinere beroepsbevolking. Dat gaat onherroepelijk ten koste van de economische groei.

Beijing had gehoopt dat het loslaten van het één-kind-beleid tot een babyboom zou leiden. Die is vooralsnog uitgebleven. Voor veel Chinese ouders blijkt een nazaat genoeg, vooral door de hoge kosten van het leven in de grote steden. Voor een kind vallen de kosten van goed onderwijs nog op te brengen, voor twee, laat staan meer, is dat al gauw onbetaalbaar. Daarbij komt dat steeds meer jonge vrouwen voor de eigen carrière kiezen en laat aan dat ene kind beginnen. Of toeslagen en belastingvoordelen ouders tot een grotere voortplantingsinspanning zouden kunnen verleiden, wordt betwijfeld.  

De Chinese president Xi Jinping

Volgens sommige deskundigen betekent dit dat Xi zijn plannen om de VS als supermacht af te lossen moet bijstellen. China moest met zijn gigantische bevolking en arbeidsarsenaal de achterstand op de VS in zien te lopen. Dat was zijn belangrijkste troef. Met een krimpende en vergrijzende bevolking wordt dat een stuk lastiger.

Dat zal voor het Westen en met name de VS een hele opluchting zijn. China is niet langer a priori de gedoodverfde alleenheerser. Niettemin zou het voor de Chinezen nog wel eens kunnen meevallen. Om te beginnen zal de bevolkingsafname redelijk geleidelijk gaan. Er blijven meer dan genoeg Chinezen over zodat ze de tijd hebben om het beleid erop in te stellen. Voor de industriële productie zullen de gevolgen beheersbaar zijn. Door de automatisering is die al minder afhankelijk van arbeiders. Deze trend zal zich ongetwijfeld voortzetten. Voor Xi  is het bovendien een extra aansporing zijn programma om de high tech-leider van de wereld te worden in een nog hogere versnelling te zetten.

Wat voor de industrie geldt, geldt ook voor het leger. Voorlopig zit China nog goed in zijn manschappen maar de technologische ontwikkelingen zullen, als het ooit zover komt, ook de oorlogvoering ingrijpend veranderen. Miljoenenlegers behoren tot het verleden. De enorme veld- en zeeslagen uit de wereldoorlogen blijven iets voor de film en het geschiedenisboek. Oorlogen zullen vermoedelijk eerder op ander terrein en met andere middelen worden uitgevochten. Wie er in slaagt met cyberaanvallen de vitale infrastructuur, energie-,  voedsel- en watervoorziening, communicatielijnen etc, van de vijand lam te leggen, zal waarschijnlijk winnen. 

Beijing zal zijn plannen moeten aanpassen maar dat betekent niet automatisch dat de ambities in de vrieskist verdwijnen. Veel hangt af van de wendbaarheid van het leiderschap. Kan Beijing minderheden als de Oeigoeren en Tibetanen onder de duim houden? Wat doet de bevolking als de economie en welvaart stagneren? Hoe gaan ze de relatie managen met de grote rivaal, de VS? Dat is allemaal voor de afdeling glazen bol en koffiedik. 

Afgezien van deze geopolitieke overwegingen, heeft een wereld met fors minder Chinezen grote voordelen. Ook voor de Chinezen zelf. De natuur kan zich herstellen, de steden kunnen leefbaarder worden en er kan serieus werk gemaakt worden van de vergroening van nu vaak desolate regio’s. Met als bonus dat de CO2-uitstoot drastisch omlaag kan.   

Of China door de demografische ontwikkelingen een handzamer rivaal wordt, staat dus te bezien. Zelfs met de helft van de huidige bevolking moet ze in staat zijn om de nieuwe supermacht te worden en te blijven. 

Over Peter van Nuijsenburg 259 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (1951) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD, het Financieele Dagblad en diverse omroepen. Hij was correspondent in Johannesburg, Berlijn, Tokio en Rome. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.

2 Comments

  1. Alhoewel ik dit artilel met interesse gelezen heb, ben ik van mening, dat door alleen een en ander te vergelijken tussen China en de VS, zonder daarbij bijvoorbeeld minimaal India in de beschouwingen te betrekken, het realiteitsgehalte van het relaas ernstig negatief wordt beinvloed.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*