Thaise literatuur: de goudbenige kikker, kort verhaal van Khamsing Srinawk


De goud-benige kikker

Door Khamsing Srinawk

Tino Kuis, Khamsing Srinawk, Goudbenige kikker

De zon scheen alsof hij vastberaden was elk levend ding in de uitgestrekte velden tot as te verbranden. Af en toe lieten de sabang en shorea bomen wat van hun vergeelde bladeren vallen. Hij zat uitgeput tegen een boomstronk, zijn blauwe hemd doorweekt van het zweet. De ruimte om hem heen drukte totale droogte uit. Hij staarde naar een kolom van droog gras en kleine beetjes hooi die traag richting de hemel dwarrelden. De wind zoog bruine aarde op en wervelde het door de lucht, een bruine gloed over de omgeving werpend.

Hij herinnerde zich dat de ouderen hem vertelden dat dit de voorbode was van droogte, gebrek, rampspoed en dood. Hij verlangde plots thuis te zijn, hij kon de bamboetoppen al zien die als zwaarden van gras het huis in de verte omgaven. Hij aarzelde. Vlak voor hij de schaduw van de boom bereikte voelde hij zijn oren suizen en zijn zicht vervagen en hij wist dat dat de voorboden van een zonnesteek waren. Hij keek naar de zolen van zijn voeten, vol met blaren van het hete schurende zand en werd kwaad, – ontzettend kwaad op het weer dat in staat scheen tot zo’n eindeloze marteling. In de ochtend had hij de koude tot op zijn botten gevoeld, nu was het echter zo heet dat het hem toescheen dat zijn hoofd in stukken zou breken.

Dezelfde ochtend waren hij en twee van zijn kleine kinderen de rijstvelden bij het huis ingegaan om naar kikkers te zoeken voor het ontbijt. De lucht was ijzig. De twee kinderen aan elke kant van hem rilden, terwijl ze stilstonden om te zoeken naar de kikkers die zich verstopten tussen de scheuren in de uitgedroogde aarde. Elke keer als ze in een diepe spleet twee heldere ogen zagen, riepen ze: “Pap, hier is er nog een. Pap, deze spleet heeft er twee. Met gouden benen! Kom snel, Pap.”

Hij was schoffelend in de droge aarde van hot naar her gegaan toen ze hem riepen. Sommige kikkers ving hij meteen, maar enkele sprongen weg toen hij begon te graven. Het was de taak van de kinderen deze te achtervolgen en te vangen. Ze vingen er een paar. Andere kropen snel in een andere spleet en noodzaakten hem ze opnieuw op te graven met zijn schoffel. Als hij geluk had, groef hij zo naast de kikker ook landslakken en schelpdieren op.

Het begon al warm te worden en hij had genoeg kikkers voor bij de ochtendrijst. Het geluid van drums, de roep van het dorpshoofd om een bijeenkomst, klonk flauw vanuit het dorp. Sluimerende woede overspoelde hem opnieuw toen zijn gedachten terugkeerden naar dat moment. Als hij toen maar naar huis was gegaan, was het arme kind nu ongedeerd geweest. Het was echt de laatste spleet geweest. Zodra hij porde, viel de aarde uiteen. Een volwassen goud-benige kikker, zo groot als een duim, sprong langs het oudste kind. Het jongste kind schoot de kikker achterna, die na een meter of tien een diepe voetafdruk van een waterbuffel in dook. Het kind graaide er naar.

De schrille schreeuw van zijn jongen schokte hem tot in het diepst van zijn wezen. “Pap, een slang, een slang beet in mijn hand.” Een cobra rekte zich in volle lengte, sissend. Toen hij eindelijk in staat was te reageren, sloeg hij met zijn schoffel driemaal op de cobra in, het beest stuiptrekkend achterlatend. Hij droeg zijn kind en de mand met kikkers naar huis, zonder te vergeten zijn andere kind te vragen ook de slang mee te nemen.

Tijdens de terugweg huilde zijn zoon zachtjes, terwijl hij zich op de borst sloeg en klaagde dat hij geen adem kon krijgen. Thuisgekomen riep de vader alle helers en kruidendokters wiens namen hij zich herinnerde en het krakeel begon. 
”Snij een kikker in stukjes en leg ze op de wond”, riep een buurman. 
Een ander riep: “Geef hem de geroosterde lever van de slang te eten”, en zittend naast zijn huilende vrouw, sneed hij haastig de slang open om de lever te verwijderen.

Naarmate het later werd, groeide de menigte aan. Toen ze het nieuws hoorden, kwamen alle buren die de bijeenkomst van het dorpshoofd bijwoonden de reeds aanwezigen gezelschap houden. Een van hen vertelde hem dat hij naar het gemeentehuis moest, omdat het dorpshoofd hem vertelde dat de regering geld zou uitdelen aan degenen met vijf of meer kinderen. Dat was een nieuwe schok. 
“Zie je dan niet dat mijn zoon op sterven ligt? Hoe zou ik nu kunnen gaan?”, riep hij uit. “Wat maakt het uit? Er zijn hier een hoop dokters die stuk voor stuk een expert zijn.” 
“Ga toch, sukkel! Ze geven tweehonderd baht. Je hebt van je leven nog nooit zoveel geld bij elkaar gezien. Tweehonderd baht!” 
“Het spijt me dat ik het zeg”, voegde een ander toe, “maar als er iets gebeurt en je zoon overleeft het niet, mis je de boot, dat is alles.”

“Ik ga niet!”, schreeuwde hij, “mijn kind kan geen adem halen en jullie vertellen me te gaan. Waarom kunnen ze het niet op een andere dag uitdelen? Maar het is waar, ik heb sinds mijn geboorte nog nooit tweehonderd baht gehad, maar ik ga niet. Ik ga niet.” 
“De gevangenis”, interrumpeerde een ander, “als je niet gaat, dan ga je naar de gevangenis. Hoe kun je de autoriteiten niet gehoorzamen? Als ze je zeggen het aan te nemen, dan heb je het aan te nemen. Zo niet, de gevangenis.”

De herhaalde dreiging van de gevangenis maakte hem zenuwachtig, maar hij weerstond het vooralsnog. “Wat het ook zijn moge, ik ga niet. Ik wil niet. Hoe kan ik mijn zoon in de steek laten terwijl hij op sterven ligt?” Hij verhief zijn stem. “ Nee, ik ga niet.” 
“Ga. Verzet je niet tegen de regering. We zijn onderdanen.” De spreker draaide een slag om en vond het dorpshoofd grimmig knikkend aan zijn zijde. 
“Als ik niet ga, moet ik dan echt naar de gevangenis?”, vroeg hij met een plots hese stem. 
“Absoluut”, sprak het dorpshoofd streng. “Misschien zelfs levenslang.”

Dat was de druppel. Duizelend vroeg hij de helers en buurlui goed voor zijn zoon te zorgen en verliet hij het huis. Hij bereikte het gemeentehuis iets voor elven en trof een groep dorpsgenoten die ook voor het geld waren gekomen. Ze vertelden hem de oude onder-ambtenaar aan te spreken. 
“Ik ben Mr. Nak Na-ngam, meneer. Ik ben hier voor het geld, het veel-kinderen geld.”
De ambtenaar keek langzaam naar hem op en sprak met barse stem. “Idioot, zie je niet dat er mensen aan het werk zijn hier. Eruit! Eruit en wacht buiten.” 
“Maar, meneer, mijn zoon is stervende…” Hij hield zich echter in, want het zou kunnen dat, als de ambtenaar vermoedde dat zijn zoon dood zou was, het tot problemen zou kunnen leiden. De ambtenaar keek naar zijn papier en zette zich weer aan het werk.

Ontmoedigd keerde Nak naar de groep terug. 
“Als je geboren bent als rijstboer en onderdaan, is het bestaan een lijdensweg”, dacht Nak. “Je bent arm en hulpeloos, je mond kleurt rood wanneer je wortels moet eten omdat de rijst op is, je bent aan het einde van je Latijn wanneer je je tot de overheid went om vervolgens nul op rekest te krijgen.”

De overheidsdienaar ging verder met schrijven, alsof er geen wachtende boeren voor de deur zaten. Een paar minuten over twaalf kwam hij het kantoor uitgelopen en had de goedheid een paar woorden te spreken. 
“Het is al twaalf uur. Tijd voor een pauze. Komen jullie over een uur maar terug.” 
Nak en zijn dorpsgenoten zaten daar tot één uur.

De zwijgzame ambtenaar riep hen bij terugkomst bij zich en gebaarde hen allemaal op de vloer bij hem te komen zitten. Hij begon met een ieder te vragen, waarom ze zoveel kinderen hadden. De wat onhandige replieken deden de andere beambten zuchten, terwijl ze zich omdraaiden om naar de gênante antwoorden te luisteren. Eindelijk kwam zijn beurt. 
“Wie is Mr Nak Na-ngam?” 
“Dat ben ik, meneer”, antwoordde hij nederig. 
“Welnu, waarom hebben we zoveel kinderen?” Gegrinnik. 
“Oh, wanneer je arm bent, meneer..”, barstte hij uit in onverhulde ergernis. 
“Wat heeft het in vredesnaam te maken met armoede?”, vroeg de ambtenaar met teleurstelling in zijn stem. 
“We zijn afschuwlijk arm en hebben geen geld om een deken te kopen. En hoe vies de geur altijd ook is, ik moet mijn vrouw als deken gebruiken en zo blijven de kinderen komen.”

In plaats van gelach, viel er een doodse stilte, tenslotte doorbroken door de vlakke stem van een bleke ambtenaar. “Bah! Deze joker gebruikt zijn vrouw als deken.”

De wind stak weer de kop op. De sabang en shorea bomen lieten weer wat bladeren los. Speren zonlicht deden hem duizelen. De kleine wervelwind in het veld naast hem dwarrelde voort. Nak verliet de schaduw van de grote boom en liep door de brandende middag zon terug naar het dorp.

“Hey, Nak…” De stem kwam van een groep dorpsgenoten die hem vanuit tegengestelde richting tegemoet kwamen. Een ander vulde hem aan. “Je hebt geluk, zeg.” 
De woorden verlichtten zijn hart. Een glimlach verscheen om zijn lippen terwijl hij verwachtingsvol vroeg: “Geluk? Hoe bedoel je?” 
“De tweehonderd baht. Je hebt ze, toch?” 
“Ik heb ze, hier.” Hij klopte op zijn zak. 
“Gefeliciteerd! Je hebt echt geluk hoor, Nak. Een dag langer gewacht en je had ze zeker niet gekregen.”

 

Tino Kuis, Khamsing Srinawk, Goudbenige kikkerUit:‘Khamsing Srinawk, The Politician and other stories’, Silkworm Books, 2001.

Vertaling Tino Kuis

 

 

Kanttekening van redactie:
De goudbenige kikker is één van de drie verhalen van de Thaise schrijver Khamsing Srinawk die Tino Kuis vertaalde en in 2013 en 2015 op Thailandblog.nl publiceerde. Tino heeft ze ons opnieuw ter publicatie aangeboden om Khamsing Srinawk (schrijversnaam Law khamhoom)  onder de aandacht van onze bezoekers te brengen. Wij doen dit door herpublicatie van het verhaal dat wij het mooiste vinden, De Goudbenige Kikker, 
Geïnteresseerde lezers kunop http://www.thailandblog.nl/?p=46766 informatie over Khamsing Srinawk vinden en de verhalen desgewenst daar als pdf-file downloaden.

 


Beste lezer

Trefpunt Azië is een reclamevrije site geheel gemaakt door vrijwilligers. Al onze berichten zijn voor iedereen te lezen. Maar het in stand houden van een website als Trefpunt Azië kost geld; er zijn kosten voor software om de site te maken en de huur van serverruimte zodat hij te zien is. Die kosten worden gedragen door leden van de redactie en die kunnen daarbij wel wat hulp gebruiken. Als u wilt helpen met een (kleine) bijdrage klik dan op de rode knop rechtsonderdaan op de pagina en doneer, dat kan al vanaf 3 euro. Wilt u op een andere manier helpen? Mail dan even met de redactie: post@trefpuntazie.com

Dankzij uw bijdrage kan Trefpunt Azië elke dag nieuws en achtergronden uit uw favoriete werelddeel blijven brengen.

 

Tino Kuis
Over Tino Kuis 137 Artikelen
Tino Kuis. gepensioneerde huisarts, woont in Zutphen. Na zijn opleiding werkte hij drie jaar als tropenarts in Tanzania en daarna vijfentwintig jaar als huisarts in Vlaardingen. Hij heeft in Nederland drie volwassen kinderen. Tino verbleef van 1999 tot 2017 in Thailand. Zijn 18-jarige Thaise zoon studeert in Chiang Mai. Tino heeft zich gespecialiseerd in Thaise taal, cultuur en geschiedenis.

2 Comments

  1. Ja, Mee Farang, het verhaal heet in het Thais letterlijk ‘De goud-benige kikker’. Het vinden van zo’n zeldzaam beest, ook wel gele kikker genoemd, zou voorspoed brengen. In de link hieronder wordt dat beschreven: een vrouw vindt een gele, gouden, kikker en vervolgens wint het hele dorp de staatsloterij! Het is dus ironie.
    Khamsing heeft meer verhalen geschreven waar hij de spot drijft met dit soort geloof in ‘heilige’, voorspoed brengende zaken. Een ervan is ‘De Plank’, een heilige plank voor kraamvrouwen. Dat hoop ik nog te publiceren.

    http://news.sanook.com/1208747/

  2. Dank je, Tino, voor dit wrange aangrijpende verhaal.
    De verhalen van Srinawk zijn het volledig waard om weer opgevist te worden.
    Ik kan je inspanningen alleen maar waarderen.
    Een vraag om uitleg. Een kikker met gouden benen moet een bijzondere betekenis hebben.
    Maar dat ontgaat me en is niet uit de context op te maken.
    Ik kijk uit naar de uitleg. Is het in het Thais letterlijk hetzelfde?
    Of is het een term?

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.