Gaan voor Groenland (slot)

Geen leven op de ijskap

 

Zelden heb ik iemand gezien die zo in balans is als JP. Kennelijk krijg je dat, als je vader een Inuit is en je moeder een Deense.

’s Avonds bij het vuur vertelt hij, dat zijn vader hem had leren jagen, dat hij de huid van een rendier moest afstropen, dat hij de ingewanden moest verwijderen en dat hij het karkas moest uitbenen. Hij was toen nog maar negen. Lange tochten maakte hij met zijn vader door de toendra. Dagen bleef hij weg. Natuurlijk had hij geen wandelschoenen, maar gewoon rubberen laarzen. Al de eerste dag had hij blaren. En toen hij de volgende ochtend zijn laarzen op nieuw aantrok, gilde hij het uit van de pijn.

Zijn vader zei, dat hij niet moest zeuren. Dat hij blij moest zijn. Dat hij zelf veertien was, toen hij mee moest met jagen. Dat hij toen ook helse pijnen had geleden. En om te voorkomen dat JP het zelfde zou overkomen als hij veertien was, had zijn vader hem nu al mee genomen, zodat hij tegen die tijd gehard zou zijn. JP schudt lachend zijn hoofd, als hij dit verhaal vertelt. Hij kan de logica nog steeds niet vatten.

Maar gehard is hij geworden. ’s Winters trekt hij in zijn eentje de wildernis in, om te jagen op rendieren en muskusossen. Zet in de duisternis van de poolnacht zijn tent op. Vanwege de kou kookt hij in zijn tent. De thermometer geeft soms -35 0C aan. ’s Avonds trekt hij zijn slaapzak over zich heen. Alleen zijn neus komt naar buiten, omdat hij ten slotte moet ademen. De volgende ochtend blijkt zijn neus bevroren te zijn. Misschien heeft hij daar nog steeds last van, want ik hoor hem voortdurend zijn neus ophalen, alsof hij lijdt aan een chronische verkoudheid.

André van Leijen, Groenland, Ijskap, Toendra
Stilte in de tent

Na onze driedaagse tocht over de toendra met JP krijgen we een andere gids. Stephan heet hij. Met hem trekken we twee dagen over de ijskap. Hij komt uit Denemarken en is biochemicus. Als we ’s avonds samen in de tent zitten, is het stil. Want heeft Stephan geen verhalen als JP. Dat is logisch als je niet geworteld bent in dit land. Stephan doet mij denken aan mijn luitenant, toen ik nog in dienst zat.

Mijn zoon schrijft in zijn dagboek:
“Met militaire discipline en een tikkeltje sadisme worden we gedrild: ‘bind je slee voor, trek je stijgijzers aan. Hoe? Ja vogel maar uit’. En hup: de ijsvlakte op. Na een tijdje lopen denk ik ‘aah fijn het kamp’. Maar daar komt drilmeester Stephan weer: ‘vind een platte plek voor een tent, pak een schop, maak het ijs glad. Zet je tent op’. Ik heb in geen jaren een tent opgezet, laat staan op een ijsvlakte… Met veel hulp en ijsschroeven als haringen staat mijn tent. Tijd voor een kop koffie, even ontspannen.”

Het afzeiken van de manschappen behoort tot de Persoonlijke Standaard Uitrusting van de beroepsofficier. Maak jezelf groot door de ander te kleineren.

‘Op de ijskap komt geen enkel levend wezen voor’, meldt de luitenant bij de koffie.

Even later vindt mijn vrouw een veer van een raaf en houdt dat voor de neus van onze luitenant.
‘Luister’, zegt de luit, ‘er komt geen leven voor op de ijskap. Ik herhaal: geen leven op de ijskap.’ Dat veertje is volgens onze luit natuurlijk aankomen waaien uit de toendra.

André van Leijen, Groenland, Ijskap, Toendra
‘Onmogelijke’ keutels

Pas als ik in de sneeuw de poep vind van een sneeuwhoen, wordt de luit stil. Zwijgend bekijkt hij het kommetje met poepjes die bruin liggen te pronken in het wit van de sneeuw.

Een duidelijk geval van subordinatie. Zijn gezicht loopt rood aan. ‘Welk stuk onbenul heeft het gore lef gehad om hier op de ijskap een beetje te gaan zitten bouten.’ Hij wil het zeggen, maar hij houdt zich in.

Even overweeg ik hem te vertellen, dat in het dooiwater allerlei microscopische organismen zitten als beerdiertjes en raderdiertjes. Wijs geworden van mijn diensttijd, houd ik het binnen, maar het is al te laat. De luit dirigeert ons naar een steile helling, waar we moeten oefenen in het lopen met stijgijzers.

André van Leijen, Groenland, Ijskap, Toendra
Vooruit! Achteruit!

Mijn zoon schrijft:
“Maar dan gaan we weer. In recordtempo leren we met onze stijgijzers steile ijsschotsen beklimmen: ‘voorruit!, achteruit!, zijdelings!’. En bij elke oefening hoor ik mijn vader tegen me grommen ‘ wacht maar jongen, jou spreek ik nog wel als ik thuis ben’. Het was mijn idee, om deze excursie naar de ijsvlakte te doen…”

De uitzichten over de ijskap maken echter veel goed.

Mijn zoon schrijft:
“Op de tweede dag maken we een wandeling van 10 km over de ijsvlakte. Ik verwonder me erover hoe enorm divers deze nog is. Stroompjes water, diepe gaten, watervallen; alles is er. En dan de kleuren. Afwisselend zie je wit-zwarte heuveltjes – zwart gemaakt door de silt dat de massa van de voortbewegende ijsvlakte omhoog stuwt – en puur witte sneeuwheuvels, waarop de immer aanwezige zon een warme gloed tovert. 
Maar het allermooiste dat we zien, en misschien wel het mooiste dat ik ooit heb gezien, zijn de vele meertjes. Vaak prachtig geplaatst in een ‘kom’ van ijs. Deze kom is dan vervolgens gevuld met het helderste blauwe water dat je je kan voorstellen. Zo helder, zo mooi en zo blauw, dat je er iets mee wil doen: er in springen, er een flinke slok uit nemen of wat dan ook. Dit van zichzelf al spectaculaire gezicht wordt nog mooier gemaakt doordat je onder het doorschijnende blauwe water het ijs ziet doorlopen, in verschillende vormen. Aan de oevers is het water vaak bevroren en onder deze dunne laagjes ijs zie je vervolgens weer ijspegels en bevroren bubbels zuurstof. De ijsvlakte is werkelijk prachtig…”

 

Wilt u foto’s zien van onze reis naar Groenland, ga dan naar: https://www.travelblog.org/North-America/Greenland/East-Greenland/blog-983853.html .

André van Leijen
Over André van Leijen 153 Artikelen
André van Leijen (1947), bioloog en vader van een dochter en een zoon, heeft les gegeven aan de Hogeschool Rotterdam en aan een middelbare school in Spijkenisse en in Vlaardingen. Hij ontwikkelde er lesmateriaal voor de natuurwetenschappelijke vakken en publiceerde in diverse bladen. Na zijn pensionering reisde hij met zijn Slowaakse vrouw twee jaar over de wereld, van Spitsbergen tot aan Kaap de Goede Hoop en van Vuurland tot het uiterste noorden van Canada. Daarna streken ze neer in Thailand en vervolgens in Schiedam. Van deze thuisbasis willen ze de wereld verder verkennen. Intussen werkt hij aan een boek.