Alleen handbagage


Femmy Fijten, Alleen handbagage

Alleen handbagage

 

Natuurlijk… en weer was het gebeurd. Terwijl ik over de parkeerplaats liep, zochten mijn handen in mijn zakken. Misschien moest ik toch eens denken aan zo’n sleutelverklikker. Maar daar voelde ik de vertrouwde vorm van het roze varkentje. Mijn wijsvinger drukte op het kopje en een oranje knipperlicht omgaf mijn auto. In een vloeiende beweging opende ik het portier, liet me op de stoel zakken en drukte ik op de startknop. Wegwezen hier. De motor gaf geen geluid, nog eens drukte ik in. Niks. Een vloek ontsnapte aan mijn lippen.

In hartje winter pissen langs een stikdonkere Duitse Autobahn is geen pretje. Maar wat moest dat moest. Ik had mijn kraag opgezet en stak mijn handen diep in mijn zakken. Mijn oorschelpen bevroren bijna door de scherpe wind. De sneeuwlaag knerpte onder mijn schoenen toen ik naar het betonnen toiletgebouwtje liep. Bij binnenkomst sloeg een misselijk makende urinelucht mij tegemoet. Desondanks liet ik opgelucht de straal kletteren in het foolproof, roestvrijstalen pissoir. Op de muur was een telefoonnummer opgeschreven voor intieme diensten van ene Rosa. Beter dan pissen op dit moment kon het echter niet worden.

Met een zucht van verlichting schudde ik af. Voorzichtig ritste ik onder mijn dikke winterjas mijn gulp dicht. Daarna haalde ik mijn sigaretten uit mijn binnenzak en stak er een op terwijl ik naar buiten liep. Toen ik de zware deur achter mij dicht hoorde vallen, zag ik ze staan. De verste wagen doofde juist zijn lichten. Voor en achter mijn Renault stonden twee vrachtwagens geparkeerd. Vanaf het toiletgebouw kon ik er niemand in zien zitten. Hoe was het mogelijk dat ze mij al hadden gevonden?

Ik kreeg een drukkend gevoel op de borst. Van dichtbij zag ik nog steeds niemand. Het donkerblauwe zeildoek van de opleggers hing op een paar plaatsen los en flapperde in de wind. De vrachtwagens stonden zo geparkeerd dat ze mij klem gezet hadden. Ik schatte de ruimte die resteerde om te manoeuvreren. Een rilling vloog over mijn rug. Ik gooide mijn peuk in de sneeuw en ging op zoek naar mijn autosleutels. Zoals gewoonlijk ergens verdwenen in mijn uitgescheurde zakken, losdobberend in de voering. Anton zat erachter.

Ooit was Anton wetenschappelijk medewerker organische chemie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Een goedmoedige kerel. Ik denk dat hij tegen de vijftig was toen ik hem ontmoette. Hij was kalend, had een grijs sikje en een klein buikje. Hij was kleiner dan ik, zo’n 1 meter 75. Meestal glimlachte hij vriendelijk en liep met olijke oogjes in de wereld rond. Een populaire docent aan de universiteit.
Ik woonde in dezelfde straat als hij en volgde zijn colleges. We groetten elkaar vriendelijk als we elkaar tegenkwamen.

Op een bepaald moment vroeg ik of hij mij af en toe bijles kon geven, want ondanks dat ik met hoge cijfers mijn middelbare schooldiploma had gehaald, ging mijn studie mij niet gemakkelijk af. Hij stemde in, maar weigerde een vergoeding. Tot zijn spijt haakte ik na enkele maanden alsnog af en ging als dj werken aan het Leidseplein bij Zodiac. Een tent waar lang en heftig doorgehaald werd. Om hem te bedanken voor zijn hulp gaf ik hem een dvd met de serie Breaking Bad. Het leek me leuk hem te laten kennismaken met een ander type chemicus. Met dit geschenk was alle ellende begonnen.

Op een avond belde ik bij hem aan en vroeg hoe het met hem was. Opgewonden vertelde hij mij dat hij aan het experimenteren was geweest. 
 “Hoe bedoel je,” vroeg ik hem, “dat doe je toch al je hele leven?”
“Die serie, wat een prachtcadeau,” vertelde hij, “er is weer leven in de brouwerij.” Hij lachte en fluisterde in mijn oor, nadat ik geheimhouding had gezworen, dat hij speed produceerde. “Wil je het zien?” Ik lachte, dit moest een grap zijn.
 Boven stond echter in een provisorische zuurkast, een afzuigkap met zijschermen, een kolf op een brander te borrelen. “Dat is het.” Hij zette zijn handen in zijn zij en vroeg: “Wat vind je ervan.”

“Wat is HET?” vroeg ik.
“De kolf bevat apaan met water; als het doorgekookt is, heb ik BMK, het middel waar het om draait in amfetamine. Geen kunst, iedereen kan het.”
“Wat moet je ermee?”
“Voor de fun. Misschien er wat aan verdienen.”
“Wil je het echt verkopen?” 
 Hij haalde zijn schouders op. “Dat is de bedoeling. Gebruik jij wel eens stimulerende pilletjes?”
“Tja, soms bij een feest.”
“Bij de Zodiac zijn er toch jongens die dit soort pilletjes verkopen?” Hij toonde me een handvol vale tabletjes.

Voor dat ik er erg in had werd ik meegezogen. Ik werd zijn koerier. Hij vertelde mij dat het een fluitje van een cent was, en dat bleek het te zijn. In een stortpak van de plee in de Zodiac liet ik een zak achter, gevuld met lood en pillen en een uur later haalde ik een zware zak eruit. Die droeg ik af aan Anton en hij gaf mij mijn deel en een schouderklopje. Meestal kreeg ik een forse vergoeding na elke ‘boodschap’, zoals Anton mijn diensten eufemistisch noemde. Het was een lucratieve business, dat mag duidelijk zijn. Het viel mij op dat Antons buikje verdween en dat hij zijn open, olijke blik had verloren. Eerlijk toegegeven, zelf was ik na enige tijd ook niet meer die vrolijke flierefluiter van weleer. Deze kant van de weg leverde spanningen op, of je wilde of niet.
 Soms vroeg ik hem of hij zo hard wilde worden als Walter White. En of het hem niets deed dat de jeugd verslaafd zou raken. Dan merkte Anton op dat zijn pilletjes geen kwaad konden. Die waren volgens hem niet verslavend. Alleen voor de lol.

“Ik ben geen echte crimineel. Het is sport voor mij. Ik maak geen blue meth, zoals Walter White. Neem het allemaal niet te serieus. Ik vind het gewoon spannend.” Hij lachte er niet bij en keek mij doordringend met samengetrokken wenkbrauwen aan.
Zijn bijverdiensten leverden hem na verloop van tijd een huis aan de Koninginneweg in Amsterdam op waar hij woonde te midden van beroemdheden. Af en toe bezocht ik hem thuis om de pillen op te halen. Dan belde hij mij op en fluisterde door de telefoon dat hij mij nodig had. Het appartement waar hij woonde was gelegen op de eerste etage. Over de dikke donkergrijze bekleding die het geluid van mijn voetstappen smoorde, liep ik de trap op. Daar stond hij, in de deuropening, geruit overhemd, broek met riem, gladgeschoren, metalen brilletje en een serieuze blik, hij was verdomme op die Walter White gaan lijken.

“Zo, zo, Jesse.” Hij was mij voor de grap Jesse gaan noemen. “Benieuwd hoe het met mij is gesteld?” Ik knikte en liep de kamer in. Meestal ging ik aan de lange eettafel achterin zitten waar tien verschillende eetstoelen omheen stonden. Ik heb mij meermaals afgevraagd waarom hij zoveel zitplaatsen had. Hij woonde alleen. Nooit zag ik er iemand.

De laatste keer dat ik er heengegaan was, hing er een vreemde spanning in de lucht. Het leek anders dan anders. Al was het maar omdat hij mij een drankje had aangeboden. “Pilsje?” had hij gevraagd. Ik had geknikt en trommelde met mijn rechterhand op tafel. Hij pakte een flesje Heineken uit een immense koelkast met twee deuren. Hij wipte de dop van het pijpje en zette het voor mij neer. Nadat ik de bovenkant van het flesje schoon had geveegd, zette ik het aan mijn lippen.

“Het is tijd voor de volgende boodschap,” Anton grijnsde erbij en had een sporttas met een dreun op tafel gezet. “Je moet wat voor mij wegbrengen.” 
 Met verbazing had ik erin gekeken en ik zag in plastic verpakte schoenendozen en een paar zakken met pillen. Het geheel woog heel wat. Nogmaals nam ik een slok van mijn pils. Met een klap zette ik het flesje neer, het bier gutste eruit. Vergeefs probeerde ik met een papieren zakdoekje het schuim/bier op te deppen. Met een frons had Anton mij aangekeken, en met knipperende ogen, alsof hij zelf aan de speed was.

Hij vertelde mij waar de uitwisseling van goederen voor geld zou plaatsvinden. Ik moest met de veerboot naar Eye. Net voor hij terugvoer zou iemand de uitwisseling doen. Die zou van boord gaan en ik moest terug met de pont reizen naar CS. En vooral, zei hij met nadruk, strak voor mij uit blijven kijken. “Het is dit keer dik de moeite waard.” Hij had op de tas gewezen. “Het gaat ons een kapitaal opleveren.”

Toen ik nerveus op de veerpont was gestapt, was ik van plan geweest de buit af te dragen, net als anders. Op de afgesproken plaats en tijd had een vage figuur van sporttas gewisseld. Toen ik de tas oppakte en van de veerpont liep, viel het mij op dat er een flink gewicht in zat. Ik wierp er een blik in en was verbijsterd over de inhoud. De tas was tenminste halfvol met stapels bankbiljetten. Ik realiseerde dat het zou voldoende zijn voor de rest van mijn leven. Wat zou Anton in godsnaam koken tegenwoordig, dat het zoveel opleverde?

Na enige aarzeling had ik besloten om naar Frankfurt te reizen, Ich kenne mich dort aus. Geboren en getogen in Frankfurt, jawohl. Ik zou een voorsprong hebben van een halve dag, of misschien een hele voor Anton zou bedenken dat ik er met de poen vandoor was. Niemand zou verwachten dat ik de wijk naar Duitsland zou nemen. Als ik maar eenmaal Nederland uit was, de grens over…. Van Frankfurt luchthaven zou Australië mijn doel zijn, de wildernis in, nooit meer terugkomen. Na mijn eindexamen had ik er een jaar rondgetrokken, geld verdiend, aangerommeld. Niets leek mij mooier dan bij Katherine in de Northern Territory een huis te zoeken. Niemand zou mij daar vinden. En dan kanoën door de gorges in het glasheldere water van de Katherine River. Daar droomde ik van. Geen criminaliteit meer, dat was toch nooit iets voor mij geweest.

Had ik er te gemakkelijk over gedacht? Het kreng startte nog steeds niet. En al zou die starten, hoe kon ik er langs? Zou ik vannacht hier moeten blijven tot een van die gasten besloot te vertrekken? De haren kropen overeind in mijn nek. Ik keek naar het roze varkentje dat ik in de haast op de bijrijderstoel had gegooid, nam het op en stak het in mijn zak.

Het was mijn lucky charm, ik zou er niet van scheiden. “Een varkentje brengt geluk, het is een symbool. In mijn land geven ze zo’n beestje van marsepein met nieuwjaarsdag,” hoorde ik Sybille zeggen. Prachtig was ze, maar smaak had ze niet. Het gebaar waarmee ze de sleutelhanger had overhandigd, de begeleidende kus. Waarschijnlijk zou ik haar een poos niet zien, misschien wel nooit meer. Haar lange benen, zoals ze aan kwam lopen, haar borsten, de glimlach. De woeste bos rood haar, de krullen die over haar gezicht vielen. Ik zuchtte.

Mijn mobiele telefoon ging. Ik nam op.
“Hallo?” Met een hese stem spuugde Anton door de telefoon: “Je bent een vuile flikker, een verrader. Ik ben diep, diep teleurgesteld. Dacht je dat je er mee weg kon komen? Dat je zomaar kon verdwijnen met die zak met centen? Zo werkt dat niet, jongen. Nog één minuut en dan zijn ze bij je. Dan geef je de tas braaf af. Als je rustig blijft, zullen ze je sparen.”

“Hè?” De verbinding werd verbroken. Verwilderd keek ik naar het toestel. Wat betekende dat? Eén minuut. Ik wreef over mijn gezicht en keek rond. Ik dacht koortsachtig na. Mijn belagers zouden ongetwijfeld uit de trucks tevoorschijn komen.
“Starten kreng!” zei ik hardop tegen de auto. Met beide handen sloeg ik op het stuur en nog eens drukte ik vloekend op de knop. En ineens sloeg de motor aan.
In mijn linker zijspiegel zag ik een schim uit de achterste vrachtwagen stappen, een grijze schaduw in de schaarse verlichting van de enkele straatlantaarn. Hij knipte een zaklamp aan en scheen schuin naar voren. Hij bleef staan, alsof hij op iemand wachtte. Dat zou de kerel uit de voorste truck moeten zijn, realiseerde ik mij.

Plotseling voelde ik een ondragelijke druk op de borst, ik hoestte en trok mijn jas losser. Godver… dit kon ik niet gebruiken, lucht moest ik hebben. Onbehouwen reed ik een stukje achteruit en knalde tegen de voorbumper van de vrachtwagen. De man draaide zijn zaklamp omhoog en scheen vol in mijn spiegel. Een schot en het breken van glas, mijn achterruit was aan stukken. Ik dook zo laag mogelijk weg en probeerde mijn ogen voor het verblindende licht te beschermen. Met een ruk aan het stuur stak ik vooruit mijn parkeerplaats uit. De rechterkant van de carrosserie haakte aan de rand van de voorste oplegger. Het metaal kraakte alsof het scheurde.

Ik gaf plankgas. Voor mij dook plotseling een forse vent op. Hij leek mij verbaasd aan te kijken voor zijn gezicht tegen de ruit sloeg en hij rolde vervolgens rechts van de motorkap af. Weer klonken er schoten achter mij. Met klamme handen aan het stuur en naar adem happend, reed ik in vliegende vaart de Autobahn op. De achterruit en de voorste zijruit waren aan diggelen. Korrels glas bedekten mijn schoot. Tot mijn verbazing bleef de auto rijden al had ik het gevoel dat mijn rechtervoorwiel niet goed spoorde. Mijn ademhaling ging met horten en stoten. Diep in- en uitademen! Voel de buik! Ik herhaalde oefeningen die mijn fysiotherapeut had voorgeschreven.

Er reed bijna niemand op de weg. Ik had geen idee hoe slecht mijn achtervolgers er aan toe waren. Zouden ze opgekrabbeld zijn en de trucks in gang hebben gebracht? Waarom had ik snel rijk willen worden? Hoe had ik kunnen denken dat ik er ongestraft vandoor zou kunnen gaan?

Op een parkeerplaats aan de Hohestrasse in Offenbach zette ik mijn auto. De rechter zijkant van de wagen was opengereten alsof het een conservenblik was dat met een ouderwetse blikopener gemarteld was. Het was stil op straat. Van het plein was het tien minuten lopen naar het station, daar ging elk kwartier een trein naar het vliegveld van Frankfurt. Ik hoopte dat het niet was veranderd en dan nog een goed half uur naar de luchthaven. Nog natrillend haalde ik een stapeltje bankbiljetten uit de tas en deed ze in mijn binnenzak. Mijzelf tot kalmte manend liep ik naar het station.

Op het perron stond een aantal mensen. Een groepje jonge mannen met sporttassen. Wellicht hadden ze een uitwedstrijd gespeeld. Zo rustig mogelijk bleef ik staan, al klopte mijn hart minstens 110 in een minuut. Het leek of ik bij hen hoorde.

Op het vliegveld boekte ik een enkele reis businessclass naar Sydney, die ik contant betaalde. De Qantasmedewerkster gaf geen krimp. Alsof ze altijd al aan het witwassen was geweest. Daarna schafte ik een stapel boeken aan en een leren reistas. Op de WC ontdeed ik de boeken van het binnenwerk en vulde ze op met bankbiljetten. Toen merkte ik het zendertje op, vast geplakt op de bodem van de tas. Vandaar dat Anton mij zo snel had gevonden!

De boeken legde ik keurig op elkaar op de bodem van de tas. Daarna liep ik naar een herenmodezaak. Daar schafte ik een colbert aan, broeken en overhemden, ondergoed en een stropdas. Een deel van die kleren deed ik meteen aan. De rest legde ik bovenop de boeken. De verkoper was allervriendelijkst en nam mijn geld met een lichte buiging aan. Grote bedragen cash geld was ook voor deze man blijkbaar niets bijzonders. Het werd tijd om door de douane te gaan. Rustig liep ik door alle controles.

Mijn tas ging door de scan. Het zou alles of niets worden. De beambte staarde naar de inhoud. Ik liep door de poort. Niks piepte, niks werd nog eens grondig bekeken. Er bleek geen behoefte om mij te fouilleren. Ik kon bijna niet geloven, dat het zo gemakkelijk ging. Aan de andere kant deed ik mijn portefeuille weer in mijn zak, mijn horloge en mijn riem om. Nonchalant pakte ik mijn handbagage op. Bijna was ik gaan juichen zoals een voetballer doet na een doelpunt, maar ik hield zelfs mijn gezicht in de plooi.

In het vliegtuig propte ik mijn leren reistas in de bagageruimte direct boven mijn hoofd. Een jonge vrouw, met rode krullen en een bleke huid, kwam naast mij zitten en glimlachte. Ze had een leesboek in de hand. “Hi,” zei ze. Een Britse leek mij. Ik groette terug. Dat hadden Anton en ik gemeen: onze voorliefde voor red heads. Ik glimlachte bij de gedachte.

Het toestel vertrok volgens schema. Boekjes met de taxfree producten werden rondgedeeld. Op een scherm toonde iemand hoe je een reddingsvest om moest doen. Een warm gevoel trok door mijn lijf. Een stewardess met een blonde paardenstaart en een gaaf gebit schonk een dubbele whisky voor mij in. Uitgelaten proostte ik met mijn buurvrouw die ook een glaasje nam. Ze lachte naar mij. Wat een bittere smaak had deze scotch. Een vreemd merk zeker. Ik sloot mijn ogen. Ik had het geflikt, ik was rijk. Het zou mij aan niets ontbreken in mijn nieuwe vaderland en ik dommelde in.

“U moet nu echt het vliegtuig verlaten,” hoorde ik vaag en ik voelde iemand aan mij schudden.
“Huh?” zei ik.
“We zijn er, u moet uitstappen.” Ik wreef over mijn ogen en voelde aan mijn voorhoofd. Nog nooit had ik zo’n kater gehad van één dubbele whisky. “Kom, opstaan, had u nog handbagage bij u?” Ik knikte en keek omhoog.

De klep van de bak stond wijd open. “Weet u het zeker?” vroeg ze.


Femmy Fijten
Over Femmy Fijten 122 Artikelen
Femmy (Lagerwaard) Fijten (Schiedam 1953, †Arnhem 20-07-2017, groeide op in Den Haag en studeerde biologie in Leiden. In 2010 heeft ze van het levensverhaal van haar oom een roman gemaakt. Dat is Terug naar Bandung geworden. Ze heeft daarvoor een reis naar Indonesië gemaakt en heeft zich verdiept in de geschiedenis. De Arnhemse uitgeverij Nieuwe Druk heeft het boek in 2013 gepubliceerd. Haar tweede roman is een logisch vervolg op haar eerste: Vaarwel Soerabaja is uitgekomen in oktober 2015. Het verhaal speelt zich weer in Nederlands-Indië af. Femmy voltooide haar derde en laatste roman, In het spoor van Birma, kort voor haar overlijden. Dit zeer persoonlijke boek verscheen september 2017 eveneens bij Nieuwe Druk. Daarnaast schreef Fijten korte verhalen. In maart 2013 is de Verhalenbundel Niets is wat het lijkt uitgekomen bij Fenisko, waarvoor een van haar korte verhalen is geselecteerd, nl Maxima cum laude. In december 2013 is de verhalenbundel Lezen en laven uitgekomen, een selectie van Ton van Eck en Femmy Fijten, weer bij Nieuwe Druk met daarin haar verhaal Ocean Spirit. Bij dezelfde uitgeverij eveneens door Van Eck en Fijten geselecteerd, de verhalenbundel 'Arnhem met een scheve blik', met twee verhalen van Femmy. Wrange vruchten I en II.

3 Comments

  1. Leuk, Chris, dat je het een mooi verhaal vindt. Altijd goed om te horen.
    Denk nog over een vervolg…

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.