Exit 2015. Nederland: Ambrosia, een kerstverhaal (2)

Ergens in dit vaag spiegelende universum moet een bestemming zijn.

 

 

Exit 2015, Rob Verschuren, Ambrosia 2

 

 

‘Waar woon je?’
Hier denkt ze een tijdje over na. Dan zegt ze: ‘Kom,’ en begint te lopen. Café Schraven staat op de hoek van een laan met jaren ’30 huizen van het twee-onder-een-kap principe.

We lopen langs erkers en gepensioneerdenvoortuintjes met lage smeedijzeren hekjes, de meeste vers geschilderd. Het trottoir is blinkend schoon en zonder een sprietje onkruid tussen de tegels; alleen waar het asfalt de trottoirband ontmoet, liggen natte bruine bladeren, op elkaar geplakt en bezig te verteren. Een auto draait achter ons de laan in en accelereert zijn lichtbundels achterna. De misthoorn van een olietanker doet ons allebei opzij springen, dan spuit hij claxonerend voorbij, gevolgd door een mist van druppels als de staart van een komeet, Boris Heikneuter met opgestoken middelvinger achter het sportstuur van een gele Mazda.

‘Van hetzelfde en beterschap,’ mompel ik, maar mijn hart is er niet echt in. Ik wil hier niet met de vrouw lopen, in het koude licht van de straat. Ze draagt een goedkoop fleece-jack. De groene rafels van haar trui hangen eruit. Haar pindakaaskleurige haar lijkt geknipt door een gestichtskapper, haar ogen zijn bol en staan te ver uit elkaar, kamelenogen. Dat was me niet eerder opgevallen en ik heb de hele avond in haar ogen gekeken. Ik loop naast haar maar ook achter haar. Schuin naast haar misschien. Ze zingt zachtjes, een song uit de puberteit van de mensheid. ‘I dreamed I saw the silver spaceships fly in the yellow haze of the sun.’

‘Purple haze,’ zeg ik, ’purple haze, purple haze, purple haze.’ Ik zeg het steeds harder.
Ze houdt op met zingen, kijkt me aan. ‘Wat is dat?’
‘Paarse haas. Wij aten altijd haas met Kerstmis. Of konijn.’

Wezens die nooit de zon hebben gezien

Voor ons trekt een oude man onder een geruit hoedje een modderkleurige hond over het stilstaande water van het trottoir. We halen ze moeiteloos in, de man en de hond, waarvan de uiterste aaibaarheidsdatum verstreken is. De laan eindigt op een T-splitsing. Aan de overkant is een bos of verlopen park van beuken en paardekastanjes en rhododendrons. In een winternacht heeft het wel iets weg van natuur.

Voor een afvoerputje in de trottoirrand ligt een plas water. Ze gaat op haar hurken zitten en tuurt in het putje dat grotendeels verstopt is met bladeren. ‘Zo triest,’ zegt ze. ‘Wist je dat daar beneden bijna-menselijke wezens leven die nooit de zon hebben gezien? Alle geaborteerde foetussen leven daar, onder onze wereld. Zo triest. Maar op een dag zullen ze naar boven komen om de boel hier over te nemen.’

Ik zeg dat ik dat niet wist en vraag of ze in deze straat woont. Ze antwoordt niet, maar komt overeind en loopt het bos in. Ik volg, schuin naast haar. Mijn suède schoenen zuigen het water uit het gras. Haar gymschoenen zijn van een onbestemde lichte kleur. Ik volg ze in het donker. Ze lijkt de weg te weten. We komen het bos uit en aan een nieuwe laan. In de bosrand staat een bankje onder een lantaarnpaal. Ze veegt met haar mouw een hoekje droog en gaat zitten. Ik kijk neer op haar noodlottige kapsel en ga op de andere hoek zitten, een meter nat hout als een grensrivier tussen ons in.

Ze buigt zich voorover en raapt twee kastanjes uit het gras. Ze legt ze op het bankje en streelt ze met haar rechter wijsvinger. ‘Charlotte en Jada,’ zegt ze.
‘Ga je me nog voorstellen?
‘Mijn dochtertjes.’

Haar haar glanst vettig in het licht van de straatlamp. Ik kan de Zeemanlucht van haar fleece ruiken. ‘Wat zit je dan de hele avond te leuteren over een konijn als je twee dochtertjes hebt?’ Ze veegt de kastanjes van het bankje. Ze vallen in het natte gras zonder geluid te maken, als een kus op een half geopende mond. Ze legt haar handen in haar schoot en staart voor zich uit. Aan de overkant van de straat staat een grote witte villa achter een smeedijzeren hek met Dorische zuilen. Achter de glas-in-lood ruitjes boven de voordeur brandt licht.

Exit 2015, Rob Verschuren, Ambrosia 2Ik wil mijn arm om haar heen slaan en haar hoofd op mijn schouder trekken en haar vertellen dat de Verlosser op het punt staat geboren te worden. Het begint te regenen. Ze staat op en trekt de rits van haar fleece omhoog tot aan haar kin. Dan steekt ze de straat over. Bij de poort van de witte villa kijkt ze over haar schouder. ‘Kom,’ zegt ze zacht, maar hard genoeg om te verstaan op kerstavond in de kou. We lopen de ingang voorbij en slaan een hoek om. Hier ligt een moestuin, opgeruimd en omgespit voor de winter. Een glazen kasje en een enkele rij winterprei. Ze loopt dwars door het braakliggende perk en ik loop achter haar aan. De volgezogen kluiten barsten onder mijn schoenen als de zwarte eieren van een groot en onbeschreven weekdier.

Ze staat ze stil en steekt haar hand onder een smal raam. Het verweerde raamwerk komt een stukje naar buiten. Ze trekt het raam helemaal open en klimt naar binnen. ‘Wacht,’ zegt ze als ik mijn knie op de rand hijs. Een deur gaat open en licht van de gang valt het vertrek binnen. Ik werk me door de opening en kijk om me heen. We staan in een bezemkast. Tegen een muur leunt een stellingkast met stapeltjes dweilen en stofdoeken en wc-eenden en plastic flessen en spuitbussen en een kartonnen doos waaruit de vingers van een paar rubber handschoenen hangen. Ik stap over een roestvrijstalen stofzuiger van industrieel ontwerp en een 20-litervat met wat eruit ziet als een ernstig schoonmaakmiddel. Ik vraag me af wat voor kleur ik de inhoud, die door het witte plastic zichtbaar is, zou noemen als ik het een kleur moest noemen. Roestpaars bij benadering.

Nietzsche was hier reeds

Achter haar aan ga ik de gang op.Vijf meter verder is een branddeur. Daarachter meer gang. We zijn nu de villa uit en in een soort functionele nieuwbouw. Ik krijg de neiging om te sluipen. Het is een gang voor pantoffels, niet voor schoenen. Aan één kant zijn ramen waar de regen tegenaan slaat, zwarte ramen, waarachter alleen wat takken te zien zijn. Aan de andere kant deuren met nummers. Achter nummer 11 zingt iemand Jingle bells. Het klinkt alsof het van ergens heel diep komt en ik kan niet horen of het een man of een vrouw is die zingt. We komen langs een deur waar WC op staat. ‘Ik moet naar de wc,’ zeg ik. Wanneer ik boven de pot de rits opentrek krijg ik het plotseling warm. Mijn voorhoofd begint zweetdruppels persen. De tegels draaien, ze komen naar me toe. Ik kijk strak naar de muur. Op ooghoogte heeft iemand in beverige blauwe balpenletters een tekst gekrast. ‘Nietzsche was here’ staat er.

Deze mededeling laat ik inzinken. Het meeste is naast de pot gekomen, zie ik als ik de zaak weer opberg. Hier ligt morgenvroeg een mooie taak voor de paarse tornado uit de bezemkast. Aan het fonteintje wrijf ik water over mijn gezicht zonder in de spiegel te kijken. Ze staat voor een raam in het zwart te staren, waar alleen wat takken te zien zijn. We lopen verder. Het is ongewoon warm in de gang, maar mijn voeten zijn koud in mijn natte schoenen. Voor een deur zonder nummer staat ze stil en luistert met haar oor tegen het hout.
‘Hoor je stemmen?’ zeg ik. Ik fluister, ik kan het niet helpen.

Ze kijkt me aan. Weer dat vermoeden van een glimlachje. ‘Al vanaf mijn kindertijd, het wordt pas serieus wanneer je ze begint te zien.’

Ze duwt de deur open. De ruimte wordt alleen verlicht door een bordje waar UIT op staat, hoog op de tegenoverliggende muur, dan vindt ze een schakelaar en ik zie dat we in een soort huiskamer staan. Alle stoelen en tafels, en het zijn er nogal wat, zijn van lichtgekleurd beukenhout. De stoelzittingen zijn bekleed met een lindengroen materiaal dat geen leer is. Er zijn beukenhouten kasten met dichte deurtjes. Nergens een teken van bewoning. Geen boeken, geen tijdschriften, geen lege glazen of koffiekopjes of een vergeten bol breiwol in een hoekje van de bank. De vloer is van een materiaal dat geen linoleum is maar een industriële variant en heeft de kleur van een stationsurinoir in een ontwikkelingsland. Op de bar voor het beukenhouten keukenblok liggen vier roestvrijstalen asbakken omgekeerd op een dubbelgevouwen theedoek.

Een liefdeloze boomExit 2015, Rpb Verschuren, Ambrosia 2

Voor de gordijnen, die een wand praktisch helemaal bedekken, staat een kerstboom. Ze loopt erheen en doet iets met een snoer dat op de grond ligt. In de boom gaan speldeknopgrote lichtjes branden. Ze kijkt ernaar, ze lijkt mij vergeten. De boom is van kunststof en te klein voor de ruimte. Behalve de lichtjes hangen er wat pakjes in en goudkleurige ballen. Alle ballen zijn hetzelfde. Geen piek. Het is een liefdeloze boom. Een boom die elk jaar op 2 januari opgetuigd en al wordt weggezet in een af andere loods of magazijn.

Ik ga achter haar staan. Ik heb nu veel medelijden met haar en denk dat ik van haar hou. Ze draait zich niet om. Ze blijft naar de boom kijken alsof de appel van het Aards Paradijs aan een van de droevige imitaties van dennetakken hangt. ‘Thuis hebben we echte kaarsjes,’ zegt ze, heel laag en bijna onverstaanbaar, en plotseling weet ik wat ik moet doen om de verlossing te brengen die in de sterren geschreven staat sinds die heldere, koude nacht boven Bethlehem, tweeduizend jaar geleden, maar die nog steeds niet over de mensen is neergedaald. Ik graaf mijn aansteker uit mijn zak en houd hem onder een pakje. ‘Ik zal je echte kaarsjes geven,’ zeg ik. Het pakpapier is rood en goud. Het wordt snel zwart. De vlammetjes klimmen de tak in en het plastic smelt en brandt met fabelachtig mooie blauwe en groene en roodoranje tongetjes.

Ik sla mijn armen om haar fleece en fluister in haar droevige haar: ‘Ambrosia.’ Zo staan we wanneer het brandalarm begint te gillen en de deur wordt opengegooid en onbeschoft luidruchtige mensen binnenkomen die dingen schreeuwen die ik niet versta in de Sirenenzang van het alarm: ‘Kom dan. Kom bij me in de diepte, kom.’

Rob Verschuren
Over Rob Verschuren 47 Artikelen
Een half leven lang op weg naar het Zuiden, heeft Rob Verschuren via België, Frankrijk en India in 2009 Nha Trang, Vietnam bereikt. Nu hoeft hij niet meer verder. In zijn hangmat aan de Zuid-Chinese Zee schrijft hij reclame voor klanten en fictie voor zijn plezier.