Exit 2015. Nederland: Ambrosia, een kerstverhaal (1)

Exit 2015, Rob Verschuren, Ambrosia, café SchravenAmbrosia, een kerstverhaal

‘In die dagen waren de morele waarden laag en was de lust naar alcoholische drank buitensporig groot,’ zeg ik tegen de vrouw waar ik naast ben gaan zitten aan de bar van Café Schraven. Ze kijkt me aan. In haar ogen zie ik kerstlichtjes, verder niets. ‘Geloof je in God?’
Er trekt iets aan haar mond dat een flauw glimlachje zou kunnen zijn. Of verre familie van een flauw glimlachje. ‘Maar God gelooft niet in mij,’ zegt ze.
‘Trek het je niet aan. God bestaat niet. Dat heb ik eens ergens gehoord. Of gelezen.’
‘God is dood.’
‘O ja? Ik wist niet dat hij ziek was.’

Ik buig me over de bar en zuig de kop van mijn kelkje. Kijk, mama, zonder handen. Als ik weer recht kom, kijkt ze me nog steeds aan. Met dezelfde lege ogen. Ik ga er eens goed voor zitten en steek een vinger op: ‘In een test om de effecten van alcohol op creatief schrijven te meten, namen mannelijke sociale drinkers deel aan een schrijftaak. Een aantal met een flinke slok achter de knopen – 1.1. milliliter ethanol per kilogram lichaamsgewicht – anderen met een placebo. Intra-individuele vergelijking toonde een significant grotere hoeveelheid creatief schrijven aan onder invloed van alcohol.’

‘Ben je schrijver?’
‘Deze resultaten lijken de overtuiging dat alcohol een writer’s block kan verminderen te ondersteunen. Bij niet-alcoholische individuen van het mannelijk geslacht tenminste. Goeie vraag.’
‘Heb je een blog?’
‘Block. Een writer’s block. Dat is als je niet kunt schrijven.’
‘Angst voor het witte vel,’ helpt Lea, die achter de bar staat mee te luisteren.
‘Heb je een blok?’

Ik drink mijn jenever en wacht tot Lea naar de bierpomp wordt geroepen. Dan draai ik me een kwartslag op mijn kruk zodat ik de vrouw recht aan kan kijken. Ze draagt een voornamelijk groene, mogelijk zelfgebreide trui met gerafelde mouwen.

‘Je hebt onze Lea gehoord,’ zeg ik. ‘Angst voor het witte vel. Waar huishoudschool en de LOI-cursus horecabedrijf al niet goed voor zijn. Maar het is niet het witte vel waar ik bang voor ben. Het is de zwarte bladzijde.’ Niets in haar ogen, al blijft ze me aankijken. ‘Elk verhaal is al geschreven. Op elke bladzijde staan alle verhalen. Helemaal zwart van de verhalen zijn de bladzijden in mijn schrift. Schrijven is wegkrassen. Net zolang krassen tot er overblijft wat je wilt vertellen. Veel wit, zodat je woorden kunt onderscheiden. Alleen de woorden die mogen blijven natuurlijk. Maar wat moet weg en wat mag blijven? Alles wil in het verhaal. Alles. Je zit naar die zwarte bladzijde te staren en je weet niet waar je moet beginnen dus je gaat een eindje wandelen. Je ziet een verkeersbord, voetgangers oversteken, hoe raak je dat kwijt voor het je verhaal binnensluipt en je er niet meer vanaf komt? Of er is een schrijfwedstrijd, nog erger. Er moet een pot of blik gele verf in heeft de een of andere joker bedacht. Natuurlijk doe je daar niet aan mee, maar die pot of dat blik wil nu in je roman. Met gele verf of groene, je weet nooit hoe die dingen zich ontwikkelen. Neem nou die palooka daar in de hoek. Weet je wat dat is, een palooka?’

Ze kijkt naar de man die ik aanwijs. Hij zit alleen aan een tafeltje voor het raam. Achter het raam regent het. Hij kijkt naar de sanseveria op de vensterbank of naar zijn spiegelbeeld. Boven de sanseveria hangt een rood kartonnen kerstster met binnenverlichting. Hij heeft een kelkje voor zich staan, net als ik. Hij lijkt vijftig en nog wat en postzegelverzamelaar.  ‘Nee,’ zegt ze.

‘Een loser. Een niemand. Naar Joe Palooka. Dat was een trage, domme bokser uit een strip. Palooka’s gaan gewoonlijk in de eerste ronde neer tegen onbekende jonge boksers. Blik tomaten, dat is een andere naam voor palooka’s. Ze krijgen klappen, bloeden en verliezen.’

Ze kijkt me nog steeds aan. Haar bovenlip steekt iets over haar onderlip uit. Hij heeft een leuk cupidoboogje, haar bovenlip.

‘Die pot of dat blik verf, daar kom je niet meer vanaf,’ ga ik verder, ‘dus je besluit om de heetste sexscène te schrijven die ooit geschreven is. Met al dat gedoe en gebonk waar de moderne leesboeken vol mee staan. Maar wat je eigenlijk moet opschrijven, wat mag blijven staan tussen het wit, is het uitzicht op een piepklein stukje beginnende bilspleet, wanneer ze bukt om haar laarsjes dicht te ritsen en haar topje omhoog kruipt, omlaag dus eigenlijk, terwijl de band van haar jeans wat van haar rug wijkt en het haar langs haar gezicht valt, de boog van de wang ronder nu haar hoofd naar beneden hangt. En zeg niet, je kunt het later toch doorstrepen wat er teveel is aan gedoe en gebonk, want een woord dat je schrijft blijft altijd, al streep je het duizend keer door, al streep je het zo hard door dat je vloeibaar papier uitsmeert over de ruitjes van de bladzijde eronder, in een vieze blauwe veeg, of een zwarte veeg als je de voorkeur geeft aan zwarte inkt, wat ik dus niet doe, en alles wat je verder schrijft wordt door dit woord beïnvloed. Daarom durf ik niets meer te schrijven.’

Zo duidelijk heb ik het nog nooit onder woorden gebracht. Ik pak mijn kelkje op en kijk haar aan over de rand.
‘Zit je te bullshitten? zegt ze.
‘Ik heb geen idee.’

Agressieve kerstlichtjes

Of misschien ook wel. Café Schraven is zichzelf niet vanavond. Exit 2015, Rob Verschuren, Ambrosia 1Met die agressieve kerstlichtjes. En de gepatenteerde lulhannes die aan de fruitmachine op en neer staat te springen en geluiden te maken. Ik heb hem hier nog niet eerder gezien. Nu moet ik hem wel zien, want hij staat recht achter de vrouw, die ik in de ogen probeer te blijven kijken terwijl ik tegen haar praat. Kerstavond brengt rare vogels met zich mee. De vrouw ook, maar die is oké, denk ik. Ze luistert. Ik mis een biljart of een flipperkast. Dat heb ik al vaker bij Lea aangekaart. Beetje spelen terwijl je langzaam volloopt, eenzaam maar niet alleen, net als koningin Wilhelmina. Maar niet op een fruitautomaat. Draaiende citroenen boeien me matig, nuchter of dronken. Ik wenk Lea en wijs op mijn glas. Dat is onder het praten op een of andere manier leeggeraakt. ‘En jij?’ vraag ik.

’Ik heb een konijn,’ zegt ze.
‘Gefeliciteerd. Ik bedoel eigenlijk wat drink je?’
Ze drinkt cola.
‘Je hebt een konijn?’
‘Een rammetje. Vroeger kwam hij bij met liggen als ik op de bank zat. Hij sprong zelfs bij me op schoot. Nu negeert hij me. Ik zorg altijd voor speeltjes in zijn hok. Een hooiballetje of een gevuld wc-rolletje. Maar hij komt geen aaitje meer halen. Wat zou dat zijn, denk je? Is het de leeftijd of houdt hij niet meer van me?’
‘Wij aten altijd konijn met kerst.’

We zwijgen een tijdje zonder iets te zeggen. Ik kijk het café rond. Tafeltjes met beukenfineer, pluchen kleedjes, de gasten geruststellend lelijk, alles zoals het hoort behalve de kerstversieringen. Godzijdank heeft iemand vorige week een glas bokbier over de cd-speler leeggegooid zodat hij in de reparatie is en we niet hoeven te luisteren naar kerstliedjes. ‘And so this is Christmas and what have you done, another year over.’

Of van die acceptgiromuziek. ‘There won’t be snow in Africa this Christmas time.’ Kun je mij een debielere tekst aanwijzen? In de binnen- of buitenlandse literatuur? Om zo je geld te moeten verdienen. Ik zou het ook weggeven aan een goed doel. Songwriters Anonymous of zo. Er gebeurt iets bij de fruitmachine. Nu maakt niet alleen de lulhannes geluiden, de kast ook. Lea komt achter de bar vandaan om de schade op te nemen. De eikel heeft de jackpot gewonnen, hoor ik. Dergelijk nieuws reist snel in een café.

De nouveau riche trekt aan de bel en roept: ‘Rondje voor de bar,’ overbodig, want hij heeft al aan de bel getrokken, en breidt dit aanbod, wanneer hij met zijn grijnzende boomkikkerhoofd rondkijkt en de eenzame postzegelverzamelaar bij het raam opmerkt, uit tot: ‘Voor het hele café,’ zo’n man is het wel. Hij komt bij ons staan om te proosten. ‘Boris Nijkeuter,’ zegt hij met geheven bierglas. Hij richt zijn aandacht op de vrouw.
‘Hoezo?’ vraag ik.
‘Hoezo?’ Een snelle blik opzij. ‘Mijn naam, gewoon.’
‘Sorry, maar kun je dat nog een keer zeggen?’
‘Boris Nijkeuter.’
‘Boris ….?’
‘Ja, Boris.’
‘Nee, ik bedoel Boris hoe?’
‘Nijkeuter.’
‘Hoe schrijf je dat?’
Nu kijkt hij me recht aan. ‘Nij met een lange ij, keuter.’
‘Boris Nijkeuter dus,’ zeg ik. Het begint hem te dagen. Hij draait zich om en gaat ergens anders zijn overwinning op de citroenen vieren.

Konijn Willem en Ambrosia

‘God is een tuinkabouter,’ zegt de vrouw.
Ik kijk haar eens goed aan. Haar ogen blijven leeg, ik kan erin leggen wat ik wil. ‘Drink jij nooit iets anders dan cola?’
‘Ik neem medicijnen.’.
‘Dat is geen probleeem zolang je geen bijsluiters leest.’
‘Mijn konijn heet Willem.’

Dit moet ik even verwerken. ‘Mijn block heet Ambrosia. Ze praat tegen bomen, ze praat tegen vogels, ze praat tegen regenbogen. Ze praat niet tegen mij. Ze draagt jurken met bloemetjes die tot haar knieën vallen en de armen bloot laten. Maar waarom draagt ze alleen maar jurken met bloemetjes? Ze is Rock & Roll’s Original Bad Girl. Hoe kan ze dan jurken met bloemetjes dragen en tegen regenbogen praten? Dat doet zo’n meisje toch niet gauw?

Ze is 30 % hoer en 30 % godin. Dat kan heel goed samengaan, weet je? En 40 % iets waar nog geen naam voor is. Maar hoe rijmt dat met haar gewoonte om Marsrepen te eten, waar ze eerst met haar snijtanden de harde korst van afbijt, rondom, heel zorgvuldig, de bovenkant is een beetje geribbeld, voor het oog, het oog van de Marseter wil ook wat, dat hebben ze heel goed begrepen bij Mars, en dan het zachte binnenste naar binnen zuigt, die caramelachtige kleefstof? En zijn haar tandjes klein en scherp? Ik denk van wel, maar moet ik dat gaan vertellen of is het een cliché? En glanzen ze vochtig als ze er met haar tong overheen strijkt, die kleine, scherpe tandjes van haar?’

‘Ambrosia,’ zegt ze.
‘Of Paula, of Vera of Anastasia, ik ben er nog lang niet uit.’ Nijkeuter staat weer voor de kast. ‘Jij nog iets drinken?’
‘Ik krijg er zo’n dunne kont van.’
‘O?’
‘Als ik drink met mijn medicijnen. Dan kan ik geen eten binnenhouden.’
‘Dat is niet zo mooi.’
‘Nee.’

Chaos op chaos

Ze hoeft ook geen cola meer. Lea schenkt mijn kelkje vol. Ik zuig de kop eraf. Kan deze vrouw Ambrosia zijn, een simpele, bruikbare Ambrosia, of is de avond al vijandig geworden en bezig nieuwe chaos te stapelen op de chaos waaruit ik probeer te onstnappen, terwijl ik aan alles twijfel, bijvoorbeeld of chaos stapelbaar is. Ze kijkt weg. In de Leffe spiegel achter de bar denk ik iets in haar ogen te zien. Droefheid.

Exit 2015, Rob Verschuren, Ambrosia, café Schraven

Ik kijk waar Lea uithangt. Ze staat de palooka bij te schenken uit de literfles Bols. Ik reik over de bar en grijp het kindeke Jezus uit zijn kribje in het kerststalletje waarmee Lea de lege plek van de cd-speler heeft opgevrolijkt. Het is een klein stalletje en Jezus is echt een heel klein mannetje met een microscopisch lapje om zijn kontje. Ik doop hem in mijn kelkje en leg hem terug in zijn warme bedje.

‘Benieuwd of zijn moeder merkt dat hij gezopen heeft.’
‘Als hij gecastreerd is, komt er een vrouwtje,’ zegt ze.
‘Heel verstandig. En dope?’
Ze kijkt me aan.
‘Hasj, marihuana, pilletje E, doe je ook niet aan?’
‘Vroeger.’ Dat woord maakt haar plotseling jaren ouder.
‘Ik gisteravond nog. Ik keek naar mijn handpalm en daarin stond getatoeëerd: The product is manufactured by the purity of Japan high technology. Ik heb het opgeschreven. Toen heb ik het doorgestreept, maar het is er nog steeds.’

Tafelbier‘Laatste rondje mensen. We gaan sluiten. Kerstavond,’ zegt Lea. Lea is de belangrijkste reden dat ik in Café Schraven kom, met haar grote zachte borsten van paarse pluiswol, vanavond tenminste, en haar positieve, zij het oerdomme kijk op levensvragen van uiteenlopende aard, maar dit is een rotstreek. Een uur eerder dan normaal. Net nu ik warme gevoelens begin te krijgen voor de vrouw naast me en overweeg haar hand te pakken die de hele tijd hiërogliefjes tekent op het beukenfineer van de bar.

Terwijl ik zwijgend het geschuif en geronk van vertrekkende gasten en hun opgewekte afscheidswoorden en kerstwensen over me heen laat gaan, drink ik mijn laatste rondje. Dan staan we op de stoep en het warme badwater van Café Schraven bevriest op mijn huid en het ijs breekt en valt in scherven en splinters op de trottoirtegels. Het regent niet, maar de tegels en het asfalt en de zwarte stammen van de beuken zijn nat en glanzend.

Ergens in dit vaag spiegelende universum moet een bestemming zijn.

 

Rob Verschuren
Over Rob Verschuren 47 Artikelen
Een half leven lang op weg naar het Zuiden, heeft Rob Verschuren via België, Frankrijk en India in 2009 Nha Trang, Vietnam bereikt. Nu hoeft hij niet meer verder. In zijn hangmat aan de Zuid-Chinese Zee schrijft hij reclame voor klanten en fictie voor zijn plezier.

1 Comment

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.