In het Existentialistische Café

Antonin Cee, Existentialistische Café

Niet dat ik er niet door gebeten ben, al is de beweging nu zo dood als een pier. Toen ik enige tijd geleden bij Kinokuniya, een van de grote boekwinkels van Bangkok, op het boek ‘At the Extentialist Café’ stuitte, kocht ik het meteen. Daarin tekent Sarah Bakewell het verhaal van de existentialistische verbeelding zoals die opgang maakte in de vorige eeuw.
Evidente hoofdrolspelers zijn natuurlijk Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir. Maar natuurlijk komen ook Albert Camus, Maurice Merleau-Ponty en Raymond Aron, een jeugdvriend van Sartre waar hij later mee brak, veelvuldig aan bod.
En uiteraard maakt het boek ruim mentie van het werk van de Duitse fenomenologen Edmund Husserl, Martin Heidegger en Karl Jaspers, de bevruchters van de existentialistische beweging.

Antonin Cee, Existentialistische Café, Sarah Bakewell
Sarah Bakewell

Sartre werd bleek toen hij het hoorde

Bij de Toby Jug op Silom zette ik me neer en begon er meteen aan. The Toby is in het beton van Bangkok een van de weinige cafés met een terras en kan met enige existentialistische verbeeldingskracht vergeleken worden met Café de Flore in Parijs, waar Sartre zich veelvuldig ophield.
Als ze het op de dranklijst gehad hadden, zou ik een abrikozencocktail besteld hebben. Want dat was wat Sartre en Beauvoir dronken – zo vertelt Bakewell- toen hun kameraad Aron ze vertelde van de nieuwe filosofische wegen die de Duitse fenomenologen onder aanvoering van Edmund Husserl waren ingeslagen.

Aron kwam net uit Berlijn waar hij met deze nieuwe richting had kennisgemaakt. Beauvoir zou later schrijven dat Sartre bleek werd toen hij er van hoorde. Misschien zowel van opwinding als van angst dat anderen hem voor waren geweest.
Want, zo had hij zijn vrienden al verschillende malen laten weten, hij zat te broeden op en nieuwe ‘destructieve’ filosofie. Aangezien hij zelfs nog niet wist welke vorm die zou moeten krijgen, bleef hij er verder wat vaag over.

Alles uit het verleden blijft doorwerken

Volgens de Beauvoir, al moet die soms met een korrel zout genomen worden, spoedde Sartre zich naar de dichtstbijzijnde boekwinkel en kocht daar alles wat ze er over fenomenologie hadden en begon meteen te lezen.
Net zoals ik dat boek van Bakewell, dat ik later in mijn hotelkamer uit puur sentiment in één ruk uitlas. Want zoals bij veel mensen van mijn generatie, de voortbrengselen uit die tijd kietelen me nog steeds.

Volgens Hegel van wiens filosofische vondsten Beauvoir veelvuldig gebruik zou maken, blijft in elk heden alles aanwezig wat de geschiedenis voorheen in de wereld heeft gegooid om te worden opgenomen in een ruimer verband. Dat is wat hij noemt de dialectische beweging. Je kunt het ook historisch karma noemen. Het zou door Marx gebruikt worden om het historisch materialisme te poneren, waarmee hij op pseudo-wetenschappelijke wijze de klassenstrijd uitbeeldt die onontkomelijk zou leiden tot de suprematie van het proletariaat.

Antonin Cee, Existentialistische Café, Sartre en de Beauvoir
Sartre en de Beauvoir

Er ontstond een nieuwe hartstocht

Zoals Bakewell schrijft: ‘Existentialistische ideeën en houdingen zijn zo prominent aanwezig in de huidige cultuur, dat we ze niet langer als zodanig herkennen’. Dat zou bijvoorbeeld blijken uit de manier waarop gediscussieerd wordt over zaken als onbehagen, kwade trouw, de angst zich politiek te engageren en integriteit. Het zijn belangrijke termen uit het existentialistische vocabulaire.
‘Mensen voelen zich overstelpt door de excessen van de consumptiemaatschappij en alsof ze alle controle kwijt zijn. Er is dat vage verlangen naar een meer authentiek leven’. Dat laatste is eveneens een term veelvuldig gebruikt in het existentialistische jargon.

Zonder een causaal één op één relatie te willen leggen, er zijn een aantal gebeurtenissen uit de jaren zestig, zoals de Parijse studentenopstand van ’68, de bezetting van het Maagdenhuis, de Praagse Lente, maar ook de Love-ins en Be-ins, de popmuziek zelf en het drugsgebruik dat er omheen hing, die duidelijk te maken hebben met de existentialistische beweging.

Tot lang in de jaren 70 was existentiële fenomenologie ook in filosofische kringen in Nederland alles wat de klok sloeg, getuige de vele boekjes en boeken die er over verschenen. Totdat met het structuralisme van Foucault de wijsgerige bezinning zoals hij het zelf zegt, ‘een andere hartstocht kreeg’. Die opmerking leidde tot een grote polemiek met Sartre waar heel Parijs van smulde.

Een ziekmakend mengsel van filosofische pretenties

Maar wat was dat dan, die existentialistische beweging die bij haar ontstaan zoveel beroering teweeg bracht en door sommigen een ‘ziekmakend mengsel van filosofische pretenties’ werd genoemd?
Een opmerking vooraf: in het existentiële kamp stonden vele verschillende tenten, waar het filosofische potje op verschillende manieren werd klaar gestoofd.
Tegelijkertijd was er een onderliggende gedachte, die eigen was aan alle existentialisten Zelf wanneer ze niet zo genoemd wensten te worden zoals Camus bijvoorbeeld.
Heel kort door de bocht gaande kan die grondhouding omschreven worden als het besef dat het menselijk denken geen autonoom instrument is waarmee de wereld bekeken kan worden.

Antonin Cee, Existentialistische Café Camus
Camus

Om aan te tonen dat wij mensen rationeel kunnen denken, moet rationaliteit reeds verondersteld worden. De rede kan alleen door de rede gegrond worden en de logica alleen door de logica. In de woorden van Bakewell: ik denk dat ik iets weet, maar hoe kan ik weten dat ik weet, wat ik weet.
Het komt ook op de dag van vandaag in allerlei vormen terug. Om te kunnen definiëren wat zijn is moet ik gebruik maken van het werkwoord zijn, zegt Umberto Eco. Je houdt er een tautologie aan over.

Het is natuurlijk een oud filosofisch dilemma, waar we nooit echt vanaf raken. Alleen een religieuze overtuiging biedt oplossing, want daarbij gaat het om geloven en dat is natuurlijk niet hetzelfde als weten.
Vandaar dat het heel juist is de oud Griekse gedachte dat de mens in staat is de wereld op rationele wijze te ‘begrijpen’ als een ‘geloof’ in de rede te zien.

Terug naar de zaken zelf

Leunend op Kant hadden de Duitse fenomenologen dat al breeduit besproken voordat Sartre met hun ideeën aan de gang ging. Kant had gesteld dat de werkelijkheid ‘an sich’ onkenbaar is. Elke observatie die we als mens maken, doen we vanuit zogenaamde ingeboren denkcategorieën, zoals tijd en ruimte bijvoorbeeld. We interpreteren de wereld met ons denken. Hoe ze op zichzelf is, kan niet gezegd worden. Kortom de wereld is niet meer dan een verschijning. Husserl ging nog een stap verder en gaf het idee van de wereld ‘an sich’ volkomen op. Hij stelde dat het de taak van het denken is de fenomenen (de verschijnselen) zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven zoals ze zich aan ons voordoen zonder zich te bekommeren hoe dingen ‘verondersteld worden in werkelijkheid te zijn of niet te zijn’.

Wat hij voorstond was wat hij noemde een fenomenologische reductie. Buiten de concreet aan ons verschijnende wereld was er niets anders. Hij noemde het terugkeren naar de ‘zaken zelf’’.
In zijn concrete leven waar de mens in geworpen is, onthult hij de wereld. Dat onthullen is voor hem nooit passief, want een mens heeft altijd bedoelingen en is iets van plan. Intentionaliteit, zo noemde hij het.

Het was een grootse poging om weg te geraken uit het dualistische dilemma dat ontstaat wanneer subject tegenover object komt te staan, de geest tegenover het lichaam, of zoals in geval van Kant, de wereld op zichzelf tegenover de verschijning daarvan aan ons mensen. Want als deze zaken eenmaal in de wereld gezet zijn, dan kom je er nooit meer vanaf.

Steeds opnieuw rijst dan de kentheoretische vraag wat het bemiddelende mechanisme is waardoor het subject kan weten wat het object is, hoe het lichaam zich verhoudt tot de geest zoals bij Descartes of de wereld ‘buiten ons’ tot die der verschijnselen. Het is een eeuwenoud probleem dat in de geschiedenis van de wijsbegeerte steeds opnieuw opduikt. Niet alleen in het westen, want het is ook bij de oude Indiërs in verschillende vormen terug te vinden. In tegenstelling tot de klassieke Chinese filosofie, die strikt genomen geen zijnsleer kent, maar zich uitsluitend afvraagt hoe te handelen.

De mens is een gemis aan zijn

Door de fenomenologische reductie te introduceren, waarbij de mens middels zijn intentionaliteit de wereld onthult, wilde Husserl en later Heidegger – die zich zou verbinden met het nazisme – ontkomen aan deze dualistische patstelling.
Echt lukken deed dat niet. Ook Sartre merkte op dat het dualisme langs de achterdeur opnieuw binnensloop. In het voorwoord van zijn hoofdwerk L’Etre et le Néant, benoemt hij het als het Eindige (de concreet handelende mens) tegenover de in principe Oneindige horizon van mogelijkheden die hij heeft. Maar daar zal ik het nu verder even niet over hebben.

Antonin Cee, At the Existentialist, Hitler, Husserl en Heidegger
Hitler, Husserl en Heidegger

Waar het hierom gaat, is dat Sartre aan die fenomenologische reductie een eigen, min of meer psychologische invulling gaf en het woord existentie een eigen inhoud gaf, waar de naam existentialisme natuurlijk uit is voortgekomen.
Existentie is voor Sartre de concreet aanwezige mens, die middels zijn intentionaliteit (hij spreek vaak van projecten) de wereld onthult. Buiten die projecten is de mens niets.
Hij heeft uitsluitend bedoelingen, plannen, ondernemingen in het verschiet. Maar wat een mens van plan is, is (nog) geen werkelijkheid. Sartre omschrijft de mens als een gemis aan Zijn in tegenstelling tot al de natuurlijke objecten. Zoals hij het zegt: ‘De mens is niet opdat hij worde’ en juist daarom is hij vrij.

Kort samen gevat komt het hierop neer: Existentie gaat vooraf aan elke essentie. En aangezien existentie alleen maar betekent iets van plan te zijn, ben ik niet.
Voor Sartre was dat een absoluut gegeven. Ik schreef er eerder over in mijn novelle Tot Vrijheid Veroordeeld in de bundel Grenzen zijn Mensenwerk, waarin twaalf mooie andere verhalen van Trefpunt Azië auteurs.

Voor mensen, die die existentiële dagen van Sartre en de Beauvoir willen navoelen, is het boek van Sarah Bakewell, de juiste tijdsmachine.

 

Noot van de redactie: Kinokuniya is de grootste boekhandel van Thailand en een ‘must’ voor liefhebbers van boeken. U kunt de zaak vinden op de derde verdieping van Paragon in Bangkok.

Antonin Cee
Over Antonin Cee 118 Artikelen
Antonin Cee woont sinds eind jaren tachtig in Chiangmai en voert themareizen uit. Hij studeerde filosofie aan de Universiteit van Montpellier in Frankrijk en werkte enige tijd als redacteur bij The Nation in Bangkok. Ook schreef hij artikelen voor verschillende Nederlandse, Belgische en Engelstalige magazines. Met zijn dertienjarige dochter vormt hij een eenoudergezin en brengt elk jaar enige tijd door in Zuid-Frankrijk. Hij publiceerde een bundel met verhalen uit Thailand getiteld ‘Tussen Eigen en Ander’, dat per internet te bestellen is bij www.freemusketeers.nl en in Thailand via tusseneigenenander@hotmail.com. Eveneens verkrijgbaar in de Nederlandse en Belgische boekhandel (ter besparing van verzendkosten).

1 Comment

  1. Kinokuniya is een goede winkel met drie vestigingen in Thailand/Bangkok. Niet alleen in Siam Paragorn (is wel de beste vestiging) maar ook in Central World (ergens ver achterin) en the EmQuartier. Bij Asiabooks in Siam Paragorn en Central World kun je ook goed terecht, al sloeg ik goed mijn slag bij een Asiabooks langs Sukhumvit nabij (BTS) Asok.

    Voor de online shopper was het Thaise DCO books een goed site maar sinds het overgaan op een nieuw systeem dit voorjaar is daar helaas amper nog wat te vinden.

    Voor tweedehands boeken moet je bij Dasa Bookcafe zijn, uitstappen op BTS Phrom Phong.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*