Een boemel in de Oriënt, Deel 1

Door: Robert von Hirschhorn

“Retour Singapore alstublieft.” De beambte achter het loket in het station van Chiang Mai verschoot spontaan van kleur. Het andere einde van de lijn, 2678 kilometer zuidelijker, in drie nachten en twee dagen boeme­len met het nodige overstappen onderweg en wachten op een aansluitende verbinding. Ik wist het, ook dat het kaartje voor iedere etappe steeds opnieuw gekocht moest worden en zeker geen retourtje. Voor de Spartaanse derde klasse was er geen probleem, het comfort van een slaapplaats vroeg om tijdig reserveren.

42.50.100
Loketten van Chiang Mai

De zaken van het Thaise spoor voordat de computer haar intrede deed, op vele stations is het ding ondertussen geïnstalleerd en kan men nu tot twee maanden voor vertrek iedere gewenste bestemming binnen het koninkrijk bestellen. Ook naar Butterworth, het eerste overstap­punt in Maleisië, of Singapore onder de knoppen zit, ik heb het sindsdien niet geprobeerd.

“Tot Bangkok geen probleem en als het telefoneren een beetje wil lukken, de lijn is nogal slecht ziet U, waarschijnlijk ook verder, komt U morgen maar vragen of het is gelukt,” zei de man nadat mijn wens langzaam was weggeëbd in de lege ruimte achter hem. “Met cou­chette?”

42 - 2620
Couchette

­­Graag, maar ik sprak het woord niet uit, een knikje met vermoei­de blik moest het lot van een nacht op harde bank in overvolle trein bezwe­ren. Op de dag geen enkel bezwaar, gewoon aan het open raam zitten, wind in de haren, naar buiten staren of naar binnen waar het lokale leven zich voor de voeten afspeelt. Niet bij nacht, ‘s nachts lig ik graag op de vernuftig gecreëerde slaapplaats van twee aaneengeschoven banken afge­schermd door een gordijntje, terwijl de bovenbunker is neergeklapt, en luister naar het suizen, het almaar voort van staal op staal dat aan het donker langzaam een gast verliest. De charme van het Thaise spoor; haar nachttreinen zijn pracht treinen, een slapend decor van dingen die de duur gelaten dragen.

De reiziger houdt zich stil, de trein zingt het hoogste lied, geratel over het spoor dat zo getrokken wordt. Mocht je onverhoopt de slaap niet kunnen vatten, open dan het raam, laat een zwoele nachtwind de slapen strelen. Tel geen schapen, maar namen langs de lijn. Nachtelijke stations in het scherp van neonlicht, waar de tijd zich laat verstrooien met wachten op de volgende trein, klam vocht en geruis van duizend insecten. Een ‘Tokeh’ die met schor geluid de aandacht trekt, alleen niemand die het hoort. Een lege wereld en haar geluiden, een tropisch sprookje dat van de bladzij uit Duizend en één nacht is gevallen. Halfslaap en droom in de beslotenheid van dit bed wanneer de trein zich weer in beweging zet nadat de hoorn van de locomotief het stille der nacht even verscheurde.

De tunnel van Khun Tan

DSC00657Hij of zij die wat wil zien van het landschap reist bij voorkeur met een trein overdag en kan volop beleven hoe er door Thailands langste tunnel wordt gereden in een adembenemend bergachtige omgeving. De tunnel van Khun Tan en tijd voor een ‘wai’ – de Thaise groet – aan de Duitse bouwer van dit kunstwerk, die aan de voet samen met zijn vrouw de laatste rustplaats vond. Emile Eisenhofer, 1879 – 1962. Het moet een heidense klus zijn geweest, het slaan van een 1452 meter lange gang door een rotsblok in de jungle aan het begin van de twintigste eeuw. Titanenarbeid, verricht door aan opium verslaafde Chinezen. Een zinvol werk dat het achterland opende voor nieuwe ontwikkelingen. Rond 1920 bereikte de rails Chiang Mai. Het einde van de lijn, tot aan het stootblok, verder niets dan keren.

Wie ondanks toch liever met de nachttrein reist en ongestoord kan slapen, wordt eerst wakker nadat snelle stappen van het restauratiepersoneel het gordijntje doen opwaaien, leuren met koffie voor een wakkere start. De treinste­ward maakt van een bed weer een zitplaats voor de resterende kilome­ters langs de oprukkende agglomeratie van Bangkok, het Hua Lamphong station wacht met open armen.

Voor dag en dauw en het station is vol leven, kleffe drukte, kleve­rige hitte, dat als een lauwe deken onder de immense overkap­ping blijft hangen. Een vreemde zou er zich verloren kunnen voelen, alleen een kenner van de plaats neemt de zaak gelaten, immers, eerst in de middag vertrekt de volgende trein naar de gewenste bestemming.

De vergane glorie van het stationshotel

DSC00129
Stationshotel in de hal van Hua Lamphong.

Wat doe je met oponthoud anders dan zitten tussen het altijd op weg zijnde volk, gehuisvest op de toch niet al te brede per­rons in een uitstal­ling van hetgeen zij met zich dragen. Bang om hun vervoer te missen zitten ze uren van tevoren op het perron en doden de tijd met volstrekt nietsdoen, een schijn van wach­ten op het onvermij­delijke. Hier ademt ook de geest der tijd, dit station, de kroon op het werk van Duitse spoorweg­bouwers die op voorspraak van koning Chulalong­korn, Rama de vijfde, aan het eind van de negentiende eeuw begonnen met de aanleg van de eerste staatsspoorlijn. Totdat Thailand in 1917 Duitsland de oorlog verklaarde, alle Duitse werkers aan het spoor werden geïnter­neerd en later naar huis gestuurd doch niet voordat een bataljon Thaise soldaten symbolisch naar het front was gezonden, echt meegevochten hebben ze niet, ze kwamen te laat zogezegd.

Het was de monarch die juist voor de Duitsers had gekozen vanwege de koloniale rivaliteit rond zijn grenzen, Britten en Fransen die streden om winbare grond.

DSC00132
Monument voor Rama V

Ter herinnering aan het ceremoniële slaan van ‘de eerste spoorspijker’ door het staatshoofd, werd aan het eind van het eerste perron een monument opgericht, een gedenkteken dat mede door de hedendaagse cultus rondom deze vorst, al snel een soort van altaar werd. Geheel in stijl der reis niet van het spoor te wijken, is het daar aangenaam toeven met uitzicht op het bewegen, vooral van dingen die voorbijgaan. Een onthaast sporen in een tijd zonder snelle commercie, toen onder de kap het stationshotel de deuren nog geopend had. Een etage boven het gewoel, staand aan de balustrade voor de ingang der kamers, verleiding in de vette lucht van staal & stoom, bij vlagen ontsnappend uit de tot rust gekomen locomo­tieven vlak voor het stootblok. Stilaan mijmeren, maar niet langer over de tand des tijds en het verdwijnen van oude waarden, zonder verlies zou er geen voort­gang zijn.

Op weg naar Maleisië

 Het is ruim half drie wanneer de trein voor de volgende etappe stapvoets het station verlaat, zich langs de bebouwing wringt en langzaam aan snelheid wint. Met veel geratel gaat het over de eerste brug, ‘klong Maha Nak’, een Thaise naam die mooier klinkt dan de waarheid laat zien. Aan haar sterk vervuilde schoeiing was eens een ververij gevestigd, waar afgedankte kledij kilowijze indigo werd gekleurd en vrijelijk uitgestald tussen het spoor om daar te drogen, een vrolijk maar eentonig klerenzootje.

Een tweede brug onthult het panorama waarom het allemaal draait, de Chao Phraya, ’s lands machtige rivier die Bangkok in tweeën deelt, een levens­ader waarop een wirwar van boten het beeld bepaalt. Het water waarmee de stad wordt geplaagd omdat het niet snel genoeg naar zee kan vloeien. Een stad ook die langzaam zinkt, weliswaar slechts enkele centimeters per jaar doch op lang termijn catastrofaal.

Overwegingen die men niet maakte toen het nog Bang Makok heette, een dromerig vissersdorpje zonder enige andere duiding. Het werd een miljoenenstad en ook al ontwikkelde het zich op de verkeerde plek, er wordt nog steeds gebouwd vooral aan het stadsspoor, nieuwe lijnen, oudere wijken worden een voor een ontsloten, een nuttige ontwikkeling zeker in het licht van de file, verkeersopstopping, de andere plaag waarmee Bangkok te maken heeft. Ooit reden er trams door deze stad, negen lijnen waarvan de laatste in 1968 werd opgeheven.

De visa run

Met de metropool in het zog koerst de trein verder richting zuiden, in de ban van illustere plaatsnamen die verglijden in het korte oponthoud, een vreemd perron waar venters met bladen vol etenswaren langs de trein snellen. De jaren tachtig; aan de andere kant van het venster zit een bont gezelschap dat naar Maleisië gaat. Van zakenman tot smokkelaar en ook een handvol ‘farang’, de sfeer van hun zelf verkozen exil, op weg om de verblijfsvergunning te verlengen bij de Thaise ambassade op het eiland Penang, de lastige maar noodzakelijke zogenaamde visa run, iedere drie maanden één keer.

Het is goed voor een praatje (of klacht) in de restauratie, waar een enkeling de tijd ver­drijft met bier. Drinken uit leed, gevallen voor een Thaise partner en gevangen in de kloof die twee culturen weet te scheiden. Naarmate het uur verstrijkt, de fles geleidelijk leger, vervalt het vaak in weemoe­dig zeveren, een niet geheel lucide zeuren over wat er rammelt aan de Thaise waarden, doch bovenal de onbewuste dwang alles te willen schik­ken naar eigen hand. Drank geeft lucht aan dat verlangen, maar het is slikken, nooit wikken, voor geschipper is er geen plaats. Straks gaan de gordijntjes weer dicht, kan ook hij in de beslotenheid van een kooi de tweede nacht voorbij laten gaan en zijn zonde overdenken.

© 2015 RMB-literair Chiang Mai Thailand

Wordt vervolgd.

 

Avatar
Over Robert von Hirschhorn 34 Artikelen
Robert von Hirschhorn 27-04-1947 -- 07-12-2016 “Zo jongen, wat wil je later worden?” “Schrijver, mam, schrijver.” Een moeder zweeg en dacht: ‘is dit mijn kind, een beetje vreemd…’ Niets werd vreemd, Robert von Hirschhorn (1947) sinds begin 1974 bezig met schrijven in allerlei vormen doch ook de voordracht mede gevoed door een opleiding aan de Academie voor Expressie door Woord en Gebaar. De speciale belangstelling voor alles wat met Openbaar Vervoer heeft te maken voornamelijk de spoorwegen, zat er al veel vroeger in. De eerste reis naar Thailand vond plaats in 1985 daarna een jaarlijks weerkeren tot aan een vervroegde pensionering in 2006, sindsdien permanent woonachtig te Chiang Mai waar dagelijks wordt geschreven en af en toe iets gepubliceerd. “Kijk, mam, het is gelukt.” Jammer, dat uitgerekend zij het niet meer lezen kan.