Verhaal van de week: Dondjo Awa

Robert Vacher, Verhaal van de Week, Indonesië. Poso,

Het meest aangrijpende lied dat ik ooit hoorde maakte onderdeel uit van een oeroud ritueel ter bemoediging en troost voor de ziel van de gestorvene die zich had losgemaakt van het lichaam en op reis was gegaan om zich bij de rivier te verenigen met de zielen die hem voorgingen.

Ik woonde een paar maanden met tussenpozen bij het echtpaar Tara’u in hun veldhuis aan het Poso Meer. Petrus en Erni dreven met huisgenoot Ondee een rijstpellerij in een houten schuur op het achtererf waar uit de afvalberg van smeulende rijstvliezen een vredige rook opsteeg ter hoogte van de waterput en het bassin tot aan de rand gevuld met troebel water dat krioelde van de karpers die in hun ongelimiteerde vraatzucht zelfs elkaar verslonden. Met een schepnet viste ik er om de zoveel tijd een aantal tegenspartelende exemplaren uit, die Erni boven een houtvuurtje roosterde en bij de rijst op tafel bracht.

De dag erop kwam er weer wel gewoon vleerhond op de borden. In de vroege avond trok Ondee er regelmatig met zijn buks op uit om met behulp van zijn zaklamp een paar kalongs uit de lucht te schieten. Ze hingen met hun hondenkop ondersteboven in de mangobomen langs het erf. Zodra ze op de vleugels gingen waren ze zijn prooi. Ondee hoefde ze maar op te rapen. Hij schroeide het haar eraf en legde de lijkjes in een metalen bakje klaar voor Erni die ze de volgende dag omzette in warme stukken gekruid vlees met een sausje.

Het gebeurde een enkele keer dat ik met Ondee meeging om fazanten te schieten in het bos vlakbij huis. Hij wist er altijd wel twee of drie te raken op het moment dat ze van de bosgrond opstegen om te vluchten. Hij schoot er altijd wel een paar. We zaten als we terugkwamen vol bloedzuigers, ik had ze tussen mijn vingers en mijn tenen, en vond er zelf een die zich in mijn oksel had genesteld. Petrus gebruikte bloedzuigers, zag ik, om een lelijke wond op zijn wreef te laten schoontrekken.

Petrus deed aan tafel zelden zijn mond open, alleen om kort iets te beamen, terwijl Ondee vrolijk was en spraakzaam, en zijn best deed om wat Engels te leren, ingegeven door de hoop zijn leven op het land ooit te kunnen inruilen voor een leven in de stad. Hij oefende ook op mij. Ik was van het begin af aan maatjes met de hond van het huis die zijn schoonheid dankte aan zijn rossige haardos en zijn onweerstaanbaar mooie vossenstaart. Als vriend gaf ik hem de kop van mijn vis, en af en toe stiekem een hele vleermuis. Het schiep een band. De deur naar het achtererf stond overdag altijd open. Als ik er was en Vosje zag me, rende hij naar binnen en kwam hij me groeten.

Friends shake hands, riep Ondee, die zich erover verbaasde dat de hond mij op een dag een vriendschappelijke poot gaf. Niemand haalde hem aan. Vos kreeg in een kokosdop een hand rijst, voor de rest moest hij het zelf uitzoeken. Het verbaasde me dat hij een rat ving die hij doodbeet, maar verder onaangeroerd in een plasje bloed achterliet. Hij had de neiging hangbuikzwijntjes op te jagen maar liet het daarbij. Het was zijn speelsheid. Om ze te doden en te eten, dat kwam er niet van. En ’s nachts mocht hij niet binnen blijven. Zwervend door de nacht troepte hij in het donker samen met andere honden.

Ik kon Erni er niet op betrappen dat ze rijst met hond klaarmaakte, ook al werd in de streek volop hondenvlees gegeten en warm hondenbloed gedronken. Ik moest er niet aan denken dat op een onbewaakt moment plotseling een poot van Vosje op mijn bord kwam, of erger nog, zijn kaalgeplukte staart.

het Poso meer

In de ochtend ging ik al vroeg naar een Chinese vrouw die aan het water een eethuisje had waar ik kom soep nam, een soto ayam met wat kip en stukjes witte kool. Vandaar liep ik in een uur van Pondoli naar Salukaia om Nyong op te zoeken in zijn zelfgebouwde hut onderaan een steile helling, begroeid met papajabomen. In een zandkuil opzij van zijn hut had hij een zwijntje als vers vlees voor later wanneer het was vetgemest. De spil van zijn hut was de vuurplaats met dunne boomstammetjes en daarop een geblakerde waterketel. Het bronwater kwam langs de helling van boven naar beneden door een bamboepijp.

Nyong was een knaap van net in de twintig, die de streek goed kende. Hij zat niet op school en had geen werk, later misschien, en hij wist het zeker: Saya senang bebas, ik ben graag vrij. We liepen naar de stroomversnellingen en zwommen in onze onderbroek in de rivier die enige zwemroutine vereiste. De stroming was zo sterk dat we honderden meters werden meegesleurd tot onze hilarische opwinding en tot verbijstering van de vrouwen op de oever, die gehurkt aan de rand van het water op grote ronde keien hun natte wasgoed uitsloegen en geschokt stilvielen.

Terugzwemmen tegen de stroom in was haast onmogelijk, lopen dan maar. We trokken onze kleren aan over onze natte lijven en dwaalden door ruig gebied waar geen mensen meer waren. Hij zette er op zijn rubberlaarzen flink de pas in. Het was woest heet. Zomaar ineens stond hij ergens stil bij een breed gat in de grond. Nyong was een halve wilde, dat trok me in hem aan. Wat was dit? Een nest? Hij gaf geen antwoord maar ging op zijn knieën zitten en kroop achteruit de grond in. Ik zal je wat laten horen. Kom mee. Ikut.

Het gat was net wijd genoeg om er doorheen te kunnen. De opening werd breder, en we zakten nog wat verder af tot het te riskant werd. Een onpeilbare afgrond gaapte onder onze voeten, er drongen genoeg spatjes licht door om dat te zien. Ik spitse mijn oren en hoorde als een echo het ruisen en schuren van het water in de diepte van de aarde, ver van de wereld van de mensen. Een magisch moment. Maar ik wilde toch wel weer snel terug naar het licht, bevreesd dat ik bij een verkeerde stap naar beneden zou donderen om door de rivier te worden opgeslokt en de onderwereld in te worden gesleurd.

In de loop van de middag dronk ik met Nyong thee in zijn hut en we aten stukken papaja aangevreten door vleermuizen. Tegen het eind van de middag liep ik terug naar Pondoli. Het dorp leek uitgestorven. Er was niemand thuis, alleen de kleine Lin, het hulpje van Erni dat de vaat spoelde, het erf schoonhield en in huis de vloer veegde die ’s morgens bezaaid lag met peuken en dode insecten van de avond tevoren. Ik kon mijn ogen niet geloven. Ze zat tegen de borstwering van de waterput geleund. In haar ene hand hield ze een kleine zwarte reiger bij de nek in bedwang, terwijl ze met haar andere hand een groot mes omhooghield waarmee ze de prachtige vogel koelbloedig zijn kop afsneed. Mijn ogen waren niet ingesteld op dit soort wrange taferelen.

Na het avondeten wanneer Petrus onderweg was met zijn overjarige pick-up om de gepelde rijst in juten zakken bij klanten af te leveren, ging de neonlamp aan, het enige licht in huis, en brak het insectengeweld los. De hele zitruimte met niet meer dan een paar rieten stoelen zag van het ene moment op het andere zwart van de snorrende, tjirpende en zoemende insecten, torren die tegen elkaar op vlogen, muggen en vliegen in alle soorten en maten, de insecten met de dubbele vleugels waren in de meerderheid. Ze stegen verticaal op, als helikopters, bleven enkele ogenblikken stil in de lucht hangen en vlogen met volle kracht tegen de witte muur onder de neonbuis op. Ten slotte vielen ze op de lemen vloer, dood, dacht ik, maar dat was schijn want na enige tijd stegen ze gewoon weer verticaal op en herhaalden hun raadselachtige kamikazegedrag.

In de loop van de tijd kwam ik via Nyong en Ondee in aanraking met mensen van allerlei slag. Een van hen was Armin, een stugge mohammedaan die een boot had met een buitenboordmotor. Ik zag er een kans in om weer eens in beweging te komen, en na enig aandringen was Armin bereid om me een eind op weg te helpen.

de Poso rivier

Op een ochtend voeren we in zijn boot de baai uit, voorbij de overdekte houten brug en de palingfuiken waar de rivier en het meer samenvloeiden. We bereikten spoedig open zee, passeerden een nederzetting op palen en grillige rotspartijen die als versteende bloemen boven water uitstaken. Het krioelde van de haaien. Na drie kwartier alleen water en lucht zette hij de motor af en we dreven de stille Rano-rivier op, richting houdend en snelheid met een vaarboom. Ik nam afscheid met de toezegging van zijn kant om me een week later op te halen.

Hij hield zich tot mijn verbazing aan zijn afspraak. Toen ik terugkwam van mijn tocht die ik maakte in gezelschap van Rachman, een rustige man die de weg wist in de jungle, zat Armin met een vriend op de oever van de Rano op me te wachten, op de plek waar we uit elkaar gegaan waren.

De vrienden hadden een vuurtje gemaakt en de vissen geroosterd die ze in de Rano gevangen hadden. Ik gaf ze een hand, hurkte bij het vuur en kreeg een versgebakken vis aangereikt. Het leven lachte me toe. Ik was onderweg bang geweest dat Armin me zou laten barsten.

Maar we voeren terug. Ik stapte uit de boot en nam afscheid, bleef nog wat rondhangen in Tentena en ging eindelijk te voet op weg naar Pondoli. Het was donker toen ik er een uur later aankwam. Op het moment dat ik de ereboog passeerde aan de ingang van het dorp hoorde ik in de verte gezang, zo aangrijpend dat ik er direct meer van wilde weten.

Ik zette mijn antenne op scherp en ontdekte na wat naarstig zoeken een paar kleine woningen, bij een ervan stond de deur open en er viel flauw licht naar buiten. Het gezang was nu heel dichtbij en doordringend.

Ontroerd bleef ik in de deuropening staan en zag in het midden van het vertrek een open kist met daarin het lichaam van een dode die een mutsje droeg met glitters. Aan het hoofdeind wuifden twee meisjes, ieder met een eigen palmblad, de dode koelte toe. Een van de meisjes was kleine Lin. In de kist begreep ik later, lag haar moeder.

Vooral vrouwen en een paar mannen zaten met gekruiste benen rond de kist op de stenen vloer en zongen Djondjo awa, een lied zoals ik later begreep dat diende om de ziel van de dode die was heengegaan een goede reis te wensen op weg naar de rivier waar hij zich voegde bij de zielen die eerder heengingen.

Een van de vrouwen in de kring was ibu Yowe. Haar stem had een huiveringwekkende kracht. Toen ze me zag wenkte ze me, ik had haar al eerder leren kennen. Een eer om me in de kring naast haar te worden opgenomen en na enige tijd zelfs mee te zingen. Het ging de hele nacht door. Als het lied inzakte, zweepte mijn kringgenoot met haar volle welluidende en trefzekere stem de rouwenden op wakker en alert te blijven.

 

Robert Vacher
Over Robert Vacher 6 Artikelen
Robert Vacher zwierf jarenlang door Zuidoost-Azië en Afrika en verbleef langere tijd in Frankrijk en Spanje. Hij schreef onder meer de roman Grensgebieden, de reisroman Spel van Troost, de verhalenbundel Vrije Val, en publiceerde in tijdschriften als De Revisor, Maatstaf, Nieuw Vlaams Tijdschrift, SIC en Gierek

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*