Demonen (slot): het geheim van Bobby


Babe staat op en loopt naar Bobby’s tafeltje. Het gaat zo plotseling en het is zo’n ongehoorde gebeurtenis dat we elkaar aankijken, Sebastien, Swamiji en ik. Babe zet haar bierpul op het tafelblad, gaat zitten en neemt de sigaret uit haar mond. Ze begint tegen Bobby te praten. Ik kijk opzij naar Sebastien. Zijn magere gestalte in de stoel geklemd als een veer die elk moment los kan springen. Nu is Bobby aan het woord. Hij buigt zich over het tafelblad, zijn gezicht vlak voor Babe’s gezicht. Babe knikt. Ze knikt nog eens en een derde keer. Dan staat ze op en pakt haar bierpul van de tafel. Als ze weer naast Sebastien zit, kijkt ze voor zich uit met een blik die verder reikt dan de zichtbare wereld. Haar mond staat een stukje open en ze heeft een fronslijntje tussen haar wenkbrauwen. Ik heb haar nog nooit zo hartverscheurend mooi en kwetsbaar gezien.

Patrick schuift zijn stoel achteruit, staat op, valt terug. Hij probeert het weer. Wat er nog aan vaste stof in zijn lichaam zit lijkt op te lossen en hij vloeit aan alle kanten over de leuningen, vuil en toonloos vloekend. Ram komt de bar uit. ‘Naar huis, Patrick sir ?’
‘Godverdomme.’
Samen met een breed grijnzende Ram help ik Patrick in een riksha. De bestuurder kijkt zwijgend toe. Wanneer de last aan boord is, knipt hij het peukje van zijn bidi op straat, spuugt er achteraan, trekt de handrem los en stottert weg. Sebastien vraagt om de rekening.
‘Naar huis?’
‘Naar het Taj,’ zegt Sebastien.
‘Kan ik een lift krijgen?’ zegt Swamiji.
Ze lopen hand in hand het terras af, Sebastien en Babe. In de kelderdisco van het Taj hotel zal Babe in haar eentje dansen. Een bamboetwijg in een psychedelische bries, haar ogen zoekend naar ogen die haar volgen. Sebastien zal aan een tafeltje zitten achter een smal glas schandalig duur bier en ook hij zal naar Babe kijken, een groene glans in zijn ogen. En Swamiji zal uitstappen voor een flatgebouw uit een documentaire over Tsjernobyl, waar hij sinds een maand in het trapgat op de vierde verdieping woont.
‘Kingfisher, Robert sir?’
Ik pak mijn fles op. Hij is zo goed als leeg. ‘Zal ik het doen Ram? Een kleintje dan.’
‘Yessir. Dat is goed afgelopen vanavond.’
‘Dat kun je wel zeggen, Ram.’
‘Yessir.’
Alleen Bobby en ik zijn achtergebleven. Is dit het moment om met hem te praten? Om achter zijn geheimen te komen, of uit te vinden dat die geheimen alleen in mijn verbeelding bestaan? Bobby kijkt weer over de muur. Alsof hij het ook voelt en er bang voor is. Hij heeft me voor driekwart de rug toegekeerd. Zijn overhemd gloeit neonwit in het licht van de Smyrnoff lichtbak boven zijn hoofd. Dan gaat dat licht uit. En meteen weer aan. Drie keer knippert de buis in de lichtbak voor hij definitief dooft. Bobby kijkt omhoog. We kijken allebei naar de lichtbak, waar de zwarte woorden KESHI’S BAR nu stoffig grijs zijn. Het terras is halfdonker, alleen verlicht door een straatlamp en het clandestien ogende schijnsel dat door de deuropening van de bar naar buiten valt. Ik vang Bobby’s blik als hij zijn hoofd terug draait.
‘Geen wodka meer vanavond,’ zeg ik.
Bobby glimlacht. ‘Weet je wie Keshi is?’
‘Een van de demonen van de tempel.’
Bobby knikt. ‘Keshi de paardendemon, die met zijn manen wolken uiteen joeg wanneer hij sneller dan de gedachte over de aarde galoppeerde en zo gruwelijk hard hinnikte dat de goden de hemel uit vluchtten.’
‘Dat was een indrukwekkende vertoning vanavond.’
‘Dat schaakpartijtje?’
‘Dat schaakpartijtje. En Babe.’
Bobby glimlacht weer. In dit licht heeft zijn glimlach iets maskerachtigs. ‘Dat was niks. Ik heb blind geschaakt aan twintig borden tegelijk.’
‘Twintig? Uit je geheugen?’ Hij knikt.
‘Ben je een grootmeester of zo?’
‘Nee, geen grootmeester.’ Hij pakt zijn glas op en kijkt erin. Het is leeg op een paar bijna gesmolten ijsblokjes en een bodempje water na. Hij steekt zijn wijsvinger in het glas en draait de ijsblokjes rond, dan zet hij het neer. Hij slaat zijn ogen op en kijkt me aan. ‘Ik had grootmeester kunnen zijn, maar ik had een ongeneeslijk gebrek. Ik werd te zeer gegrepen door de schoonheid van het spel. O, ik won mijn partijen tegen grootmeesters, maar ik verloor er meer omdat ik toegaf aan mijn zwakte. Ik koos altijd weer voor avontuurlijke combinaties en speculatieve offers, voor romantiek waar mijn tegenstanders speelden voor de punten. Voor positionele stellingen kon ik geen interesse opbrengen. Ze wisten het, ze stuurden erop aan.’
Bobby praat alsof hij al die maanden heeft gewacht op een kans om deze dingen aan iemand te vertellen. Alsof het halfduistere terras, waarop wij twee alleen zijn overgebleven, eindelijk de veiligheid biedt om zich bloot te geven. ‘Maar ik zal herinnerd worden zoals ik wil dat de schaakwereld mij herinnert. In elke collectie van de mooiste partijen zit er wel een van mij. En uiteindelijk heb ik de ultieme schoonheid op het schaakbord gezien. Mijn allerlaatste toernooipartij is door British Chess Magazine uitgeroepen tot de Partij van de Eeuw.’
Hij gaat rechter zitten en kijkt langs me heen alsof hij voor een groter publiek spreekt: “Over zijn achttiende zet dacht hij langer dan een uur na, toen offerde hij zijn dame voor een pion en een visioen dat God van alle aanwezigen hem alleen vergund had te zien. Onder de toeschouwers brak een tumult uit dat eerder aan een voetbalstadion deed denken dan aan een toernooizaal; grootmeesters en meesters lieten hun partijen in de steek en omcirkelden het bord waarop zojuist de bliksem was ingeslagen, commentatoren krabden zich op het hoofd en vergaten hun mond te sluiten nadat ze hadden laten weten met stomheid geslagen te zijn. De zwartspeler nam het offer aarzelend aan. Had hij een vermoeden van de dingen die komen gingen? Maar wat kon hij anders doen, er was geen keus. Zonder overgang was de loopgravenoorlog een Blitzkrieg geworden. De witte zetten kwamen als artillerievuur en de zwarte volgden gedwongen. Kastelen vielen, de linie van voetsoldaten brak, wilde paarden stormden in waanzinnige sprongen door de bressen en dreven de zwarte koning uit zijn kruimelende fort, verder en verder het mijnenveld in, de terugweg afgesloten door sluipschutters die vanuit de verre hoeken het slagveld bestreken. Elke zet van wit was een offer en elke zet bracht het einde onafwendbaar naderbij, de zwarte koningin in haar isolement op de h-lijn keek hulpeloos toe en sommige getuigen beweren dat zij weende. Drie zetten voor het einde kon iedereen de matcombinatie aan zien komen. De zwartspeler speelde door als eerbetoon aan de onaardse schoonheid van het spel van zijn opponent en slikte de vernedering van de fatale laatste pionzet. Nadat hij zijn koning had omgelegd schudde hij zijn tegenstander de hand boven het bord en applaudisseerde mee met het wild geworden publiek. Maar toen de winnaar door schreeuwende collega’s naar de commentaarruimte werd geduwd, bleef hij achter, en toen twee uur later de huismeester kwam om de lichten uit te doen, zat hij nog steeds naar het bord te staren dat inmiddels was leeggehaald.”
Bobby kijkt weg over de muur. Dan lacht hij. Het is voor het eerst dat ik Bobby hoor lachen, het is eerder giechelen. ‘Ik was zwart. Ik heb de Partij van de Eeuw verloren.’
We kijken allebei naar de ruit van de kapper aan de overkant, waar al sinds ik in Keshi’s Bar kom een barst door loopt. Na een tijdje begint de bel in het tempeltje van Ganesha met het blauwe olifantshoofd, verderop in het steegje, te luiden en alsof dit een uitnodiging is om aan tafel te gaan, steekt een vuilbruine koe met messcherpe schouderbladen haar kop over de muur en kijkt het terras rond op zoek naar levend groen. Een moment kijkt ze me recht aan, dan trekt ze haar kop terug en sjokt verder met klakkende hoeven, en ik blijf achter met de gedachte dat haar ogen enorm waren in haar bijna vleesloze schedel.

Dit is het vijfde en laatste deel van “Demonen”, een verhaal van Rob Verschuren.
Deel 1 van dit verhaal vindt u hier.
Deel 2 van dit verhaal vindt u hier.
Deel 3 van dit verhaal vindt u hier.
Deel 4 van dit verhaal vindt u hier.

Wilt u meer lezen van Rob Verschuren? Hij heeft een paar prachtige boeken geschreven.
Lees hier de recensie van “Het Witte land”, zijn laatste boek.
Eerder verscheen “Tyfoon” van zijn hand. De recensie vindt u hier.

 


Beste lezer

Trefpunt Azië is een reclamevrije site geheel gemaakt door vrijwilligers. Al onze berichten zijn voor iedereen te lezen. Maar het in stand houden van een website als Trefpunt Azië kost geld; er zijn kosten voor software om de site te maken en de huur van serverruimte zodat hij te zien is. Die kosten worden gedragen door leden van de redactie en die kunnen daarbij wel wat hulp gebruiken. Als u wilt helpen met een (kleine) bijdrage klik dan op de rode knop rechtsonderdaan op de pagina en doneer, dat kan al vanaf 3 euro. Wilt u op een andere manier helpen? Mail dan even met de redactie: post@trefpuntazie.com

Dankzij uw bijdrage kan Trefpunt Azië elke dag nieuws en achtergronden uit uw favoriete werelddeel blijven brengen.

 

Rob Verschuren
Over Rob Verschuren 55 Artikelen
Een half leven lang op weg naar het Zuiden, heeft Rob Verschuren via België, Frankrijk en India in 2009 Nha Trang, Vietnam bereikt. Nu hoeft hij niet meer verder. In zijn hangmat aan de Zuid-Chinese Zee schrijft hij reclame voor klanten en fictie voor zijn plezier.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*