Demonen (1)


Rob Verschuren, Demonen
Bron: chess.com

Wanneer je van de Tempel van de Demonen afdaalt naar de rivier kom je in de hoerenbuurt. Die bestaat officieel niet, maar je vindt er zonder moeite een Nepalese met lokkende spleetogen of een plaatselijke schoonheid van tweehonderd pond. Ga rechtsaf het steegje tussen Dikshits theestalletje en de werkplaats van de eenogige fietsenmaker in en na vijftig meter sta je voor Keshi’s Bar.
Dat is wat ik doe, voor Keshi’s Bar staan en over de muur kijken wie er op het terras zit. Alleen Bobby. Het is nog vroeg. Ik steek mijn hand op als ik door het poortje stap. Bobby heft zijn glas. Een moment denk ik erover om bij hem te gaan zitten, maar dat is niet iets wat je doet, bij Bobby gaan zitten.
Ik veeg het stof van een stoel aan onze vaste tafel en kijk weer over de muur. Hoofden en schouders komen voorbij, gele rikshadaken, tulbanden. Het blinde bedelaartje van de hoek van MG Road, een hand op de schouder van zijn zusje met de hazenlip en de heiligenogen. Een Ganges van stadsleven die door een bars en raadselachtig landschap stroomt.
‘Goedenavond, Robert sir.’ Ram de Nepalese kelner houdt een fles Kingfisher Large voor zijn buik.
‘Hi, Ram. Koud?’
‘Yessir.’
Swamiji steekt zijn baard over de muur en kijkt wie er op het terras zit. ‘Maak daar maar twee Kingfisher van, Ram.’
‘Yessir.’
Swamiji is onze terrasgoeroe. Hij gaat door het leven zonder geld of aardse bezittingen en zonder adres. Als je een balkon hebt of vrije ruimte onder de trap, rolt hij daar vroeg of laat zijn slaapmat uit. Swamiji. Wit zijden haar, samengebonden in een staart. Baard tot op de borst, spierwit, in grandioos contrast met de zwarte groeisels uit zijn oren. Levendige oogjes achter een bril die nostalgische herinneringen oproept aan de jaren dat de waterstanden nog op de radio kwamen: Grave beneden de sluis plus drie. Onder zijn eeuwige vaalblauwe kurta is hij angstaanjagend dun. Vergeestelijkt is het woord voor Swamiji, al drinkt hij zijn bier met een gusto dat is voorbehouden aan geboren armoedzaaiers. We drinken zwijgend en kijken naar het poortje. Wie komt het eerst en gaat er vanavond iets gebeuren en wat maakt het uit?
Drie sikhs stappen het terras op. Ik heb ze hier niet eerder gezien. Zware mannen in grijze kantoorbroeken en overhemden met korte mouwen. Ze laten hun hammen op de plastic stoeltjes zakken en leggen hun harige onderarmen op het tafelblad. Drie tulbanden buigen naar elkaar toe als een bloem die zich dichtvouwt voor de nacht. Uit mijn ooghoek zie ik hoe Bobby de sikhs zit op te nemen. Dat is een van de mysterieuze dingen aan Bobby, hoe hij naar iets kan kijken. Je ziet hem verstijven. Zijn schouderspieren spannen. Zijn ogen worden groter en er spreekt een enorme concentratie uit. Dan glimlacht hij, een zachte glimlach van stil geluk of geheim plezier. Wanneer je zijn blik volgt zie je iets alledaags. De magere rug van Ram, die de bar inloopt met een dienblad vol lege flessen, twee langs kleppende meisjes, niets. Het schijnsel van de Smyrnoff lichtbak op de bladeren van de klimplant die de voorgevel van Keshi’s bar sluiert.
Zo keek hij ook toen ik hem voor het eerst zag, voor de Tempel van de Demonen. Daar staan altijd wel een paar beteuterde toeristen, want het gebouwtje laat zich moeilijk bewonderen tussen de huizen en half verscholen achter bossen elektriciteitsdraden. Bobby viel me op omdat zijn houding zo anders was, zo intens dat ik bleef staan en het oude heiligdom, waar ik elke dag een paar keer langskom, met nieuwe ogen bekeek. Veel valt er niet aan te zien. In de voorgevel zijn taferelen uitgehouwen. De twee woestelingen die links boven de ingang hun zwaarden zwaaien zijn Koka en Vikoka, tweelingbroers en generaals in het demonenleger, vele malen gesneuveld en even vaak uit de dood herrezen. Rechts boven de deur bevecht Krishna de paardedemon Keshi. Zoveel staat in de gidsjes en zoveel weet ik van de Tempel van de Demonen, ik ben er nooit binnengegaan.
Die avond zag ik Bobby weer, in Keshi’s bar. Hij ging aan het enige vrije tafeltje zitten. Ram zette een flesje Old Monk en een bak met ijsblokjes voor hem neer en Bobby vulde zijn glas en hief het op als een toast aan zichzelf en keek er lange tijd naar met die intense blik van hem, keek ernaar alsof uit het breken van het licht in de ijsblokjes voortekenen van buitengewoon belang waren af te lezen.
Sindsdien is hij er bijna elke avond. Hij zit aan zijn vaste tafeltje en drinkt in een kalm tempo zijn rum, kijkt om zich heen en glimlacht, en alles wat we van hem weten is zijn naam. Bobby. We hebben hem uitgenodigd aan de stamtafel, geprobeerd hem in onze middelpuntvliedende conversatie te betrekken. Hij kijkt je aan met een blik die tegelijk kinderlijk en levensmoe is en ontwijkt elke toenadering met antieke hoffelijkheid. Zijn Engels is accentloos, al doet iets in de zinsbouw vermoeden dat het niet zijn moedertaal is. Ik ben nooit iemand tegengekomen die zo’n zachte muur om zich heen heeft gebouwd als Bobby. Zacht maar ondoordringbaar. Na een paar weken hebben we het opgegeven. Niet uit frustratie, geloof ik, eerder uit respect voor zijn eigenzinnigheid. Zelfs Patrick accepteert hem zoals hij is. Op een vreemde manier hoort Bobby erbij, ook al zit hij daar in zijn eentje en zegt hij geen woord. Als hij een enkele keer niet op komt dagen, vragen we: ‘Waar is Bobby?’ Sebastien zegt dat hij een schilder moet zijn, of anders een dichter, ‘zoals hij naar de dingen kijkt.’ De wildste gissingen zijn over Bobby geopperd. Hij is een gevluchte politicus uit een of ander operettestaatje, een internationale meesteroplichter, een geheim agent.
Daar zijn Sebastien en Babe. En daar stapt ook Patrick uit een riksha en begint met de chauffeur te bekvechten. De sikhs staren naar Babe, zoiets hebben ze thuis niet. Ze laat haar sigaret op de grond vallen en trapt hem uit met een paars schoentje. Zo gauw ze zitten, legt Sebastien zijn hand op haar knie. Met een nijdig gebaar slaat ze hem weg.
‘Wordt hier nog bediend of hoe zit dat,’ zegt Patrick. Hij buigt zich naar me toe. ‘De boys beginnen de vloer te vegen zo gauw je ergens binnenstapt, is je dat weleens opgevallen? Doen het in hun broek dat ze de drie woorden Engels moeten gebruiken die ze in hun leven bij elkaar hebben geleerd.’
‘Tut, tut,’ zegt Sebastien.
‘Oké, Ram hier is de uitzondering die de regel bevestigt.’ Ram komt aanlopen met een dienblad. Hij groet iedereen glimlachend bij naam en begint flessen Kingfisher en Foster’s open te maken. ‘Ram weet hoe hij voor ons moet zorgen,’ gaat Patrick verder. ‘Elk jaar als hij naar Nepal gaat maakt hij een nieuw Rammetje, daarom moet hij zo hard werken.’ Hij frommelt in zijn borstzakje en steekt de kelner een biljet van honderd roepie toe. ‘Hier, voor de kinderwagen. Maak er maar een met vierwielaandrijving van. In die bergen van jullie.’
Ram pakt het biljet met beide handen aan en drukt het een moment tegen zijn voorhoofd. ‘Dank u wel, Patrick sir.’
‘Dankbaarheid is een hondenziekte.’
Ram loopt weg met Patrick’s bankbiljet aan een hoekje tussen zijn vingertoppen. Het lege dienblad heeft hij onder zijn arm geklemd. De hakken van zijn zwarte schoenen zijn aan de buitenkant erg afgesleten.
‘Jozef Stalin.’
‘Wat?’
‘Dankbaarheid is een hondenziekte. Die is van Jozef Stalin.’
‘Bloemen komen in vele kleuren,’ zegt Swamiji.
‘We gaan naar de disco in het Taj,’ zegt Babe,
Ik kijk Sebastien aan. Die schudt zijn delicate harlekijnshoofd. Babe ziet het. Haar mondhoeken trekken omlaag en haar ogen worden spleetjes. ‘Ouwe man,’ zegt ze, ‘vieze ouwe man.’ Ze legt haar hand op mijn arm. ‘Ga jij mee naar het Taj?’
‘Ik ben ouder dan Sebastien.’
‘Ik wil wel meegaan,’ zegt Swamiji, ‘maar ik heb geen geld.’
‘Dat weten we,’ zegt Patrick.
Babe begint om zich heen te kijken. Ik ken die zoekende blik. Er gaat vanavond iets gebeuren. Het kan van Babe en Sebastien komen of van Patrick, die dronkener lijkt dan gewoonlijk aan het begin van de avond. Het zit in de lucht, zoals de moesson in de lucht zit, dagen voordat de eerste bui losbarst en – alle voortekenen ten spijt – de stad onvoorbereid treft, chaos en ontregeling brengt, bomen ontwortelt en elektriciteitsleidingen laat knappen, akkers en wegen wegspoelt en huizen en krottenwijken binnen stroomt tot overlast voor de bewoners.

Wordt vervolgd.

 

Meer van Rob op Trefpunt: De toestand in de wereld

Rob Verschuren
Over Rob Verschuren 53 Artikelen
Een half leven lang op weg naar het Zuiden, heeft Rob Verschuren via België, Frankrijk en India in 2009 Nha Trang, Vietnam bereikt. Nu hoeft hij niet meer verder. In zijn hangmat aan de Zuid-Chinese Zee schrijft hij reclame voor klanten en fictie voor zijn plezier.

3 Comments

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*