Demonen (2) Keshi’s bar


Babe begint om zich heen te kijken. Ik ken die zoekende blik. Er gaat vanavond iets gebeuren. Het kan van Babe en Sebastien komen of van Patrick, die dronkener lijkt dan gewoonlijk aan het begin van de avond. Het zit in de lucht, zoals de moesson in de lucht zit, dagen voordat de eerste bui losbarst en – alle voortekenen ten spijt – de stad onvoorbereid treft, chaos en ontregeling brengt, bomen ontwortelt en elektriciteitsleidingen laat knappen, akkers en wegen wegspoelt en huizen en krottenwijken binnen stroomt tot overlast voor de bewoners.

Babe fixeert de sikhs, sigaret tussen haar lippen, bierpul in de hand. Bobby zit alles kalmpjes op te nemen. Wanneer onze blikken elkaar kruisen, glimlacht hij. ‘Fucking sikhs,’ zegt Patrick.
‘Sikhs zijn heel praktische mensen,’ zegt Sebastien. Hij is de prater, de pleaser. ‘Hun godsdienst heeft niets zweverigs, hun goeroe geeft praktische richtlijnen. Knip je haar niet, draag een dolk, verkeer niet met moslimvrouwen. Dat soort dingen. Daar kun je wat mee, dat soort dingen.’
‘Voor God,’ zegt Swamiji, ‘zijn we allemaal hetzelfde, mensen, dieren, planten -’
‘Hindoes hebben ook een god,’ zegt Babe zonder zich om te draaien. ‘Dat is een koe en Arabieren en zo, maar ze geloven niet in God.’
‘ – en regendruppels en de wind en… virussen. Zijn dat eigenlijk dieren of planten?’
‘Aids,’ zegt Babe.
‘Ideologieën zijn nuttig,’ zegt Sebastien. ‘Ze helpen je dom te blijven.’
‘Ram, godverdomme, moeten we hier soms zelf het bier uit de koelkast halen,’ zegt Patrick.
Patrick is een Belg. Hij zou in dit onbeschrijflijk vreemde land het dichtst bij me moeten staan, maar het is moeilijk je met iemand als Patrick verbonden te voelen. God mag weten wat hij hier zoekt. Hij maakt eerder de indruk dat hij ergens van weg is gegaan dan ergens naartoe gekomen. Dat geldt misschien voor ons allemaal, nu ik erover nadenk. Van beroep was hij clown. Je vraagt je af hoe hij die gerookte makrelenkop van hem zo geschminkt kreeg dat de kinderen niet gillend de kamer uitrenden. Want hij was een huiskamerclown. Hij werkte niet in het circus maar deed kinderpartijtjes. Er doen geruchten over Patrick de ronde. Over een gevangenisstraf of een veroordeling, of geen veroordeling maar verdenkingen, dat soort gepraat. Het interesseert me niet. Wat ik zie is genoeg, de rest denk ik er zelf wel bij. Wat ik zie is een man die elke avond zo zat is als een schop en de wereld tegemoet treedt met een bijtend en soms amusant sarcasme.
‘Babe,’ zegt hij tegen Babe’s rug, ‘ik zag vandaag een foto van je moeder in National Geographic.’
Babe draait zich om. ‘O ja?’
‘Ja, ze gaf een varkentje de borst.’
Sebastien grinnikt. Babe, die eigenlijk Lalmuanpuii heet, komt van een van de bergstammen aan de Birmese grens. Ze wordt vaak voor een Nepalees hoertje aangezien, maar ze is mooier. Duurder in het gebruik ook.
‘Niet waar, toen hadden we nog geen fototoestel in het dorp.’
Nu moet ik ook grinniken.
‘Hindoeïsme en Islam, dat zijn nou net de twee meest intolerante godsdiensten ter wereld,’ gaat Patrick verder, een gedachtegang volgend die mij niet helemaal helder is. ‘En het minst geïnteresseerd in aardse zaken, zoals genoeg verdienen om te kunnen eten. In China leren op het ogenblik vijfhonderd miljoen mensen Engels. Vijfhonderd. Miljoen. En wat gebeurt hier? Dat zal ik je vertellen wat hier gebeurt. Hier gaan steeds meer scholen het regionale dialect onderwijzen in plaats van Engels. Kun je het je voorstellen? En toch zijn er meer schatrijke Indiërs dan Chinezen. En er komen er elke dag meer bij. De meest kwaadaardig egoïstische en domme kapitalisten uit Karl Marx’ nachtmerries. Hebben er geen enkele moeite mee dat honderd miljoen landgenoten op de spoorbaan schijten omdat ze nog nooit van hun leven een toilet hebben gezien. Tussen de rails, zie je het voor je?’
Ik denk dat hij gelijk heeft, al ik vraag me af of iemand als Patrick het recht heeft om in dit land gelijk te hebben.
De sikhs hebben Babe’s belangstelling opgemerkt en werpen verstolen blikken op ons tafeltje. Sebastien drinkt, zet zijn pul neer, pakt hem op en drinkt. Babe weet precies hoever ze kan gaan en dat is te ver voor iedereen behalve voor Sebastien, die zich aan haar vast blijft klampen als een poète maudit aan zijn laatste glas absint. Hij is grafisch ontwerper, of dat was hij in Frankrijk waar hij vandaan komt. Hier is hij vervalser. Wanneer je een visumstempel nodig hebt, ga je naar Sebastien. Ken je van die mensen die het noodlot omarmen? Die zich met volle overgave in ondernemingen storten waarvan iedereen kan zien dat ze hun ondergang zullen zijn? Dat is Sebastien. Zijn noodlot is Babe. Hij aanbidt de grond waarover ze loopt. Babe speelt met hem. Ze haalt hem aan en stuurt hem het bos in. Ze flirt, ze is ontrouw, ze lacht hem uit waar iedereen bij zit.
Babe met een koel glimlachje om haar lippen, haar platte neusje in de lucht als ze vertrekt met een ander. Sebastien voor de poort. Met gebalde vuisten en trekkende schouders kijkt hij haar na. Dan zakt hij op zijn knieën en begint met zijn hoofd op de straat te bonken. Hij schreeuwt, hij brult, hij jankt. ‘Putain de merde! Cochon de merde! Putaaaaaaain!’ Voorbijgangers gluren behoedzaam naar dit jammerende specimen van een exotische diersoort die zijn hol in asfalt graaft. De eerste keer dat ik het meemaakte wilde ik hem overeind helpen. Swamiji hield me tegen. ‘Je moet hem zijn gang laten gaan,’ zei hij. ‘Als je er aandacht aan schenkt, blijft hij doorgaan.’
‘Dat is zo,’ zei Patrick.
Na een tijdje stond Sebastien op. Hij had asfaltkleurige schrammen op zijn voorhoofd en keek ons aan als Christus vanaf het kruis. Een druppel bloed hing aan het puntje van zijn neus, toen viel hij. Hij draaide zich om en liep met grote passen weg.
‘Ik begrijp het niet,’ zei ik tegen Swamiji. Hij is zo ontwikkeld en beschaafd, Sebastien.’
‘Er valt niets te begrijpen,’ zei Swamiji. ‘Waar wijsheid is moet ook domheid zijn, waar kalmte bestaat moet ook razernij bestaan. Wij kijken ernaar en weten dat ze alleen maar gebeuren. Dat ze niets met ons te maken hebben.’
‘Ik probeer te begrijpen wat je zegt.’
‘Ben je wel eens kwaad geweest? Zo kwaad dat je niet meer wist wat je deed?’
‘Jawel.’
‘En wist je op dat moment dat je kwaad was?’
‘Ja natuurlijk.’
‘Dus zelfs toen je zo vreselijk kwaad was, zo kwaad dat je alle controle verloor, zelfs toen was er iets in je dat kon toekijken en zeggen: ik ben kwaad. Dat iets dat toekijkt, dat ben jij. Niet die kwade man waar je naar kijkt.’
‘Daar moet ik eens over mediteren.’
‘Doe dat,’ zei Swamiji.
De sikhs kijken nu openlijk naar ons tafeltje. De grootste, die met zijn rug naar ons toe, heeft zich half omgedraaid. Ik zie hoe Babe haar aandacht op hem concentreert. Sebastien zet zijn pul met een klap op het tafelblad.
‘Fucking sikhs,’ zegt Patrick.

Wordt vervolgd.

Deel 1 van dit verhaal vindt u hier.


Rob Verschuren
Over Rob Verschuren 53 Artikelen
Een half leven lang op weg naar het Zuiden, heeft Rob Verschuren via België, Frankrijk en India in 2009 Nha Trang, Vietnam bereikt. Nu hoeft hij niet meer verder. In zijn hangmat aan de Zuid-Chinese Zee schrijft hij reclame voor klanten en fictie voor zijn plezier.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*