De zee bezworen…een scheepsjournaal

Net wakker en niet goed wetende hoe mijn hoofd te houden, hef ik me op één elleboog en kijk naar de slapende vrouw. Naar dat fijn getekende neusje en die volle dieproze lippen van waartussen af en toe een gelispeld half-woord ontsnapt.

Waarschijnlijk droomt ze; van iets dat nooit iemand zal weten. Straks in wakend bewustzijn wellicht ook zij zelf niet meer. Het is vast geen aangename droom, want ineens gooit ze zich om als een goudvis in een kom en drukt zich tegen me aan. Ik voel haar warmte en een van haar borsten en krijg opnieuw zin om te vrijen.

Gisteravond hadden we Anchors zitten drinken, een behoorlijk aantal flessen, bij een van die strandbarretjes in de buurt van de marina. We hadden wat gedanst op de tonen van Santana en toen we hem eenmaal goed om hadden, gingen we een concordaat aan: ze zou mee terug varen naar Phuket.

Waar ze haar spullen zo snel vandaan haalde, mahsuri-close-upweet ik niet. Maar toen we aan boord kropen, struikelde ze over een van de lijnen en liet haar fors uitgevallen koffer met veel gekletter op het dek vallen.

Barbazan, de eigenaar van dit schip, is er vast niet wakker van geworden. Hij was al uren geleden onder zeil gegaan. Deze ochtend is hij in alle vroegte al weer vertrokken zonder dat ik hem heb horen weggaan. Terug naar Bangkok waar hij besognes heeft, die zijn aandacht vragen.

Barbazan is van oorsprong Breton en die worden merendeels op zee geboren. Hij woont al jaren in Bangkok en zit krap in zijn tijd. Alleen in het weekend kan hij gaan spelevaren. Het is een soort van wekelijkse trans-humain. Elke vrijdagavond vliegt hij trouw naar Phuket, zet zijn kapiteinspet op en hangt de zeeman uit. Op maandag strikt hij zijn das en voegt zich weer naar de normen van een fors uitgevallen salarisleven.

Op deze tweemaster, die hij een half jaar geleden op Phuket heeft gekocht, heeft hij zijn bestaan gericht. En daar kan ik inkomen. Met zijn 16 meter is de Jonathan Seagull, genoemd naar dat lees-meteen-wegboek van Richard Bach, een schip dat er zijn mag; gebouwd in Zuid-Afrika en varend onder haar vlag.
Een opgeschroefd percentage aan invoerrechten

Het is met dergelijke schepen in Thailand net als met mensen: ze krijgen bij binnenkomst een visum. Van tijd tot tijd moet het verlengd worden, waarvoor ze even naar het buitenland moeten. Om de zes maanden om precies te zijn. Je kunt je boot ook lokaal registreren, maar dat betekent een flink opgeschroefd percentage aan invoerrechten betalen, net als bij geïmporteerde luxe auto’s. De meesten doen dat niet.

Een week of wat geleden had Barbazan me opgebeld. ‘Mjn boot moet het land uit, Antonin’, viel hij met de deur in huis. ‘Je weet hoe dat zit, Langkawi is de dichtstbijzijnde plek om uit te stempelen. Zin om mee te varen? Dan kan jij hem daarna weer terugbrengen naar Phuket, okay?’

Het was een welkome uitnodiging, waar ik meteen oren naar had. Zeilen heeft voor mij alles te maken met ruimte en mijn eigen nietigheid. Niet uit een vorm van masochisme, maar omdat ik de wereld graag groot houd, zodat alles lekker open blijft. Met alle huidige transport- en communicatiemiddelen is hij trouwens al behoorlijk ingekrompen.

Daarbuiten moet ik er met mijn zigeunerbloed zo nu en dan op uit, het liefst zo vaak mogelijk. Een uitstapje, een avontuurtje, onontbeerlijke dingen om het leven in evenwicht te houden.

Barbazan kent mijn ingeboren onrust. Dat nooit aflatend gevoel, dat de dingen die er toe doen, zich afspelen op een andere plek als die waar ik toevallig ben. Je zult het maar hebben…

Het was al jaren geleden, dat ik gezeild had. Maar het is daarmee net als met fietsen en zwemmen. Je verleert het nooit. We spraken af op de luchthaven van Bangkok om van daaruit samen naar Phuket te vliegen.

Ik glijd uit het nauwe bunkbed, proberend geen aandacht te schenken aan het geknars in mijn hoofd en ga naar de voorkajuit. Als ze de druk van mijn lichaam niet meer voelt, grijpt de vrouw naar een kussen en drukt het tegen zich aan zonder wakker te worden.

Ik gooi de luiken open naar de stuurkuip en kijk op naar een stralende dag. Een koepel van blauw met een paar witte expressionistische vegen van wolken er in. Het moet al een flink eind in de ochtend zijn. Ik zet water op voor koffie en ga me scheren.

In het binnenste van de kajuit hoor ik de vrouw weer wat mompelen. Op dit ogenblik weet ze niets meer van me af. Ik besta even niet voor haar, zo stel ik me voor tenminste. Voor hààr ben ik in dit stadium onbepaald, net zoals de kat van Schrödinger in de kwantumfysica, die met wat inbeelding een scala aan applicaties heeft.

Legendarische prinses

Mahsuri, zo noemt ze zich. Maar dat is vast haar echte naam niet. Mahsuri, die legendarische Maleisische prinses, waar verschillende speelfilms over gemaakt zijn, één door Tunku Abdul Rahman himself, deze papa merdeka, de vader van de onafhankelijkheid van Maleisië en tevens de eerste prime minister.

Hij was er net mee klaar, toen ik in George Town op Penang zijn neefje tegen het lijf liep. Daar had, zoals bleek, ook nu wijlen de Tunku zijn laatste residentie. Ik was op zoek naar een verhaal voor The Nation, waar ik toen voor schreef en kreeg het er met die neef over. Er moest wel een verband met Thailand zijn, hield ik hem voor.

Hij kwam met die film van Mahsuri op de proppen. De universiteit van Songkhla in Zuid-Thailand had een adviserende rol gespeeld om de dingen historisch in het juiste perspectief te zetten. Ook hadden ze geholpen met het ontwerp van de kostuums voor de Siamese soldaten.

Het leek me wel wat en ik vroeg hem of hij een interview kon regelen. Het moest wel op de dag zelve, want morgen zou ik weer vertrekken. Hij greep meteen naar de telefoon, sprak een paar woorden en gaf me de hoorn: de secretaresse van de Tunku.

Ik stelde me voor en vertelde haar wat ik wilde. ‘Moment’, zei ze, ‘ik zal even checken.’ Een minuut of wat bleef het stil aan de andere kant van de lijn. Daarna: ‘De Tunku kan u een kwartiertje geven, over een half uur, schikt dat? Zeg me waar u bent en ik stuur een auto.’
Hij vertelde me de legende van Mahsuri

Wat een mazzel, dacht ik, al zijn dit soort gebeurtenissen, misschien minder toevallig, dan je op het eerste gezicht zou denken. Alles heeft met alles te maken. Pure bootstrap theory om het maar bij de fysica te houden. In mijn optiek gebeuren de dingen nooit zo maar.

Het was een aangenaam onderhoud met de Tunku, dat uitliep tot een uur of wat. In zijn studeerkamerkamer liet hij me zijn oude foto’s zien: met Kennedy, met Nixon en andere voormalige staatshoofden.

langkawi-mahsuri-225x300En hij vertelde me de legende van Mahsuri, die door veel mensen in Maleisië voor waar gehouden wordt. Op Langkawi, waar het verhaal zich afspeelt, is haar praalgraf een toeristische trekpleister.

Mahsuri was een vrouw van fabelachtige schoonheid, oorspronkelijk uit Phuket. Op zoek naar een beter leven trok ze naar Langkawi waar ze trouwde met een zekere Wan Darus, een van de lokale chefs.

Toen er een oorlog uitbrak, trok ook haar Darus plichtsgetrouw ten strijde en bleef Mahsuri alleen achter. De andere vrouwen in het dorp beneden haar echter om haar schoonheid. Tijdens de afwezigheid van haar man verspreidden ze het gerucht, dat Mahsuri overspel gepleegd zou hebben. Met een lokale man, met wie ze bevriend was geraakt.

Uiteindelijk nam dat zulke proporties aan dat de dorpelingen het gingen geloven en Mahsuri werd ter dood veroordeeld. Ze werd aan een paal gebonden om met messteken om het leven te worden gebracht. Verschillende pogingen daartoe mislukten, totdat Mahsuri de beul zei haar eigen kris te gebruiken.

Venijnige woorden kunnen kracht hebben

Voordat ze stierf sprak ze een banvloek uit over Langkawi, die zeven generaties zou duren. Als er maar genoeg venijn in zit, kunnen woorden blijkbaar kracht hebben. Want na haar dood is het eiland geteisterd door vele natuurrampen en oorlogen, de laatste met het toenmalige Siam in 1821.

Maar het bloed dat uit haar stervende lichaam vloeide, zo gaat de legende, was wit; een teken dat ze onschuldig was. Haar kinderen wisten te ontkomen naar Phuket, waar er heden ten dage nog nazaten van haar zijn.

Misschien is mijn pseudo Mahsuri er wel één van, dat weet je maar nooit. Te oordelen naar haar gelaatstrekken moet ze een flinke portie Maleisisch bloed in haar aderen hebben. Genealogie, die nooit meer te achterhalen is.

Ik hoor haar nu stommelen in de kajuit en daar komt ze tevoorschijn, geeuwt luidruchtig, kamt met haar vingers door haar verwilderde haren en zegt langs haar neus weg: ‘Ik rammel van de honger.’ Voorwaar een gezonde meid.

Even moest ik denken aan gisteravond. In de strandkroeg was ik in gesprek geraakt met een van de bootslieden, die daar rondhingen. Toen we aan het dansen waren, had hij met een scheef oog naar ons zitten kijken. Dergelijke kroegen zijn goede plekken om lokale info op te doen.

– ‘Wat doet ze eigenlijk?’ vroeg ik hem toen Mahsuri even haar neus was gaan poederen.

– ‘Ze zoekt mensen zoals jij, wijsneus’, zei de man die een Engelsman bleek te zijn. ‘Mensen die even de zorg voor haar op zich nemen. Ze is hier twee dagen geleden ook met een kerel op een boot aangekomen. Die is hier ineens onwel geworden en ligt in het ziekenhuis. Ik zou maar op mijn tellen passen, ze vaart regelmatig op en neer tussen Langkawi en Phuket. Ik heb meer vreemde dingen van haar gehoord. Dat soort vrouwen zitten vol zwarte kunsten, dat kan je geloven of niet… ‘

Ik heb er mijn schouders over opgehaald.
Op de motor gaan we de vaargeul uit

Terwijl Mahsuri een douche neemt, maak ik een stevig boerenontbijt van eieren, spek en baked beans. We drinken er de man en vrouw een halve liter koffie bij om weer in vorm te raken. Dan, terwijl Mahsuri de boel opruimt, gooi ik de trossen los. Barbazan heeft gisteravond nadat we hier aankwamen, de papieren voor de boot al in orde gemaakt bij de havenmeester.

Op de motor gaan we de vaargeul uit. Er staat een tam windje, dat eenmaal op zee wat aan kracht wint. Middels de GPS zet ik een punt op de kaart en bepaal de koers. Dan hijsen we de zeilen: de fok en het grootzeil op de voormast en op de kleine achtermast een enkel zeil.

De wind neemt nog wat aan kracht toe en ik moet behoorlijk scherp koersen wil ik om de landtong van de Tarutao-eilanden komen, die ik daar voor me weet. De lucht begint langzaam dicht te trekken met opkroppende regenwolken.

Mahsuri gaat op de voorplecht zitten en laat het opspattende water over haar heenkomen. Halverwege de oversteek naar Tarutao begint het te regenen en om zo scherp aan de wind te blijven, ben ik verplicht het grootzeil in te nemen.

Ik bepaal opnieuw mijn positie en bekijk de kaart. Het zal een krappe bedoening worden om de doorvaart tussen de Tarutao-eilanden te halen met die alsmaar aangroeiende wind. Als we de eilanden voor ons zien opduiken, moet ik het grootzeil helemaal weghalen en vaar alleen nog op de fok en het achterzeil.

Mahsuri zit nog altijd als een boegbeeld op de voorplecht, zich met beide handen vasthoudend en ze is drijfnat. Niet één keer kijkt ze naar me om in de stuurkuip.

Enkele mijlen voor de landtong moet ik ook de fok innemen en het achterzeil weghalen, wil ik een kans maken er langs te komen. We zitten nu midden in een aankomende regenstorm en het water slaat schuimend over het dolboord.

Nog een halve mijl verder weet ik dat het niet te halen is. We maken te veel drift en zullen overstag moeten. Ik gooi het roer om, trek de lijnen weer aan en we koersen een eind terug. Bij de tweede poging dacht ik dat het zou gaan lukken, maar ineens gebaart Mahsuri vanaf het voorschip om opnieuw overstag te gaan. Ik tuur door de regen en dan zie ik de rotsen ook en trek de boot om.

Deze keer zocht ik echt de breedte op voordat ik weer op de kaap afkoerste.

De zee bezworen

Mahsuri komt naar me toe en kijkt me aan met een vreemde blik in haar ogen. ‘Heb je rijst aan boord?’ vraagt ze. Ik gebaar naar de kajuit en ze verdwijnt naar beneden. Als ze weer boven komt, heeft ze aan weerszijden onder haar ogen met lipstick twee vuurrode strepen getrokken.

Met een zakje rijst tussen haar tanden om zich met beide handen te kunnen vasthouden kruipt ze langs het gangboord weer naar de voorplecht. Als ik weer overstag ga en de boot even wat rustiger is, gooit ze enkele handen rijst in het water en klemt zich met beide handen weer vast aan de voorplecht.

Ik maak een grote boog en wanneer we weer op de landtong afstevenen, kan ik de fok iets later vieren. We klieven door de rollende golven en soms zie ik niets meer van Mahsuri. En dan ineens zijn we de landengte voorbij, de rotsen goed op afstand houdend.

Ik kan de koers nu bijstellen en het grootzeil weer hijsen. We maken zeker acht knopen en als alles zo blijft, zullen we nog vóór middernacht in Phuket zijn.
Haar ogen krijgen er iets wittigs door.

Even later komt Mahsuri in de stuurkuip en drukt zich tegen me aan. ‘Ik heb de zee bezworen, zegt ze. Ze ziet er uit als een inwoner van het verdronken land van Saeftinghe. De lipstickstrepen op haar wangen zijn geworden tot rode vlekken en ze geeft me weer die vreemde languide blik, smachtend en uitdagend tegelijk. Haar ogen krijgen er een witte floers door.

Misschien worden bepaalde dingen door afkomst voorgeschreven. We hebben weliswaar een vrije wil, merkt Schopenhauer fijntjes op, maar we kunnen niet willen wat we willen.

Maar kijk, daar is Mahsuri ineens weer een en al lach. Ze trekt haar natte plunje uit en staat daar zoals ze ter wereld is gekomen.

Ik zet het roer op de automatische piloot en op de bank van de stuurkuip doen we de dingen, die maken dat mannen en vrouwen het hier op aarde leuk vinden.

 

© Antonin Cee plaatste dit verhaal eerder op Thailandblog.nl

Deze pagina delen

  • Delen op Facebook
  • Delen op Twitter
  • Delen op LinkedIn
  • Delen op Google+
 

Lees ookgerelateerde berichten

Reageer

E-mail (wordt niet gepubliceerd)