Indonesië. De Tocht der Dwazen

Ik heb geloof ik al eens in een eerder blog geschreven dat ik een stadsmens ben. Geloof het of niet, maar ik ben allergisch voor frisse lucht, overdonderende natuur, woeste hoogten, sappige bergweiden, tintelend frisse beekjes en andere scheppingen van moeder natuur.

Nu hebben alle complexen een oorzaak. Mijn weerzin tegen alomtegenwoordige fotosynthese is te herleiden naar het midden van de jaren ‘90 toen ik met drie vrienden op het onzalige idee was gekomen om vanaf de noordkust van het Molukse eiland Seram naar de zuidkust te wandelen, een afstand van zo’n 120 km. Dat daarbij bergkammen tot 2400 meter hoogte, stinkende moerassen, ondoordringbare nevelwouden, razende rivieren en stekelige oerbossen bedwongen moesten worden, verhoogde de pret alleen maar, meenden we.

Incentive reizen

Deze Moeder der Onzalige Ideeën was ontsproten uit onze wens om rijk te worden. In die dagen was het uiterst lucratief om zgn. ‘incentive reizen’ op te zetten. Personeelstrips om de ‘team-spirit’ binnen bedrijven te verhogen. Kayakken in de Ardennen, touwtrekken in Tirol en boogschieten in Bavaria en meer van dat mietjeswerk.

Onno, een van de drie vrienden en ik, waren al eens een paar maanden op de Molukken geweest. Daar hadden we ontdekt dat Seram een van de laatste tropische wildernissen op aarde herbergde. Het oerwoud van West-Papoea was Bobbejaanland vergeleken bij het Nationale park Manusela in centraal Seram.

De bewoners van centraal en oost-Seram waren Alfuren, een krijgersvolk dat pas sinds de jaren ‘70 het koppensnellen had opgegeven onder druk van de Indonesische regering. Dat was eigenlijk het enige nadeel van Seram. Met koppensnellers was het natuurlijk allemaal nog veel mooier geweest.

Stel je voor; met de Philips top banjerend door jungle waar het wemelt van de koppensnellers. Wanneer je dat overleeft, als Philips topman zijnde, dan lach je je nadien een bult om elke economische crisis, zo redeneerden we.

Onze doelgroep was bedrijfstop en midden-kader. Koffiedames mochten niet met ons mee. De trip had natuurlijk een bijpassend prijskaartje: 23.000 schamele guldentjes all-in. Twee weekies uit en thuis. How does that sound Mr. Timmer?

Met de boot naar Wahai

Voordat we die vraag zouden stellen aan de Nederlandse ‘movers and shakers’, moesten we de tocht natuurlijk eerst zelf ondernemen. We namen in de winter – dergelijke uitstapjes kun je het best gedurende de winter doen – het vliegtuig naar Bali. Daar hingen we een paar dagen rond, maar vlogen al gauw door naar Ambon, waar we ons in het nachtleven van Ambon-Stad stortten. We dachten ‘nu kan het nog, straks niet meer’.

Ambon-en-West-Seram-300x187Het plan was om eerst een boot te nemen naar het dorpje Wahai aan de noordkust. Daar zouden we twee gidsen regelen om vervolgens de oversteek van het eiland te maken naar Tehoru aan de zuidkust, dwars door het berggebied van centraal Seram.

Langer dan een week zouden we er niet over doen. Waar mogelijk zouden we overnachten in kleine nederzettingen van Alfuren of anders gewoon in de open lucht of in grotten. We wisten het zeker, na een dergelijk trip zien mensen als Jan Timmer of Roel Pieper het weer helemaal zitten.

Het bleek niet zo makkelijk om een boot te vinden die naar Wahai zou varen. Na een paar dagen rondhangen in de haven van Ambon-Stad, bleek de kapitein van een houten schuit die doerians vervoerde bereid ons voor een schappelijk bedrag mee te nemen naar de noord-kust van Seram. Hij verzekerde ons binnen 24 uur uit te zullen varen. Dat gaf Onno, Leon, Frans en ik nog ruimschoots de gelegenheid om boodschappen te gaan doen op de markt.

Doerian-kwinkslagen

Leon, die nog nooit eerder in Azië was geweest, was niet blij met het vooruitzicht om op een doerianschuit te gaan varen. De geur die deze grote stekelige vruchten verspreiden, houdt een beetje het midden tussen room, walnoten en babystront. Het eetbare deel zelf is het zaad, dat door een kleverige, lichtgele slijmmassa omgeven wordt en de bedoeling is om die papperige massa van de zaad af te lebberen. Na het nuttigen van een doerian breekt de smaak, die het midden houdt tussen room, walnoten en babystront, je nog dagen op.

‘Leon, kop op, Je hoeft die doerians niet allemaal op te eten. We hoeven er alleen maar tussen te gaan liggen’, zei Frans bemoedigend.

De volgende dag werden de trossen los gegooid en ronkend voer het scheepje het zeegat uit. We hadden het ons gemakkelijk gemaakt op de voorplecht van de schuit. Een slaapplaats was geregeld door de kooi van de stuurman te huren, waar we om beurten zouden slapen. Alles en iedereen rook naar doerian en al gauw waren de doerian-kwinkslagen en doerian-limericks niet van de lucht:

Er was eens een doerian op Seram
Die de stank van zichzelf maar voor lief nam
Maar hij was niet erg blij
Met die stekels opzij
… (grote prijs voor de beste slotzin. Wie durft?)

Halverwege de bootreis zaten Leon en ik onder een plastic zeil bij het schijnsel van een olielamp een potje te schaken. Het regende keihard. Onno lag te slapen in de kooi van de stuurman en waar Frans was, wisten we niet.

De boot leek vaart te minderen. We bevonden ons een paar honderd meter uit de Seramese kust. In het flauwe schijnsel van lampen aan het water zagen we de donkere silhouetten van vier prahu’s onze richting op peddelen. Leon en ik haastten ons naar de reling om te kijken wie de bezoekers waren.

Even later klom er een pezige man met een enorm Afro-kapsel vanuit zijn prahu aan boord. Hij was op een miniscule lendendoek na, een soort Alfuren g-string, geheel naakt en verdween heel even in de stuurhut waar de kapitein aan het roer stond. Na een minuut kwam hij weer naar buiten met een zware plastic tas en klom weer over de reling en de vier prahu’s peddelden weg de duisternis in.

‘Dit is Melanesië man!’, schreeuwde Leon opgewonden boven de herrie van de razende regen uit. Mensen hebben hier Afro’s, waar elke Afrikaan jaloers op zou zijn. Dit is helemaal geen Indonesië meer. En zag je dat? Die kerel was nagenoeg naakt’.

Op dat moment werd ik overvallen door het gevoel dat we nu echt op weg waren om van ons ‘incentive product’ een succes te maken. Ik zag het in gedachten al helemaal voor me. Roel Pieper die op een doerianschuit in de stromende regen Jan Timmer om de hals vliegt: ‘Zag je dat Jan! De nobele wilde van Rousseau! Onbetaelbaer kearal!! Onbetaelbaer!! En daar gaan wij straks mee barbequen!’ Zie je ‘t voor je man!!

Een eiland naar onze longen

De volgende dag tufte het scheepje het haventje van Wahai binnen. Niet veel later gooiden we onze spullen en dozen neer in de tuin van losmen Wanaharu, het enige hotelletje dat Wahai rijk was.

‘Zo, en nu eerst wat knagen’, zei Onno, ‘ ik ben finaal vacuum getrokken.’

Het duurde niet lang ons viertal werd een zestal. Epr, wiens naam een verbastering was voor Everton, wat hij op een nogal klungelige manier zelf levensgroot op zijn onderarm getatoeeerd had, en Tomas zouden ons de weg wijzen naar de zuidkust. Beide jongens, die begin twintig waren, waren geboren en getogen op het eiland en kenden de route. Ze spraken maar een paar woorden Engels, maar Frans sprak meer dan behoorlijk Bahasa Indonesia en Onno en ik konden ons redelijk verstaanbaar maken, vooral wat schunnigheden betreft.

We hadden, behalve een gigantische berg zakjes instant noodles, rijst, suiker, Australische chocolade die niet smelt, gedroogd varkensvlees in reepjes, Old Bay kruiden en nog wat ander voedsel wat niet bederft, ook 7 sloffen Djarung kretek sigaretten ingeslagen op de markt op Ambon. Voor de kepala desa’s, ofwel dorphoofden. Vier sloffen voor de kepala’s, drie voor ons. De frase ‘rook jij?’ bestaat op Seram niet. Iedereen rookt. Stoppen met roken is stoppen met ademen. Een eiland naar onze longen dus…

 

TehoruIk heb een potje met vet…

Een pick-up truck reed ons naar de plek waar de tocht zou aanvangen. We sprongen uit de laadbak en Tomas verdween gewapend met een kapmes in het bos om een minuut later terug te komen met tak die hij van een boom afgehakt had. Hij hakte de tak nog wat verder recht zodat het op een stok leek.

Het proviand en de sigaretten hadden we in twee kartonnen dozen gestopt, die we in twee plastic vuilniszakken gewikkeld hadden, bijeengehouden door koord. Epr stak de tak onder het koord van de ene doos, vervolgens onder het koord van de andere doos en hees de veertig kilo wegende last omhoog om de tak daarna te laten rusten op zijn rechter schouder. Epr was bepakt. Tomas droeg net als wij een rugzak en we begonnen te lopen.

Frans had in Wahai ‘Ik heb een potje met vet…’ voor de jongens vertaald naar het Bahasa en Tomas zette het eerste couplet in…

Na een aantal uur lopen door een redelijk vlak, en dus adembenemend landschap, begon ik te mijmeren over hoe wij westerlingen lichamelijk volkomen gedegenereerd zijn. Epr en Tomas liepen blootvoets en hadden de balans van een koorddanser, ondanks de zware last die Epr met zich mee torste.

Om het half uur gooide hij met een soepel zwaai de last naar een andere schouder zonder daarbij uit balans te raken, lopend over glibberige boomstammen die over riviertjes gevallen waren. Er was nauwelijks sprake van een pad, maar we volgden overwoekerde jagerspaden die voor ons niet te zien waren.

De beroerdste transactie van mijn leven

De bewoners van de semi-nomadische Naulu nederzettingen, waar we een paar keer overnachtten, waren er naar ons idee niet best aan toe. De meeste mensen waren chronisch ziek en blij ons te zien.

Een keer werd ik gevraagd naar een hut te komen. Er lag een man met een asgrauw gelaat op de grond en er brandde een vuurtje waardoor de atmosfeer in de hut verstikkend was. De man was enkele weken ervoor uit een boom gevallen en had zijn been op twee plaatsen gebroken. Een bot bleek, nadat ik de vieze, met bloed doordrenkte lap, afgewikkeld had, door de huid naar buiten te steken en de wond stonk zo erg dat ik vermoedde dat er gangreen was ingetreden en de man zou sterven zonder een gigantische lading anti-biotica. Frans rende kokhalzend de hut uit.

Ik knoeide wat met jodium en gaf zijn dochter al de antibiotica die we hadden, een hoeveelheid die nooit toereikend kon zijn. Het been zetten was onmogelijk. De dochter gaf me als tegenprestatie een borrel. Zelfgestookte rijstwiskey. Het was de beroerdste transactie van mijn leven…

Later bedacht ik me, te laat, dat de antibiotica het lijden van de arme drommel alleen maar heeft verlengd. ‘Laten leven’ is iets wat we goed kunnen maar ‘laten sterven’ is voor ons westerlingen, in toenemende mate een taboe…

Malaria Tropica

Zeven dagen later kwamen we uitgeput – vooral ik, ik werd door Epr en Tomas ‘number one’ genoemd, omdat ik altijd achteraan liep, klom en klauterde – aan in Tehoru. We waren zo uitgehongerd dat we de eerste beste warung binnenliepen, al het eten op tafel lieten zetten dat er was, dat in een kwartier naar binnen werkten, afrekenden en op zoek gingen naar een bed. Later liepen we weer voorbij dezelfde warung. Er hing een bordje ‘gesloten’ aan de deur.

Kort daarop vertrokken we naar de Banda eilanden om bij te komen. Frans moest plotseling naar huis omdat zijn zoontje ziek was. Daarna reisde Leon terug naar huis en Onno en ik vlogen naar Oost-Timor. Daar werd ik ziek en we vlogen door naar Bali omdat het ziekenhuis in Dili bekendheid genoot als het voorportaal van de hel.

Op Bali bleek ik tyfus te hebben. Na drie weken verblijf in het ziekenhuis van Denpasar was ik voldoende opgekalefaterd om naar Nederland te vliegen, waar ik weer ziek werd. De diagnose van het Havenziekenhuis in Rotterdam was malaria tropica. Ik genas daarvan dankzij de expertise van de artsen in dat ziekenhuis.

Een paar maanden later kreeg Leon malaria. Hij voelde een vreemde rilling op de tribune in de Kuip tijdens een wedstrijd van Feyenoord tegen Werder Bremen. De volgende dag lag hij in dezelfde kamer waarin ik in mijn koortsdromen tegen demonen had gevochten.

Niet lang daarna haalden we een streep door ons bedrijfsplan. Je kunt moeilijk alle Nederlandse CEO’s en investeringsbankiers in een keer naar een andere wereld helpen. Dat gaat opvallen.

Cor Verhoef
Over Cor Verhoef 41 Artikelen
Geboren Rotterdammer Cor Verhoef werkt sinds 2004 als leraar Engels aan de Nairong middelbare school in Bangkok, de metropool waar met zijn echtgenote en docent Ning (‘Priceless woman’) woont. Na zijn opleiding aan de lerarenopleiding van de Hogeschool Rotterdam en Omstreken werkte hij in de horeca en als reisagent in Mexico en Guatemala. Via de NBBS belandde hij in najaar 2001 in Thailand. Inmiddels zijn Cor en Ning de trotse ouders van zoon Leon.