De nepmonniken van Phnom Penh

Monniken aan de oever van de Mekong Rivier Phnom Penh. Foto: Adam Hill/PixaBay

Het is februari 2017, ik ben in Phnom Penh en van corona hadden we nog niet gehoord. Tegen het vallen van de avond zit ik met een koude Angkor voor een pub aan de Boulevard als ik ze zie aankomen. Twee mannen in een bruine pij.

Monniken uit een van de vele boeddhistische tempels in de hoofdstad is mijn eerste gedachte. Maar in plaats van stoïcijns doorlopen zonder iemand een blik waardig te gunnen, zoals gewoonlijk, zijn deze wel heel erg vriendelijk. Als onze blikken elkaar kruisen stuift een van hen op mij af. Hij grijpt mijn hand, prevelt wat, duwt een  kralenketting op mijn voorhoofd en bindt in een rappe beweging een touwtje om mijn pols. Dan diept hij een bedelnap onder zijn pij vandaan en duwt die onder mijn neus. En dat alles in twintig seconden.

Ik zeg je bent helemaal geen monnik want die bedelen niet, duw de goudkleurige schaal weg en schud van nee als hij aandringt. Zijn gezicht betrekt, hij knoopt het touwtje los, zegt ‘sorry sir’ en verdwijnt met zijn gabber in het avondduister. Na die avond zie ik ze regelmatig rondlopen door de stoffige straten van Phnom Penh, op zoek naar prooi. Een van de medewerkers van het backpackerspension waar ik verblijf vertelt dat het om een Chinese bende gaat die zich voordoet als boeddhistische monniken. Ze worden steeds brutaler, vertelt hij. Dat blijkt inderdaad de volgende ochtend.

Terwijl ik op mijn ontbijt wacht en de Phnom Penh Post lees staat Sorry Sir ineens op het terras van mijn guesthouse. Hij duwt zijn bedelnap onder de neus van twee Russische toeristen die hem verbouwereerd een paar dollar geven. Bij de volgende toerist, duidelijk een Aussie, vangt hij echter bot en wordt ontvangen met een scheldpartij waar ik nog een schepje bovenop doe. De bruine pij verdwijnt uit het zicht.

Zo, denk je dan. Dat is opgelost. Maar nee hoor. Het mannetje staat er ’s avonds weer. Met een uitgestreken gezicht. Hij zoekt nu een backpackmeisje als slachtoffer en dwingt haar iets te geven. Hij buigt zich vervaarlijk over haar heen met een diepe blik. Ze schrikt zich helemaal wezenloos. Niemand reageert. Iedereen staart naar zijn eten of in zijn glas. Het jochie dat bedient spreekt hem voorzichtig aan, maar is duidelijk bang.

De fakemonnik denkt te triomferen, blijft aandringen, het meisje kijkt mij smekend aan. Dus, ik sta op en klop hem op de schouder. Het eerste wat de man doet is grijnzen en de bedelnap toesteken. Hij herkent mij niet eens. Als een volleerd ex-woonbegeleider met verstandelijk gehandicapten pak ik hem dusdanig aan arm en nek vast dat hij niets kan en begeleid hem razendsnel naar de straat. Ik geef hem een duw, ‘beat it’ roep ik. De oplichter draait een kwartslag om schreeuwt iets van ‘Hoewei’ en maakt karate-achtige bewegingen met een van woede vertrokken gezicht. En wil het terras weer oplopen.

Het personeel komt echter in actie en verspert hem de toegang, waarna hij de benen neemt. Dan zie ik pas dat hij een blauwe spijkerbroek onder zijn gewaad draagt en op rode sneakers loopt. Terwijl ik het applaus van de gasten in ontvangst neem vervolg ik mijn maaltijd. Van de bazin krijg ik een biertje aangeboden. Blij dat ze ervan af is. De ‘monnik’ is bij het pension niet meer gesignaleerd.

Lees ook: Vietnam. Monniken mogen je niet meer beduvelen

Over Bert Vos 239 Artikelen
Bert Vos is journalist, tekst-producent en Azië-liefhebber. Hij woont in Amersfoort.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*