Vietnam. De kolonel

Rob Verschuren, Vietnamoorlog, Kolonel

Iedere avond, behalve op bepaalde boeddhistische feestdagen wanneer weinig mensen vlees eten, helpt de kolonel in het eendrestaurant van zijn nicht. Zodra de tafeltjes en stoeltjes op het trottoir zijn gezet en de houtskool in de vuurpot onder de rijstepap boze vonken spuugt, zit hij aan de straat met zijn krijtje en zijn bonnenboekje.

De kolonel parkeert brommers. Wanneer gasten stoppen, geeft hij ze een bonnetje met een nummer. Hetzelfde nummer schrijft hij op de koplamp. Soms moet hij een brommer naar de overkant duwen of tot halverwege een steegje, want zo gauw de zon onder gaat, schieten openluchtrestaurantjes op als woestijnbloemen na een regenbui en al snel lijnen onafzienbare rijen tweewielers de straten.

De kolonel doet zijn werk met een toewijding die zuiver lichamelijk is en zijn geest vrij laat voor gedachten of, vaker nog, voor een comfortabele leegte, die hij alleen kan vinden temidden van de mensen en hun kabaal. Zijn brommers staan rechter in het gelid dan die voor de andere restaurantjes en ze lopen nooit krassen op.

Daar wordt hij niet om geprezen. Hij is de man zonder naam, zonder gezicht. Geen mens die hem bedankt of blijft staan voor een praatje. Niemand kijkt hem in de ogen. Brommer, bonnetje, bonnetje, brommer, dat is zijn contact met de gasten. Vaak zijn ze ongeduldig, maar hij weet dat dit geen betekenis heeft, dat ze hem evengoed traag zouden noemen als hij snel was. Een oude man die het werk doet van jongens in gescheurde jeans en valse Nikes, sigaret in de mondhoek en een snelle glimlach voor de meisjes.

Ook met zijn nicht wisselt hij zelden een woord. Ze staat achter haar geroosterde eenden en rubberachtige eendenpoten en laat haar hakmes met achteloze zekerheid neerkomen terwijl ze bevelen schreeuwt naar de tienermeisjes in de bediening. Ze praat óver hem, dat wel. Hij heeft haar meer dan eens horen zeggen dat de kolonel niet goed bij zijn hoofd is en dat alle tegenslag die de familie heeft getroffen door hem komt. Hij vermoedt dat in allebei deze beweringen een grond van waarheid schuilt en accepteert met een wrang inzicht in de werking van het menselijk geheugen dat de status en rijkdom die hij diezelfde familie ooit heeft gebracht hem al lang geen krediet meer opleveren.

Eigenlijk praat de kolonel bijna uitsluitend tegen een oude hond die op het binnenplaatsje achter het huis van zijn nicht woont.

Een meisje laat zich van de buddyseat van een Honda glijden. Ze klemt haar rokje tegen haar dijen. Haar vriend kijkt op zijn smartphone als hij het bonnetje aanneemt en naar een tafeltje beent, zijn meisje op zwikkende naaldhakken achter hem aan. De kolonel duwt de goudkleurige scooter over de straat. Nog geen 300 op de teller. Sterk, glad, mooi als een roofdier. Nieuw geld, nieuwe Honda’s en Yamaha’s. Het land begint het land te worden waar hij voor heeft gevochten, al was zijn kant de verliezende.

Na de oorlog kwam hij in een heropvoedingskamp, zoals alle officieren van het verslagen leger. De meesten werden na vijf jaar losgelaten in de nieuwe maatschappij, min of meer aangepast en voor het leven gebrandmerkt, maar hij heeft vijftien jaar in het kamp gezeten, want zijn misdaden waren zwaar. Hij was een hoge officier van de geheime politie. Een ondervrager, een beul. Pas in het jaar waarin het laatste kamp werd opgedoekt, kwam hij vrij, zij het niet van zijn verleden. Zijn naam staat in de schoolboeken tussen de vijanden van het volk en hij is opgehouden hem te gebruiken. Hij noemt zichzelf de kolonel, zoals iedereen hem noemt, spottend en zonder een spoor van het ontzag waarmee deze titel vroeger werd uitgesproken.

Rob Verschuren, Kolonel, Vietnamoorlog
Een moment van victorie. Daarna kwam de heropvoeding
Foto van IncredibleImages4U

De kolonel heeft er weleens over nagedacht of je ook jezelf verliest wanneer je je naam kwijtraakt. Hij kwam tot het besluit dat dit niet zo was. Zijn oude overtuigingen heeft hij losgelaten, maar de heropvoeding heeft hem geen nieuwe gebracht. Hij is gaan inzien dat goed en kwaad woorden zijn die alleen betekenis hebben in de hoofden van de mensen en niet in de wereld, en dat het enige waarop je een man kunt beoordelen is of hij doet wat gedaan moet worden of ervoor wegloopt.

In de oorlog heeft hij gedaan wat in zijn ogen nodig was en in het kamp heeft hij zijn brood gedeeld waar anderen op leven en dood vochten om een korst. Hij weet wat macht is en hij weet wat honger is en hij weet dat beide op hetzelfde neerkomen, zoals de sterren op zijn kraag even weinig over hem hadden verteld als de strepen op de gevangenispyjama waarin hij vijftien jaar heeft rondgelopen.

Er zijn momenten – ’s nachts op het binnenplaatsje, wanneer hij op de koele steen van zijn bankje wacht tot een koud en schoon licht in de wereld komt, of bij het vallen van de avond, als de wolken zwaar zijn van de smeltende kleuren van de ondergaande zon – dat hij denkt dat er een waarheid moet zijn boven de waarheden van de mensen, een absolute goedheid, die ook de mensen omvat, al weten ze het zelf niet. Soms meent hij daar aanwijzingen voor te zien. In zijn jeugd was hij boeddhist, maar ook dat geloof heeft hij weggedaan. Het lijkt hem weinig zin te hebben tenzij je er naar streeft zelf een Boeddha te zijn, en daarvoor bezit hij de kracht noch het karakter.

Rob Verschuren, Kolonel, Vietnamoorlog
…. aangeleerd om de geest blank te maken…..
foto van AboutEducation

Hoewel hij vaak nadenkt, is hij geen man voor introspectie. Zijn mijmeringen omvatten de mensheid als geheel. Zijn eigen ervaringen zijn te veel om door één man gedragen te worden, en in het kamp heeft hij zich aangeleerd om zijn geest blank te maken wanneer een spookbeeld uit het verleden opdoemt. Zo bedreven is hij hierin geworden, dat zijn gedachten zich regelmatig vanzelf uitschakelen. Dan schrikt hij wakker hoewel hij niet sliep en kan zich van de afgelopen uren niets herinneren. Wat de aanleiding was. Wat hij in die periode heeft gedaan. Het enige dat is blijven hangen, is een beeld op zijn netvlies, een vluchtige geur, een nagalm. Geen sensaties die hij een plaats kan geven en toch op een raadselachtige manier met zijn leven verbonden. Het fantoom laat een gevoel van verlies en schuld achter dat hem urenlang bij blijft en soms ook een lichtheid die bijna blijdschap is en iets verbodens heeft.

Ze noemen hem simpel.

Hij parkeert de Honda en gaat weer op zijn krukje zitten. Hij laat het krijtje tussen zijn vingers rollen en ziet het leven langs trekken zonder zijn aandacht te richten, zoals een man vanuit zijn bed naar het gordijn voor het open raam kan kijken. Hoe het zachtjes golft in de wind. De meisjes die gearmd lopen. De taxi’s, de touringcars. Gezichten achter glas, planeetbanen die elkaar kruisen. De armzwaaien van de klantenlokkers, hun onverschillige aansporingen. De lootjesverkoopsters. De balonnenman op zijn onwaarschijnlijke wrak van een brommer, bevolkt met deinende dierfiguren, en zijn snerpende muziekje dat tergend langzaam aanzwelt en afzwakt en binnenin je schedel blijft schuren wanneer het al lang is opgegaan in het koor van de straat. Een scooter stopt en de kolonel trekt het bonnenboekje uit zijn borstzakje.

Tegen tienen neemt de drukte af. Hij zet zijn krukje achter het stalletje en wacht tot een van de meisjes rijstepap in een kom heeft geschept. Ze heet Lente. Haar familie houdt varkens in een dorp veertig kilometer hoger aan de kust. Lente’s gezicht is een maanlandschap van acnekraters, maar haar volle mond staat altijd half open in een warme glimlach.

‘Kan ik vandaag wat botten hebben?’ vraagt de kolonel.

Met haar ogen op de rug van zijn nicht gericht, doet ze een handvol botten in een plastic zakje en maakt het dicht met het elastiekje. Aan de botten zitten nog hele stukken vlees en vel.

Op het binnenplaatsje schudt hij het zakje leeg boven de hondenbak. De teef, die naamloos is als hijzelf, kijkt met troebele ogen naar haar maaltijd. Dan laat ze haar kop terugzakken op haar voorpoten. De kolonel blaast in zijn pap en begint te eten. Later, wanneer hij de kom in de keuken heeft afgespoeld en weer op het bankje zit, bestudeert hij de maan, die vol en spookachtig wit boven de muur hangt en tussen zwarte heksenvingers van wolkenflarden door op haar beurt neerkijkt op het binnenplaatsje en zijn bewoners.

Hij streelt de hond die zich slapend houdt en denkt aan de legende dat het maanoppervlak bedekt is met een zijden doek, door een jager naar de maan geschoten om haar hitte te verzachten. In de donkere plekken zoekt hij de jagersvrouw, bordurend onder een kaneelboom, maar hij ziet andere vormen, duisterder en dreigender.

Hij denkt er een poosje over na waarom wetenschappelijke waarnemingen eerder waar worden gevonden dan legenden en of er slechts één waarheid is of meerdere.  ‘Zou het niet zo kunnen zijn,’ zegt hij zacht tegen de hond, ‘dat de legenden de waarheid spreken over dingen die te vreemd zijn voor wetenschap?’

Wanneer hij naar binnen gaat en op de tast zijn matras opzoekt, is hij niet tot een conclusie gekomen

Rob Verschuren
Over Rob Verschuren 41 Artikelen
Een half leven lang op weg naar het Zuiden, heeft Rob Verschuren via België, Frankrijk en India in 2009 Nha Trang, Vietnam bereikt. Nu hoeft hij niet meer verder. In zijn hangmat aan de Zuid-Chinese Zee schrijft hij reclame voor klanten en fictie voor zijn plezier.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*