De geur van brandend mensenvlees

Lim keerde nooit weerom

Op 7 augustus 1972 werd Lim Phaosen, onderwijzer in de provincie Phatthalung, meegenomen van zijn huis om nooit meer terug te keren. Lim verliet zijn huis die morgen om een school in een ander district te bezoeken. Een soldaat kwam naar hem vragen. Lim’s schoonmoeder, Kloy Ketsang, zei dat hij niet thuis was en vroeg de soldaat later terug te komen.

De soldaat vond Lim in het andere district en dwong hem mee naar huis te gaan, zijn sarong voor andere kleding te verwisselen en nam Lim toen mee naar een nabijgelegen legerkamp. Chaweewan, Lim’s acht-jarige dochter, en haar grootmoeder huilden en smeekten de soldaat mee te mogen naar het kamp wat werd geweigerd. Toen Lim’s vrouw, Khruawan, thuiskwam was ze zeer bezorgd. Maar de soldaat had Kloy en Chaweewan niet precies verteld waar hij Lim mee naar toe had genomen.

Chom Kaewpong, een man uit hetzelfde dorp, was ook opgepakt die dag maar werd een paar dagen later vrijgelaten. Hij vertelde dat hij Lim in het kamp had gezien. Khruawan haastte zich met zijn medicijnen naar het kamp maar de soldaten vertelden haar dat zij Lim niet hadden gearresteerd en dat hij niet in het kamp was.

Khruawan bezocht een aantal kampen en stadjes in de omtrek maar slaagde er niet in Lim te vinden. Tenslotte ontmoette ze een overlevende van het Thachiet kamp die haar vertelde dat Lim in een ‘thang daeng’ (rood olievat) was verbrand. Deze man vertelde ook dat Lim werd gedood omdat hij zich verzette tegen de corrupte plannen van een invloedrijk persoon die een contract had een school te bouwen.

Lim was al tien jaar een ambtenaar maar zijn vrouw Khruawan kreeg geen pensioen en niet eens zijn laatste salaris omdat er geen lijk was en geen overlijdensverklaring (getuigenis in Thairat dagblad, 7 februari 1975)

Staatsgeweld en straffeloosheid: de ‘Red Drum’ moorden in Phatthalung, 1969-1974

De strijd tegen het communisme in Thailand  tussen de jaren 1949 en 1980 ging gepaard met veel schendingen van de mensenrechten, executies, moordpartijen, gevangenisstraffen en verbanningen.  Een schrijnend en weinig bekend voorbeeld zijn de ‘Red Drum’ moorden in Phatthalung  waar naar schatting 3.000 personen op gruwelijke wijze werden omgebracht.

 

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
OLYMPUS DIGITAL CAMERA

3000 vermeende communisten vermoord

Tussen 1969 en 1975 werden in de provincie Patthalung ongeveer 3.000 mensen, die er van verdacht werden communist te zijn, vermoord. Dat gebeurde door ze, levend maar soms half-bewusteloos, in olievaten te stoppen en te verbranden. Een olievat werd aan de onderkant voorzien van een rooster, iemand werd in het vat geplaatst en het geheel werd boven op een ander brandend olievat gezet.

Dat werd gedaan door soldaten in diverse kampen verspreid over de provincie zoals in Baan Kho Lung. Een plantage daar herbergde twee compagnieën soldaten uit de Senanarong barakken in Songkhla en de Ingkayuth Borihan barakken in Pattani.

‘Het was de politiek van de Thanom Kittikachorn regering om de communistische opstandelingen definitief te verjagen’, zegt een vroegere ‘special branche’ politieofficier.  Maar de regering gaf nooit aan wat dat ‘definitief’ betekende. Terwijl de soldaten verdachten in olievaten verbrandden, doodden andere soldaten hele gezinnen in Nakhorn Si Thammaraat en lieten de lijken gewoon liggen, voegt hij er aan toe. ‘De ondergeschikten voerden alleen orders uit. Vergissingen waren onvermijdelijk’.

De politie speelde ook een rol in de drastische onderdrukking, bevestigt hij. Inlichtingendiensten stuurden lijsten met namen van verdachte personen die dan werden gedood of naar het militaire kamp in Baan Kho Lung werden gestuurd.

De angst deed Fon vluchten

De onderdrukking door de politie en de militairen dreef duizenden dorpelingen in de armen van de vogelvrij verklaarde Communistische Partij. Fon Silamul, nu een Provinciale Statenlid, was er één van. Hij herinnert zich hoe angst hem deed vluchten naar de Phu Banthat bergrug nadat soldaten en politie de huizen van zijn familieleden hadden bezocht en alle mannen mee hadden genomen naar het Baan Kho Lung kamp.

Toen familieleden het kamp een paar dagen later bezochten werd hen verteld dat sommigen waren vrijgelaten en dat anderen dood waren. Niemand keerde meer naar huis terug.

Fon zegt dat hij zich geen enkele man, jong en oud, kan herinneren die nog woonde in de dorpen Baan Na, Lamsin, Khao Khram, Baan Tone, Baan Loh Kwai, Baan Lam Nai, Baan Na Wong, Baan Rai Nua en Baan Kongla nadat het nieuws zich verspreidde dat mensen verdacht van hulp aan de communisten levend verbrand werden.

De Communistische partij beloofde bescherming

‘Wat kunnen dorpelingen zoals wij doen wanneer we ingeklemd zitten tussen regeringsfunctionarissen en de Partij? Als we weigerden samen te werken met één van hen verkeerden we in groot gevaar.  De kant kiezen van de communisten leek nog de beste manier om te overleven nu de politie en de soldaten ons niet konden beschermen en alles een enorme knoeiboel was.’

Als mensen niet konden vertrouwen op regeringsfunctionarissen, wendden ze zich tot leden van de Communistische Partij die zich al negen jaar eerder, begin jaren zestig, in dat gebied had gevestigd. Ze beloofde de dorpelingen te beschermen tegen de wreedheden van de militairen en recht en orde te handhaven.

Zaken werden nog verergerd doordat dorpshoofden namen van mensen waarmee ze een verschil van mening hadden toevoegden aan de naamlijsten van verdachte communisten.

Toen aan Fon en andere dorpelingen werd gevraagd hoe ze wisten dat de gearresteerden levend werden verbrand in olievaten vertelden ze dat ze de hele avond het schreeuwen van de slachtoffers konden horen boven het geraas van de militaire trucks nadat verdachten naar het kamp waren gebracht.  De dorpelingen konden brandend menselijk vlees ruiken en ze zagen de rookpluimen opstijgen tegen de nachtelijke hemel.

‘In diezelfde tijd werden sommige arrestanten uit helikopters gegooid boven de Phu Banthad bergrug’, beweert Fon.

Op de vraag of ze ook bewijzen hadden van de massamoord zeiden Fon en andere dorpelingen dat ze schedels en botten hadden gevonden langs de Klong Muay, dicht bij het Baan Kho Lung kamp, nadat het kamp in 1975 was gesloten.  ‘Kinderen voetbalden met de schedels en ons werd verteld dat as en andere overblijfselen werden gedumpt in Lampham, een deel van Thlae Luang in Phatthalung’, voegt Fon er nog aan toe.

Duizenden studenten voegden zich bij de guerilla’s

De communistische opstand 1965-1983 had niet veel om het lijf. De angst voor het communisme, niet geheel onbegrijpelijk gezien de opmars in Laos en Vietnam, was veel groter dan het werkelijke gevaar.

In 1961 zouden kleine groepen Pathet Lao (de Laotiaanse communisten) in Noord-Thailand infiltreren. Ze rekruteerden er onder de vaak onderdrukte groepen, zoals de bergvolkeren. Mensen werden naar China gestuurd voor een opleiding. Pas in 1965 kwam het tot werkelijke gewelddadigheden toen guerillastrijders de veiligheidstroepen begonnen aan te vallen.

De meeste strijders zouden Vietnamezen en Laotianen zijn geweest, een grote aanhang onder de Thaise bevolking kreeg de beweging aanvankelijk niet. Dat veranderde na de gruwelijke massamoord op de Thammasaat Universiteit op 6 oktober 1976 toen duizenden studenten de ‘zuivering’ in Bangkok ontvluchtten en zich bij de guerrilla’s voegden.

De meesten kampen lagen in het Noordoosten, enige in het Noorden en het Zuiden. Veel meer dan 6.000 mannen en vrouwen zullen er niet aan deelgenomen hebben, misschien waren er 3.000 gewapende strijders. Het Thaise leger heeft de opstandelingen kunnen isoleren maar de tienduizenden soldaten hebben de bases nooit kunnen veroveren.

Algehele amnestie

In 1980, toen de opstand al door interne verdeeldheid (strijd tussen de echte maoïsten die zich op China richtten en de meer nationalistische Thais) op zijn gat lag, kondigde premier Prem Tinsulanonda een algehele amnestie af. In 1983 was de opstand over. Veel ex-guerillastrijders bekleden tot heden belangrijke posities in beide politieke kampen en op de universiteiten.

‘Communist’ was in die jaren tussen 1965 en 1980 meer een scheldwoord voor iedereen die als staatsgevaarlijk werd gezien en daardoor de nationale veiligheid bedreigde dan een werkelijke betiteling. Communist was was iedere kritische persoon die zich niet neerlegde bij de militaire dictatoren als Sarit en Thanom. Sommigen werden standrechtelijk in het openbaar geëxecuteerd, velen verdwenen in de gevangenis of gingen in ballingschap.

De angst voor het communisme, aangewakkerd door de Amerikanen, nam ziekelijke vormen aan en leidde tot een reeks van mensenrechtenschendingen zoals de Phatthalung ‘Red Drum’ moorden en de slachting op de Thammasaat Universiteit, 6 oktober 1976. Uit pas ontdekte documenten blijkt dat de Amerikanen, die in die jaren Thailand gedeeltelijk koloniseerden, wisten van de gruwelijkheden.

Periode van grote vrijheid

Op 14 oktober 1973 maakte een volksopstand, begonnen door groepen studenten, een einde aan het  bewind van de ‘Drie Tirannen’: Veldmaarschalk Thanom, Veldmaarschalk Phrapat en hun zoon en schoonzoon kolonel Narong. Er brak een periode van grote vrijheid aan. Verboden boeken werden weer uitgeven, verkocht en gretig gelezen. Er waren veel stakingen, boerenopstanden, discussies en een zekere chaos.

In de loop van 1975 kwamen rechts-extremistische groepen als de Village Scouts, de Red Gaurs en Nawapol, aangezet door de militairen en de politie, naar voren om ‘linkse’ groepen te bestrijden wat uiteindelijk leidde tot de massamoord op de Thammasaat Universiteit (6 oktober 1976), een staatsgreep en hernieuwde onderdrukking van elke vrijheid tot diep in de tachtiger jaren

Maar in begin zeventiger jaren, 1973-1975, trokken veel studenten het land in om mensen voor te lichten over hun rechten, over democratie en vrijheden en hen te helpen bij hun strijd.

Zo kwam het een groepje studentenactivisten, werkzaam in het Zuiden, ter ore dat er in de voorgaande jaren brute moorden waren gepleegd in Phatthalung en omgevende provincies. Het was Phinij Jarusombat, hoofd van de politieke vleugel van het National Student Center of Thailand (NSCT) en vierdejaars student rechten aan de Ramkhamhaeng Universiteit die de eerste berichten meenam naar Bangkok en aan de  NSCT voorlegde.

Zij zorgden ervoor dat overlevenden en getuigen werden meegenomen naar Bangkok waar een levendig openbaar debat plaats ontstond over de gebeurtenissen in Phatthalung. Dat was niet altijd gemakkelijk. Getuigen en actievoerders werden regelmatig bedreigd wat Abdulmanee Abdullah deed opmerken dat hij leefde in de anachak haeng khwaamklua, het Koninkrijk van Angst. Thais-talige dagbladen als Thai Rath, Prachathipatai (Democratie), Prachachaat en Siang Puangchon besteden er in de maanden februari en maart 1975 vrijwel dagelijks aandacht aan.

De minister van Binnenlandse Zaken, Atthasit Sitthisunthorn, stelde midden-februari 1975 een commissie in om de aantijgingen te onderzoeken. De commissie kwam een maand later tot de conclusie dat er inderdaad onschuldige burgers waren gedood en dat regeringsfunctionarissen daarvoor verantwoordelijk waren maar dat het aantal doden niet in de honderden of duizenden liep maar ‘slechts’ zeventig of tachtig personen. Niemand werd gestraft. (In Thailand is een brede overtuiging dat staatsfunctionarissen nooit ter verantwoording kunnen worden geroepen, tenzij….vul maar in).

Het werk van de Internal Security Operations Command (ISOC), dat sinds 1973 een voortzetting was van de Communist Suppression Operations Command (CSOC), werd gewoon voortgezet tot op de dag van vandaag. Na de staatsgreep van oktober 1976 ging deze vreselijk gebeurtenis in de Thaise doofpot die ondertussen dreigt over te lopen.

Illustraties

Tegen de aanvankelijke bezwaren in van regeringsfunctionarissen is er, ik meen in 2003, een monument opgericht in het district Srinakarin (Phatthalung) waar regelmatig de slachtoffers worden herdacht (zie foto boven). Om een indruk te krijgen hoe een Red Drum werkte, klik hier.

Bronnen

Tyrell Haberkorn, Getting Away with Murder in Thailand: State Violence and Impunity in Phatthalung, University Press of Kentucky, 2013

Prapaiparn Rathamarit, Red Drum Murders in Patthalung, Bangkok Post special publication magazine, 15 december 2006

Matthew Zipple, Thailand’s Red Drum Murders Through an Analysis of Declassified Documents, Southeast Review of Asian Studies, Volume 36 (2014 (bladz. 91-111)

Prachatai websiteCrime of the State: Enforced disappearance, killings and impunity

Tino Kuis
Over Tino Kuis 121 Artikelen
Tino Kuis. gepensioneerde huisarts, woont in Zutphen. Na zijn opleiding werkte hij drie jaar als tropenarts in Tanzania en daarna vijfentwintig jaar als huisarts in Vlaardingen. Hij heeft in Nederland drie volwassen kinderen. Tino verbleef van 1999 tot 2017 in Thailand. Zijn 18-jarige Thaise zoon studeert in Chiang Mai. Tino heeft zich gespecialiseerd in Thaise taal, cultuur en geschiedenis.