De Geheimschrijver, Deel 9

Deel 9 Op bezoek bij de ouders van Nico

Op de zaterdag na hun gesprek in het restaurant reden Nico en Eylard in diens besteleend naar Amersfoort om Nico’s bezittingen op te halen. Hij had niet veel en dat kwam goed uit, want hij had niet veel nodig. Roderick had op zolder een bed, compleet met matras en dekbed, ontdekt en een vorige bewoner had een bureau, oud, met aan de zijkanten loslatend fineer en twee laden missend, maar verder in ‘puike toestand’ (Roderick), plus bijbehorende stoel achter gelaten . Hij hoefde nu alleen maar zijn boeken, boekenkastje, platenspeler en platen, zijn posters en het rotantafeltje met twee stoeltjes die van Machteld waren geweest, op te halen. Dat paste volgens Eylard probleemloos in de besteleend. Zijn kleren had hij al eerder in een oude koffer overgebracht.

Roderick zou aanvankelijk ook mee zijn gegaan, maar had zich een dag voor de verhuizing afgemeld. Er was iets met zijn vriendin.
‘Niets bijzonders, Nicolai, maar het vereist nu even mijn aandacht. Bovendien loop ik bij zulke operaties alleen maar in de weg. Ik ben een denker en geen doener, helaas, helaas.’

Hij had het niet willen zeggen, maar het was Nico niet slecht uitgekomen. Hij kon Roderick nog steeds niet goed plaatsen. Hij moest zijn goede kanten hebben, dat was wel uit het verhaal van Eylard gebleken. Maar hij had nog nooit zo iemand meegemaakt. Op het gymnasium had hij wel medeleerlingen uit de zogenaamd betere milieus leren kennen, en sommigen van hen hadden hun best gedaan om excentriek te lijken. Ze rookten pijp, droegen haar tot op de schouders, gingen volledig in het zwart gekleed en declameerden in de pauze poëzie. Nico had altijd gevonden dat het iets geforceerds had en had zijn vader gelijk moeten geven. Pueriel imitatiegedrag, zo had hij het genoemd. Maar dat gold niet voor Roderick. Roderick was zoals hij was. Volledig zichzelf. Daar was niet geforceerds aan. Hij moest er alleen nog aan wennen. En dat zou, zoals Eylard had voorspeld, ongetwijfeld enige tijd duren.

Hij had er huizenhoog tegenop gezien om Roderick aan zijn ouders voor te stellen. Ze waren sociaal-democraten van de oude stempel voor wie de partij van Rodericks vader alles vertegenwoordigde wat ze hun hele leven hadden verafschuwd. De zwartste reactie. En hij had geen idee hoe Roderick zich zou gedragen. Arrogant? Superieur? Of, net zo erg, onverschillig? Nico had zich bij wijze van experiment voor de geest gehaald wat er mis zou kunnen gaan en het experiment snel gestaakt.

Bij Eylard had hij die angst niet. Eylard had weliswaar lang haar en een snor en droeg ‘alternatieve‘ kleding, maar daar waren zijn ouders inmiddels aan gewend, zolang hun eigen zoon maar niet aan deze mode meedeed. Hij had er lang over nagedacht waarom hij Eylard op het eerste gezicht al had gemogen. Hij was er niet goed uitgekomen. Natuurlijk, ze deelden dezelfde interesses, maar dat was niet het belangrijkste. Hij kende meer mensen die van dezelfde boeken, muziek en films hielden en met wie hij toch niet echt bevriend was. Nee, Eylard had iets speciaals dat hij niet kon benoemen, maar waardoor hij zich op zijn gemak voelde. Hij was ervan overtuigd dat zelfs zijn hyperkritische ouders niets verwerpelijks aan hem zouden ontdekken.

Tijdens de rit spraken ze opnieuw over hun toekomstplannen. Eylard zei dat hij zich zou specialiseren, maar wist nog niet waarin.
‘Eerlijk gezegd, wil ik niet te snel klaar zijn. Ik wil niet in dienst en ik wil geen huisarts worden. Ik moet er niet aan denken: een praktijk in zo’n grauwe buitenwijk waar het altijd regent. Met patiënten die je vooral zien als de figuur die ze in de ziektewet kan helpen. En dat kun je ze niet eens kwalijk nemen. Want wat hebben ze: meestal een rotleven, een rotbaan, een rothuwelijk en geen enkel perspectief dat het ooit beter zal worden.

Misschien ga ik wel naar het buitenland, naar de derde wereld. Daar kunnen ze altijd artsen gebruiken. Specialiseren in tropische ziekten. Misschien is dat zo gek nog niet. En jij, wat wil jij doen?’
Hij had geen flauw benul. Hij had op aandringen van zijn vader besloten rechten te gaan studeren. Dat was een studie die vele mogelijkheden bood, had hij gezegd. Welke, had zijn vader niet uitgelegd. Hij had alleen gezegd dat een afgeronde rechtenstudie ‘het ideale paspoort voor de toekomst’ was. Die toekomst kon Nico niets schelen. Hij wilde in de eerste plaats zo snel mogelijk het huis uit en als dat het makkelijkst ging door toe te geven aan de wensen van zijn vader, het zij zo.

Ze reden de straat in waar zijn ouders woonden.
Hij haatte de buurt met zijn identieke eengezinswoningen en keurig onderhouden voortuintjes. Keurig was het sleutelwoord. De meeste bewoners waren keurige mensen. Op zaterdag wasten ze hun auto’s, op zondag gingen de meeste naar de kerk. Iedereen veegde zijn stoep schoon en als het in de winter ’s nachts gesneeuwd had, maakten ze de volgende ochtend de stoep onmiddellijk sneeuwvrij. Hij zag dat de bladeren die de herfstwind uit de bomen had geblazen, waren samen geharkt in keurige bruinrode hoopjes, monumentjes van deugdzaamheid.

Een combinatie van beklemming en walging kwam even plotseling op als maagzuur. Het liefst zou hij rechtsomkeert willen maken. Wegrijden en nooit meer achterom kijken. Hij keek de straat in en zag mevrouw Van der Linden haar hond naar de goot dirigeren. Hij voelde even de aandrang om een paar keer extrahard op de claxon te drukken.
‘Aardige buurt’, zei Eylard zonder een zweem van ironie.

Ze parkeerden tegenover de plek waar de hond met zichtbare inspanning begon te poepen. Ze stapten uit. Eylards haar waaide op in de wind. Mevrouw van der Linden verlegde haar aandacht van de hondenpoep naar de onbekende verschijning in Nico’s gezelschap.
‘Dag mevrouw’, zei Eylard vriendelijk. ‘Ik geloof dat hij klaar is.’
Gijs veegde frenetiek met zijn achterpoten over de stenen, kreeg Nico in het vizier en stak de straat over. Hij snuffelde kwispelend aan Nico en stak even later zijn snuit in het kruis van Eylard.
Mevrouw Van der Linden keek Eylard over haar brillenglazen vorsend aan.
‘Dag mevrouw Van der Linden. Dit is Eylard, een vriend van mij. Hij helpt mij bij de verhuizing.’
Mevrouw Van der Linden knikte Eylard niet onvriendelijk toe.
‘Ja, ik heb van je moeder gehoord dat jij ook het nest verlaat.’
Ze wendde zich tot Eylard.
‘Ik ken hem al vanaf toen hij zo was’.
Ze gaf met een vlakke hand de lengte aan die hij als driejarige peuter zou hebben gehad.
‘Hij was een aardig ventje, nooit brutaal. Maar ja, dat mag je ook verwachten met zulke ouders.’

Nico voelde zich verlegen worden. Hij haatte mevrouw Van der Linden.
‘Dat is hij nog steeds hoor mevrouw,’ zei Eylard. ‘En dat blijft hij ook. Wees u maar niet ongerust. Daar zorg ik wel voor.’
Mevrouw van der Linden nam Eylard nog eens onderzoekend op.
‘Dan zullen we er maar het beste van hopen, wat jij Gijs.’

Ze groette en ging met haar hond twee huizen verder het voortuintje in.
‘Het is de eerste keer dat ik haar zo vriendelijk tegen een vreemde zie doen.Het is een oude tang. Ze pakte de bal af als die bij het voetballen per ongeluk in haar tuin kwam. Een vriendje heeft me een keer verteld dat ze zich moet scheren.’

Nico opende het tuinhek en liet Eylard voorgaan. Hun tuin was zo mogelijk nog netter dan de andere, zag hij tot zijn afgrijzen.
‘Hier is het, ’ zei hij verontschuldigend en belde aan.

 

 

Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 188 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (64) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD. Voor deze laatste organisatie was hij correspondent in Johannesburg, Berlijn en Tokio. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.