De Geheimschrijver, deel 8

Nico heeft zijn diplomatenpost in Zuid-Korea voor korte tijd verlaten, om in Nederland de begrafenis van zijn oude vriend Eylard bij te wonen. Hij logeert zo lang bij Roderick, de andere vriend van het drietal. Intussen neemt Nico de gelegenheid te baat om zijn moeder in het bejaardenhuis te bezoeken.

Ik neem de trap. In het trappenhuis hangen de muffe etensgeuren die de lijflucht van elk bejaardenhuis schijnen te moeten zijn. Dit is haar levensavond. Wachten op het einde in een van levensmoeheid en te lang gekookte bloemkool doortrokken ambiance.

Deel 8: Moeder

In haar gang hangen bij de meeste deuren ingelijste kindertekeningen. Veel Hollandse landschapjes met molens, koeien en felgekleurde bloemen. Soms een onbeholpen portret van de bewoner of, meestal, de bewoonster. Bij de deur van mijn moeder is alleen een bordje met haar naam en kamernummer in de muur geschroefd. Mevrouw L. (van Liesbeth) Duivendrecht heeft geen kleinkinderen die graag tekenen.

Ik sta voor haar deur, mijn rechterhand gebald tot een vuist, met de tot kloppen gekromde wijsvinger enigszins uit het gelid, als een soldaat die weet dat hij gestraft gaat worden. Ik klop niet. Hoeft ook niet. De deur gaat al open.

Daar staat ze. Weer kleiner dan de laatste keer, Ik kus haar op de perkamenten wang en snuif in het dunne haar dat in een streng op haar hoofd is gebonden, de geur van haar shampoo op. Dennen, als altijd.

‘Zo moeder, hier is hij weer, de verloren zoon.’
En druk de plant in haar armen.
‘Trek gauw je jas uit voor alles drijfnat wordt.’
Ik hang de jas op een hangertje aan de binnenkant van de deur en stap over de dweil de kamer binnen.
‘Heb je wel je voeten geveegd’?
Ik besluit de vraag te negeren.
‘Ik hoop dat je hem mooi vindt, de plant bedoel ik.’
‘Hij is prachtig, dank je wel jongen. Ik zal Fatima vragen hem vanmiddag in een andere pot te zetten.’
‘Ik zag daarnet een Turkse of Marokkaanse verzorgster bij de lift. Is dat haar?’
‘Er zijn er drie. Twee Turkse en een Marokkaanse. Fatima is Marokkaans.’
‘Ze had een hoofddoek om. Zo een die ook het voorhoofd bedekt en ze sprak heel goed Nederlands.’
‘Dat is een hijab,’ corrigeert ze. ‘Dat moet Fatima zijn, een geweldige meid die van aanpakken weet en altijd beleefd is. Ze is een stuk beter en aangenamer dan veel van haar Nederlandse collega’s. Die moet je nog wel eens tot de orde roepen. Wil je koffie?’
‘Het was me nooit opgevallen dat er zoveel Turkse en Marokkaanse verzorgsters zijn.’
‘Het gaat niet zonder hen. Nog altijd geen melk en suiker?’

Ik knik en ga in de stoel bij het raam zitten. Niets veranderd sinds het laatste bezoek. Natuurlijk niet. Boekenkast, tv, stereo-installatie, wandklok, kastje met haar favoriete cd’s. Allemaal nog op de zelfde plek. Waarom zou ze ook iets veranderen. Eettafel met twee stoelen. Dressoir met daarop een gehaakte kleedje en een portret van mijn vader en een van mij samen met mijn zuster. De laatste rekwisieten van 85 jaar oppassend leven. In een nis staat haar bed. Haar pantoffels, precies halverwege, keurig naast elkaar op het kleedje ervoor. Op de vensterbank planten waarvan ik de namen niet kan thuisbrengen, maar waarvan zij ongetwijfeld ook de Latijnse soortnaam zou kunnen spuien.

Buiten roffelt de regen energiek tegen het grote venster.
Ik sta op en neem het kinderportret van het dressoir. Ik veertien en zij zestien. God, wat proberen we gelukkig te lijken. Allebei de mond tot een glimlach weten te dwingen, maar de ogen hadden geweigerd mee te lachen. Alsof de ingelijste potentaat op de foto ernaast ons zelfs daar vandaan nog zijn wil kon opleggen. Ik zet de foto terug.
‘Hoe is het met Machteld?’
‘Wel goed, geloof ik. Ze komt vanmiddag langs. Dan kun je het haar zelf vragen.’

We drinken koffie. Zwijgend. Mijn vader is nu ruim 12 jaar dood. En onmiddellijk na zijn crematie is hij uit onze conversatie verdwenen. Alsof hij geen enkel spoor heeft achtergelaten. Opgelost als een astraal lichaam. Ze had een keer gezegd, dat het een goed maar moeilijk huwelijk was geweest. Na enig nadenken had ze daaraan toegevoegd dat een huwelijk met mensen die de moeite waard waren, altijd moeilijk moest zijn. Ik had geen flauw benul wat ze bedoelde en had het niet gevraagd. Er zeker van dat het antwoord me niet zou bevallen.

‘Ik had gedacht dat je misschien wel naar het pannenkoekhuis wilde of naar een ander restaurant om te lunchen.’
‘Dat is erg aardig van je, jongen, maar over een uurtje komt Machteld. Bovendien sla ik de lunch tegenwoordig over. Op mijn leeftijd heb je dat niet meer nodig. Ik neem ’s middags tegenwoordig alleen nog wat fruit en om zeven uur krijgen we ons diner. Het eten is heel behoorlijk, trouwens, sinds ze een andere kok hebben. En ik heb nooit meer gedoe over het feit dat ik vegetariër ben.’

Dit heb ik de vorige keren al gehoord.
Vroeger was een gesprek met haar net als schaken. Je moest nadenken bij elk woord. Scherp zijn. Anticiperen. Anders werd je genadeloos afgestraft en mat gezet. Nu is het als je niet uitkijkt gauw een herhaling van zetten.
‘Je moet de groeten van Roderick van Haeften hebben.’
‘Zo, zie je die weer? Ik dacht dat je met hem gebroken had. Ik heb hem altijd een uiterst onaangename persoon gevonden. Arrogant, een verwende nietsnut die op de positie en reputatie van zijn vader teerde. Wat doe hij nu?’

Ik leg het haar uit en kan aan haar uitdrukking zien dat dit haar oordeel alleen maar bevestigt. Ik vertel wat er met Eylard was gebeurd en dat ik voor zijn begrafenis, en niet zoals ze vermoedelijk zou denken, voor zaken, naar Nederland was gekomen.
‘Wat een in- en intriest einde. Heeft het in de krant gestaan? Ik heb het niet gelezen.’
‘Ik denk niet dat het hier de krant heeft gehaald. Het was niet onmiddellijk als moord gemeld en ik begreep dat de familie er geen ruchtbaarheid aan wilde geven.’

Ze leest sinds jaar en dag alleen de plaatselijke krant en in het weekend de cultuurbijlagen van de kwaliteitskranten.
‘Het was een aardige jongen, voor zover ik me kan herinneren. Maar ja, hoe vaak heb ik hem gezien. Een, twee, hooguit drie keer? Dus, wat kan ik er van zeggen? Het leek me in elk geval geen type voor die Roderick. Was hij na die affaire ook niet met hem gebrouilleerd?’

Ik ben niet in de stemming om de ‘affaire’ op te rakelen, al is het de reden dat ik hier ben, en begin wetenswaardigheden over het leven in Korea te vertellen. Ze was altijd geinteresseerd in verre landen en vreemde volkeren, maar ik weet dat ze zich niet zou laten afleiden, als ze dat niet wilde.

Ze is een en al oor en wijst me nog net niet terecht als ik volgens haar iets onjuists, een onbeduidend detail, vertel over een eeuwenoude traditie die in onbruik dreigt te raken. Dat had ze toevallig op History- of Discovery-channel gezien waar ze vaak naar kijkt. Eens onderwijzeres, altijd onderwijzeres. Ik verlies het laatste restje animo en draai snel mijn verhaal af.

Net als ik wil voorstellen een cd op te zetten, wordt er geklopt. Machteld.
Ze komt binnen, legt een rugzakje op de tafel, kust mijn moeder en begroet mij.
‘Zo broertje, ook weer eens in het land.’
De plichtmatige zoenen. Ze ruikt naar wind en regen.
‘Ben je op de fiets gekomen?’.
Ze fietst altijd, bij tij en ontij.
‘Met dit hondenweer? Ben je gek, veel te gevaarlijk met die windstoten. Nee, ik ben met de auto. Goed je weer te zien, Nico.’

Ze gaat naar het keukentje om samen met mijn moeder koffie te zetten.                          Machteld verandert nooit. Hoelang heb ik haar niet gezien? Twee jaar? Drie jaar? Ze is wat voller rond de heupen, heeft nog altijd dat korte grijze haar, dat brilletje met ronde glazen, en nog altijd geen make-up. Dat had ze na haar 23-ste afgezworen. Jarenlang had ze gevochten voor het recht op mascara en minirok. Mijn vader had telkens weer haar make-upspullen weggesmeten en toen mijn moeder een keer ijzig kalm haar enige stiekem gekochte minirok had stuk geknipt, had ze drie weken niet tegen haar gesproken.

Ik bewonderde haar. Toen ze eenmaal het huis uit was en pedagogie was gaan studeren, had ze de kortste rokken en de wildste oorlogskleuren gedragen die ik ooit had gezien. Ze wisselde even vaak van vriendjes als van ogenschaduw. Zo wilde ik ook leven. Lak hebben aan die ouders en hun geteem over fatsoen. En opeens was het voorbij. Een jaar voor haar afstuderen. Ze had Huib ontmoet, een leraar nota bene, en de make-up werd voor eens en altijd afgeschminkt en de rokjes en bloesjes maakten plaats voor tuinbroeken, T-shirts en jeans. Ze werd links en feministisch, ging werken voor een instelling voor moeilijk opvoedbare kinderen, besloot zelf ‘geen kinderen in deze wereld te zetten’ en ging bijna elk jaar op vakantie naar de DDR, die volgens Huib het ‘betere Duitsland’ was. Dat had me grote problemen bij BZ kunnen bezorgen, maar bij het antecedentenonderzoek was dat de personeelsdienst kennelijk ontgaan of men had het niet verontrustend genoeg gevonden.
Het was niet alleen een ongelooflijke gedaantewisseling, maar ook een onvoorstelbare karakterverandering geweest. Sindsdien was ze me volslagen vreemd.

We knabbelen op volkoren koekjes die Machteld heeft meegebracht uit het reformhuis en bespreken de politieke situatie. Small talk had thuis nooit op de agenda gestaan.Tijdens de avondmaaltijd doceerde mijn vader steevast over het meest actuele brandpunt in de wereldpolitiek, terwijl mijn moeder ons maande goed te luisteren. Mijn gedachten dwaalden afhankelijk van het seizoen af naar de Tour de France , de stand in de voetbalcompetitie of de kansen op een Elfstedentocht. Het had me in elk geval geleerd mijn gezicht in de plooi te houden. Is me later in mijn beroep goed van pas gekomen.

‘Het land is volledig op drift.’
Mijn moeder.
‘Op de scholen heerst de totale chaos. Leerlingen bedreigen leraren met messen en in een geval zelfs met een pistool. Huib overweegt metaaldetectors bij de ingang van de school te plaatsen. Amerikaanse toestanden, maar het moet wel. Alleen ben ik bang dat de toestemming van de inspectie pas komt als er slachtoffers zijn gevallen. Zo gaat dat in dit land.’
Mijn zuster.

Ik luister met een half oor naar haar tirade over allochtone leerlingen, moslimjongens die het verdomden te leren en vrouwen voor minderwaardig en niet-moslims voor ‘Untermenschen’ hielden.

Mijn zuster, ooit met Huib fanatiek op de bres voor de multiculturele samenleving. Die begrip had voor de imam in haar wijkcentrum die haar weigerde een hand te geven. Die de discussie over hoofddoekjes absurd had genoemd. Altijd had verklaard dat ‘wij, niet zij, tekort zijn geschoten.’
En nu :
‘De radicalisering onder de jonge moslimmannen is een geweldig gevaar, dat al veel te lang niet serieus wordt genomen. Dat gaat een keer mis, daar kun je vergif op innemen. Het zal me niets verbazen als er doden vallen.’

‘Wat hoor ik nu: zijn jullie rechts geworden?’
Ze kijkt me kribbig aan.
Volg ik de kranten niet meer? Weet ik dan niet dat dit het grote debat in Nederland was: hoe ga je om met een etnische minderheid die te intolerant is om in een open en tolerante samenleving te kunnen of te willen leven? Dat is een vraagstuk waarop je niet een links of rechts etiket kan plakken. Het wordt hoogtijd dat ik weer eens in Nederland kom wonen. Dan zou ik eindelijk weer eens met echte problemen worden geconfronteerd.

Ik kijk haar aan en denk: ze moest eens weten hoe erg ze nu op haar moeder lijkt. Dezelfde onwrikbare gelijkhebberigheid, dezelfde toon alsof ik het onnozelste jongetje van de klas ben. Dat was me nooit eerder zo duidelijk opgevallen. Waarschijnlijk omdat ik er nooit op gelet heb. Dit zijn mijn moeder en mijn zuster, mijn naaste, nee enige familie…

Als kind heb ik ’s avonds in bed vaak gefantaseerd dat zij niet mijn echte familie konden zijn en ik een stiefkind moest wezen. Door zigeuners of arme Hongaarse vluchtelingen ten vondeling gelegd, zoals die jongen over wie ik bij de kapper had gelezen in een weekblad vol foto’s van sporthelden en vrouwen in voor nu veel te grote, seksloze bikini’s.

Ik had dit geheim ooit een vriendje toevertrouwd. Een paar dagen later riep mijn vader me bij zich en nam me onder handen. Hoe ik het in mijn hoofd had gehaald om dergelijke onzin rond te bazuinen. Voor straf hield hij twee weken zakgeld, twee dubbeltjes, in en mocht ik twee weken de ‘Donald Duck’ niet lezen. Dat vriendje heeft later met klem ontkend dat hij me had verraden. Hij had zijn ouders alleen gevraagd of ze wisten dat mijn vader eigenlijk een zigeuner was.

Ik kijk naar buiten en zie dat het droog is geworden. Een vale, moedeloze strook licht tekent zich aarzelend af tegen de donker dreigende lucht en even denk ik een vogel te horen. Heel voorzichtig, bijna schuchter, alsof hij het toch niet vertrouwt en weet dat hij elk moment weer zou moeten schuilen.

Ik heb geen zin in een discussie.
‘Misschien hebben jullie gelijk. Diplomaten leven vaak te geisoleerd.’
De koekoeksklok slaat. Vier uur. Opeens voel ik de jetlag. Zonder veel overtuiging probeer ik een gaap te onderdrukken.
‘Middernacht in Seoul, Bijna bedtijd. Ik geloof dat ik zo maar eens opstap. Ik heb geen zin om uren in de spits vast te zitten.’
‘Dan mag je inderdaad opschieten, want de spits is al begonnen. Die begint tegenwoordig steeds vroeger,’ weet Machteld.

Ik omhels mijn moeder, beloof nog te zullen bellen voor ik weer vertrek, druk een kus op de wang van zijn zuster, -‘Groet Huib van me. Wanneer komen jullie een keer?’- trek mijn jas aan, zwaai nog eens en ga de gang op. De etensluchten, – bloemkool, broccoli? -, zijn opdringeriger dan een paar uur geleden.

In de hal bel ik vanuit een cel Roderick en spreek als boodschap in dat ik tegen zes, half zeven ‘thuis’ hoop te zijn. Ik moet inwendig lachen om de verspreking, groet de receptioniste die terug lacht en haal de paraplu uit de bak. Het is opnieuw gaan regenen. Ik draai me nog een keer om en zoek het raam waarachter zij moeten staan. Ze zwaaien.
Ik zwaai terug en kan nog net voorkomen dat een windstoot de paraplu uit mijn andere hand rukt. Ik duik weg in mijn jas, hou de paraplu nu met beide handen vast en loop gebogen onder de striemende regen de oprit af naar de auto.

 

 

Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 189 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (64) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD. Voor deze laatste organisatie was hij correspondent in Johannesburg, Berlijn en Tokio. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.