De Geheimschrijver, Deel 7

Deel 7: Bezoekuur

Wat een klote nacht. Vrijwel geen oog dicht gedaan, alleen tegen de ochtend in een onrustige, brokkelige slaap gevallen. Veel gedroomd, maar kan me er niets van herinneren. Zelfs de sfeer niet, wat meestal wel lukt. En die vaak de grondtoon van mijn dag bepaalt. Ik heb een vieze smaak in mijn mond. Ik weet dat ik ’s ochtends steeds sterker uit mijn bek stink, zoals iedereen die ouder wordt. Alsof je zand vermengd met stront hebt gegeten. Alsof de dood zich al in je ingewanden heeft genesteld. Een van de redenen waarom ik niet naast iemand wakker wil worden.

Je hebt mensen die extra lucide zijn tijdens een jetlag. Verbanden ontwaren die ze anders niet zien. Ik niet. Ik ben al blij als ik de elementaire, routinematige handelingen kan verrichten. Beweeg me op de tast door een wereld die alle contouren mist. Duurt dagen, daarheen langer dan hierheen. Al weet ik onderhand niet meer wat hierheen is en wat daarheen.

Tien over negen. Buiten regent het. Het eindeloze doffe gedrein dat me als kind al depressief maakte. Ik maak me wijs dat ik toen al, negen of tien jaar oud, het plan heb opgevat om Nederland te verlaten.
‘Een met trage herkauwers bevolkte polder’. Roderick gisteravond. Ik weet al niet eens meer in welk verband.

Ik sta op, wankel de badkamer in en ga op de plee zitten. Zittend pissen. Moet op mijn leeftijd. Beter voor de prostaat. Kun je ook de aller allerlaatste druppel lozen.
Heb het me al jaren geleden afgeleerd om me in de spiegel te bekijken, maar hier is er geen ontkomen aan. Wie in hemelsnaam brengt een mansgrote spiegel tegenover de plee aan? Grapje van de gastheer? Opdat de gasten geconfronteerd worden met het huiveringwekkende schouwspel van hun aftakeling? In mijn geval schiet hij raak. Heb nog altijd een goede kop met haar, beschaafd grijzend aan de slapen, ben slank om niet te zeggen mager, heb geen rare uitstulpingen aan de voeten, geen puntknieën, geen verkalkte teennagels maar wel kromme te dunne benen, tietjes die beginnen te hangen, huid wordt sowieso slap, als een tent die niet goed is opgezet. Wallen onder de ogen, dikke oogleden (jetlag!) ingevallen wangen. Grijs schaduwend stoppelveld op kin en wangen. Ik trek snel door en een ongetwijfeld gifgele plas gorgelt weg.

Ik stap onder de douche en boen me met een masserende borstel in de hoop dat de opkomende somberte kan worden weg geschrobd.

Er is alleen voor mij gedekt. Naast het bord ligt een Financial Times met twee paar sleutels en een briefje.

Nicolai,

Herrezen uit het schimmenrijk? Tank vol, banden op spanning, paraplu in achterbak. Rij svp niet te hard. Bromsnor is streng tegenwoordig. Ben zelf vermoedelijk niet te laat terug. Misschien samen dineren? Hare majesteit heeft dringende b.b.h. Ken aardige tent in de duinen. Bel tegen het eind van de middag even op mobiel nummer (06……) Daarop altijd bereikbaar.

Groet je moeder.

Tot vanavond,

R’.

Grace komt binnen met een glas sinaasappelsap en een schaaltje muesli, vraagt of ik thee of koffie wil en hoe ik mijn eieren wil.
Het is even over tienen. Als ik tegen elf uur vertrek kan ik tegen lunchtijd in Amersfoort zijn. Misschien wil ze wel naar het pannenkoekhuis, net als de vorige keer.
Ik kan de auto nemen. Had Roderick op gestaan. Hijzelf zou zich laten afhalen door zijn chauffeur.

‘Moet die luie flikker ook eens vroeg zijn nest uit en hoef jij niet met de trein. De NS is hopeloos tegenwoordig. De treinen zijn nooit op tijd en vallen regelmatig uit. omdat ze, hou je vast, vierkante wielen hebben.’

Had ik nog nooit van gehoord en hij legde het me uit, grinnikend om mijn verbazing. Het was het zoveelste bewijs van tekortschietende dienstverlening, in gebreke blijvende bedrijfsvoering, talentloos management. Van kortom, het in het moeras van zijn eigen middelmatigheid wegzakkend Nederland.

Het ging begreep ik tenslotte om tot pulp gemalen bladeren die vastkoeken rond de wielen en ze daardoor blokkeren.
‘De NS zegt dat ze geen personeel hebben om de rails schoon te houden. Echt jongen, het wordt steeds gekker in dit land.’

Ik blader snel door de krant en eet mijn eieren met bacon, worstjes en toast. Ik complimenteer Grace die verlegen lacht en drink mijn koffie.

Om tien voor elf zit ik in de auto en rij voorzichtig de laan uit om te wennen aan de Lexus. De wind jaagt de regen tegen de voorruit en ik weet dat ik uit moet kijken voor losgerukte, vallende takken. Als ik de weg opdraai zie ik de politieauto staan. Sinds de moord op Fortuyn krijgt een aantal prominente sympathisanten politiebescherming, vertelde Roderick gisteren tijdens de avondwandeling. Ook hijzelf. Hij was genoemd voor een post in diens kabinet.

‘Ja jongen, als die dol gedraaide dierenvriend hem niet overhoop had geschoten, was ik nu misschien zijne excellentie Roderick geweest. Op economische zaken. Familietraditie voortgezet, al denk ik niet dat de Grote Staatsman daar verguld mee zou zijn geweest.’

‘Het was natuurlijk niets geworden met dat kabinet. Teveel onbenullen en praatjesmakers, maar het was de hoogste tijd dat die zelfgenoegzame neuzelaars in Den Haag een schop onder hun vadsige achterwerk kregen. Je kunt veel van Pim zeggen maar hij zorgde wel voor leven in de brouwerij.’

We waren langs een kapitale villa gelopen die door de kale takken van struiken en bomen gedeeltelijk zichtbaar was.
‘Daar woont een van de Pimmisten van het eerste uur. Een steenrijke jood, zo een die er niet voor uit wil komen dat hij van het oude volk is. Je kent het type. Pinkring en Rolex. Meervoudig winnaar van de door mij uitgereikte parvenutrofee. Virtueel, natuurlijk, die trofee. Ik drink wel eens een borrel met hem om voeling te houden met wat er in die biotoop broeit.’

Op de terugweg had Roderick even op de ruit van de politiewagen getikt en de verveeld in hun stoelen hangende mannen ‘goede wacht’ gewenst en beloofd dat Grace ze ’s ochtends koffie en verse croissants zou brengen.
‘Altijd ruimhartig zijn tegenover het gemene volk. Zo had de Grote Staatsman het graag gezien’.

Ik luister naar een talkshow. Ik ken een collega die zich de eerste dag in Nederland altijd opsluit in zijn hotelkamer om naar de tv te kijken en de radio te luisteren. Mentale voorbereiding om de ontmoeting met familie, vrienden en collega’s aan te kunnen.

Ik las in het vliegtuig de dag oude Telegraaf en vroeg de stewardess wie de mij onbekende figuren van de foto op de voorpagina waren.
‘Maar meneer, weet u dat niet? Dat zijn die en die. U bent vast al heel lang weg. Dat zijn echte BN-ers.’
‘BN-ers?’
‘Bekende Nederlanders.’ Ze giechelde om zoveel wereldvreemdheid.

De BN-ers op de radio praten in plat Amsterdams en lachen om grappen die ik niet begrijp.
Ik zet de radio af.
Ik hoef ze niet te kennen, die BN-ers, omdat mijn moeder ze ook niet kent. Verder spreek ik hier trouwens zelden met iemand. Soms met mijn zuster, als ze er is. Meestal ga ik op verlof even bij mijn moeder langs en vlieg dan gelijk door.

Naar een plek om te lezen en te wandelen. Maakt in principe niet uit waar. Als er maar niet geholladieed wordt en ik niet op elke straathoek straalbezopen landgenoten tegen het volgevreten lijf loop. IJsland is me de laatste jaren goed bevallen.

Ondanks de regen schiet ik goed op. Ik dreig te vroeg aan te komen en minder gas.
Ik parkeer een paar straten voor het tehuis, zodat ze me niet met Rodericks vette Lexus ziet aankomen. Ze houdt niet van luxe auto’s, en al helemaal niet dat haar zoon daarin rijdt. Bij een bloemist koop ik een kamerplant en met de plant in de ene en de paraplu in de andere worstel ik me door de zwiepende regen naar het flatgebouw.

De receptioniste lacht me tegemoet.
‘Dag meneer Duivendrecht. Wat aardig dat u aan me gedacht hebt. Grapje. Uw moeder is erg opgewonden. Ze heeft u zo’n tijd niet gezien.’

Opgewonden, mijn moeder. Ik heb haar nooit opgewonden gezien. Ik zet de paraplu in de paraplubak en loop naar de lift. Rechts van de ingang is een afgesloten glazen hok waarin drie oude mannen in een lichte grijswitte mist zitten te roken. Bij de lift staat een oude vrouw in een lichtblauwe peignoir en met loshangend dun grijs haar in zichzelf te praten. Ze heeft een rollator half de lift ingeduwd, zodat de liftdeur bij het sluiten er telkens tegenaan stoot en weer open gaat. Ze maakt geen aanstalten om de lift in te stappen. Net als ik wil vragen naar welke verdieping ze wil, verschijnt er een verzorgster. Marokkaanse of Turkse. Ze draagt een hoofddoek die ook haar voorhoofd bedekt.

‘Nee, mevrouw Pieterse. Dat doen we niet, hoor. We zijn nog niet klaar voor vandaag. We moeten nog twee rondjes. Kom, dan kan meneer met de lift.’
Vlekkeloos ABN.
‘Ze heeft geen zin om te lopen, maar dat is goed voor haar. Anders zit ze de hele dag op haar kamer voor zich uit te koekeloeren. Kom, mevrouw Pieterse, daar gaan we weer.’

De verzorgster trekt de rollator uit de lift en poot mevrouw Pieterse geroutineerd achter het apparaat. Samen schuifelen ze behoedzaam door de gang, waar meer bejaarden, sommigen onder begeleiding, anderen alleen, met hun rollator in training zijn.

Ik neem de trap. In het trappenhuis hangen de muffe etensgeuren die de lijflucht van elk bejaardenhuis schijnen te moeten zijn. Dit is haar levensavond. Wachten op het einde in een van levensmoeheid en te lang gekookte bloemkool doortrokken ambiance.

Wordt vervolgd.

Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 197 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (64) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD. Voor deze laatste organisatie was hij correspondent in Johannesburg, Berlijn en Tokio. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.