De Geheimschrijver, Deel 6


Nico en Eylard hebben met elkaar afgesproken in een restaurant. Het is de eerste keer, dat Nico in zo’n chique restaurant komt.

Een diep gevoel van welbehagen kwam over hem. Hij veegde net als Eylard met een stukje brood de laatste restjes saus van zijn bord en bedacht dat hij eigenlijk een boer wilde laten. Hij had ooit gelezen dat Chinezen dat deden ter afsluiting van een goed diner en dat kwam hem nu heel logisch voor. Hij zag dat het feestende gezelschap de ene toost na de andere uitbracht en hij voelde zich nu ook heel feestelijk.

Deel 6: Eylard

Eylard voerde voornamelijk het woord. Hij kwam uit een familie van artsen. Zijn grootvader, vader en oudere broer waren ‘medicijnmannen’ en hoewel zijn belangstelling eerder naar muziek uitging en hij liever naar het conservatorium was gegaan, was hij uiteindelijk toch gezwicht voor de familietraditie. Ze hadden gelijk, zei hij. Als arts had je een zeker bestaan. Als je als musicus mislukte, en dat risico was veel groter dan de kans op succes, kon je hooguit pianoleraar of barpianist worden. En daar had hij niet aan moeten denken.

‘Ik wist niet dat je vooral van klassieke muziek houdt,’ zei Nico. ‘Ik had de indruk gekregen dat je meer in de pop zat.’
‘Vanwege mijn haar, zeker. Dat denkt iedereen. Ik hou van goede muziek. Dan maakt het niet uit of het klassiek of pop is. Er wordt nu wel heel serieus over klassieke muziek gedaan, maar je moet nooit vergeten dat componisten als Haydn en Mozart in de eerste plaats hun publiek en opdrachtgevers moesten vermaken. Dat maakt in principe geen verschil met wat bijvoorbeeld de Beatles doen. Ik hou van Beethoven, maar ook van Frank Zappa, the Band en Bob Dylan, Jimmy Hendrikx.’
‘Daar zit wat in’, zei Nico nadenkend. ‘Maar mag ik je iets heel anders vragen? Het is van de hak op de tak, dat geef ik toe, maar ik vraag me af hoe iemand als jij corpslid kan zijn.’

Hij had eigenlijk willen weten hoe hij met iemand als Roderick bevriend kon zijn, maar het had hem beter geleken die vraag uit te stellen tot een later tijdstip. Als hij daartoe ooit de gelegenheid zou krijgen en de vraag nog actueel zou zijn.

Eylard glimlachte en nam een slok wijn.
‘Dat is ook een familietraditie. Maar ik ben geen lid meer en eigenlijk nooit geweest. Ik had me voorgenomen er uit te stappen, zodra iemand me geilaard zou noemen. Dat deden ze op het gymnasium wel eens. Nou, dat gebeurde op de tweede dag van de ontgroening. Een ladderzatte ouderejaars had zijn lul uit zijn broek gehaald en gebrald ‘geilaard, pijpen!’
‘Jezus, wat heb je toen gedaan?’
‘Ik heb er in gebeten. Niet te hard en niet in zijn eikel, maar hard genoeg dat hij het met zijn dronken kop goed voelde.’
Hij grinnikte.
‘Het werd een enorme heisa. De commissie kwam er in volle oorlogssterkte aan te pas. Ik moest mijn excuses aanbieden en het afdrinken. Dat heb ik niet gedaan en toen was het afgelopen. Ze hebben nog wel op me ingepraat, familietraditie zus, familietraditie zo, mijn broer erbij gehaald, maar ik had er helemaal geen zin meer in. Nooit gehad, eerlijk gezegd.’
‘Hoe reageerde je vader?’
‘Hij heeft een paar weken niet met me gesproken. En met mijn broer praat ik nog steeds niet. Dat is niet zo erg, want zoveel hebben we elkaar niet te zeggen. Mijn vader houdt nu de kosten van het lidmaatschap in van mijn toelage. Maar ja, dat is zijn goed recht.’

Nico was diep onder de indruk. Hij vroeg zich af of hij ooit zoiets zou hebben gedaan, de zuiplap in zijn lul bijten, zijn vader voor het hoofd stoten, zijn broer te schande maken, alle deuren tot een gouden toekomst in het slot gooien, en wist onmiddellijk het antwoord.

‘En dan ben je even het gesprek van de dag en een held voor de een en een verrader voor de ander, maar dat gaat ook weer over. Ik heb toen veel steun aan Roderick gehad. Hij wou uit solidariteit ook zijn lidmaatschap opzeggen. Maar dat heb ik tegengehouden. Het zou niet verstandig zijn geweest.Voor je het weet staat het in de krant, zoon van minister betrokken bij ontgroeningsrel, dat soort dingen en daar schiet niemand wat mee op. Hij is nog wel lid, maar gaat nog zelden naar de sociëteit. Hij trekt alleen op met een paar jaargenoten met wie hij het goed kan vinden.’

Dat was echte vriendschap, dacht Nico. Door dik en dun. Voor elkaar door het vuur gaan, desnoods de hele wereld trotseren. Hij was blij dat hij die vraag over Roderick niet had gesteld. Hij voelde zich ook enigszins beschaamd. Hij had Roderick volledig verkeerd beoordeeld. Hij was geen opgeblazen corpsbal. Hij had misschien zijn eigenaardigheden, maar hij was meer dan een verwend rijkeluiszoontje. Dat had zijn houding tegenover Eylard wel bewezen. En was Roderick ook niet grootmoedig tegen hem geweest? Dankzij hem had hij een prachtige kamer tegen een belachelijk lage huur. Hij moest dankbaar zijn dat hij in die paar weken twee van die geweldige vrienden had leren kennen, die bovendien bereid waren hem in hun vriendschap op te nemen. Hij hief zijn glas.
‘Op Roderick.’
‘Ja’, zei Eylard. ‘Op Roderick.’
‘Ok, zei Eylard na een korte pauze. ‘Vertel me eens hoe je laatste ontmoeting met Roderick is verlopen.’

Nico bracht uitvoerig verslag uit en liet geen detail onvermeld. Hij had zich sinds tijden niet zo ontspannen gevoeld. Hij was niet dronken, verre van dat, maar verkeerde wel in een zacht schemerende roes, en wilde de avond zo lang mogelijk rekken. Toen hij de gefingeerde huurders vermeldde, zag hij Eylard grinniken.

‘Heb je op die namen gelet?’
‘Nee, hoezo?’
‘Het zijn de namen van politieke tegenstanders van zijn vader. Dit soort grappen is nu typisch iets van Roderick.’
‘Net als dat rare taalgebruik van hem?’
‘Hij persifleert zijn vader. Die spreekt ook zo. Zo is het tenminste begonnen, maar ik vraag me inderdaad wel eens af of hij het zelf nog in de gaten heeft. Het is zo’n beetje een tweede natuur geworden, denk ik. Maar daar wen je op den duur wel aan. Het is dat jij het zegt, maar mij valt het allang niet meer op. Maar ja, ik ken hem natuurlijk al zo lang.’

Eylard vertelde dat ze samen op het gymnasium in Den Haag hadden gezeten. Dat het tussen hen van meet af aan geklikt had. Dat Roderick een briljante leerling was geweest.
‘Het ging hem heel makkelijk af. Hij heeft alfa en bèta gedaan met in beide verreweg het beste eindexamen. Hij had eigenlijk klassieke talen willen studeren en het zou me niets verbazen als hij dat alsnog erbij gaat doen.’

En dat hij bij vrijwel iedereen getapt was, zowel bij de medeleerlingen als de leraren.
‘Hoe is zijn vriendin eigenlijk?’, vroeg Nico. ‘Kent hij die ook al van school?’
‘Charlotte. Die kent ie al van de kleuterschool. Zijn vader en haar vader zijn sinds eeuwen bevriend, waren dispuutgenoten, geloof ik.’

Hij aarzelde even, leek nog even wat te willen zeggen, maar sneed een ander onderwerp aan.
‘Heeft Roderick je verteld van de voorwaarde waarop je de kamer hebt gekregen?’
Nico keek hem verbijsterd aan. Voorwaarde? Hij wist niets van een voorwaarde. Zie je wel, er zat toch een addertje onder het gras. Het was toch te mooi om waar te kunnen zijn. De euforie verdampte onmiddellijk. Hij voelde een koude rilling over zijn rug lopen.

‘Maak je niet ongerust,’ lachte Eylard. ‘Het is niets raars of onmogelijks. Gek, dat je het je niet kan herinneren, want ik weet zeker dat Roderick het tegen je gezegd heeft. Hij heeft het tegen mij nadrukkelijk vermeld.’
‘Wat is het dan?’, zei hij en hoorde het ongeduld in zijn stem trillen.
‘Nogmaals, het is niets om je over op te winden. En je hebt het trouwens in eigen hand. Je mag die kamer hebben op voorwaarde dat je het eerste jaar in een keer haalt. De vorige huurder heeft er een zooitje van gemaakt. Alleen maar gefeest, en daar hebben we geen zin meer in. Lijkt me niet onoverkomelijk, toch?’

De opluchting moest in neon van zijn voorhoofd hebben gestraald, want hij zag hoe Eylard hem met grote ogen aankeek.
‘Natuurlijk, dat spreekt van zelf. Dat wil ik zelf uiteraard ook.’
Hij lachte, spitte snel in zijn geheugen en delfde de slotscène van zijn ontmoeting met Roderick nog eens op. Opeens wist hij het. Wat hij in zijn benevelde toestand voor een onbegrijpelijke grap had gehouden, was natuurlijk die voorwaarde geweest. Dat kon niet anders.

‘Ja, nu herinner ik het me weer. Hij heeft het tegen me gezegd toen ik wegging. Stom van me.’
Hij lachte, nam een slok wijn en voelde het gevoel van welbehagen weer door zijn lichaam gloeien.
Ze bestelden koffie met calvados, die Nico zeer goed beviel, en spraken uitvoerig over toekomstplannen, muziek, boeken en films. Het feestvierende gezelschap was allang vertrokken en de ober was al een paar maal demonstratief langs hun nis gelopen, toen Eylard de rekening vroeg. Nico zag dat hij een biljet van honderd gulden in de rekening vouwde. Hij schrok en stelde voor zijn deel te betalen. Waarvan, dat wist hij niet, want hij had nog maar 35 gulden voor de rest van de maand, maar hij vond dat hij het gebaar moest maken.

Eylard schudde lachend zijn hoofd.
‘Ik heb je uitgenodigd. Jouw beurt komt nog. Maak je niet ongerust.’
Hij gaf de rekening aan de ober.
‘Het is goed zo.’

De ober begeleidde hen naar de uitgang en hielp Nico in zijn jas. Ze verlieten het restaurant. Het miezerde. Eylard huiverde en sloeg de kraag van zijn colbertje op.
Hij wees op de besteleend.
‘Als je hulp nodig hebt met de verhuizing…’
‘Graag’, zei Nico.

Ze schudden elkaar de hand en Eylard stapte zijn auto in. De eend wilde niet direct starten. Pas bij de vierde poging sloeg de motor aan. Eylard liet hem even doorloeien voor hij met een krachtige claxonstoot en een kort handopsteken wegreed. Nico keek hem na tot hij uit zicht was en liep met zijn handen in zijn zakken door de lege, van regen glimmende straten naar huis.

 

 


Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 233 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (1951) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD, het Financieele Dagblad en diverse omroepen. Hij was correspondent in Johannesburg, Berlijn, Tokio en Rome. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.