De Geheimschrijver, deel 43


Roderick zet al schoenen poetsend zijn sarcastische bespiegelingen voort. Nico hoort het aan en besluit tegengas te geven. Hij kan niet echt kwaad worden, trekt zijn glimmend gepoetste schoenen aan. ‘Ik weet dat ik woedend moet zijn maar ik ben het niet. Ik voel niets, behalve een grote leegte. Zijn ijzigheid heeft mijn woede gedoofd. Denk ik. Maar ik weet dat ik allang geleden vergeten ben hoe je woedend moet worden.’

Na regen collectieve actie

Roderick staat met zijn handen in zijn zakken in de deuropening te roken. Hij blaast een wolk de lucht in die onmiddellijk verdwijnt in de gestaag neergutsende regen.
‘De taxi is gebeld,’ zegt hij zonder op of om te kijken en stapt opzij.

Ik besluit aan de straatweg op de taxi te wachten. Als ik halverwege het pad ben hoor ik hem roepen. Ik zet de koffer neer om mijn jas beter dicht te doen en loop verder. Ik geloof dat ik hem hoor lachen, maar dat kan ook verbeelding zijn.
Ik ga onder een boom, in de lichtval van een lantaarn staan zodat de taxichauffeur me goed kan zien. Er is geen enkel verkeer. Schuin tegenover me staat de politiewagen waarin een zwak licht brandt.
De taxi moet nu elk moment komen. Ik voel de regen langs mijn nek sijpelen en veeg hem droog met mijn zakdoek. Zolang kan een taxi er op een stille zondagavond niet over doen. Ik ga de straat op en kijk in beide richtingen of hij er aankomt. Ik zie een auto komen, maar als ik naar voren stap om hem te wenken, zie ik dat het geen taxi is. .Ik kan nog net op tijd naar achteren springen, struikel, val bijna achterover, slaag er nog net in mijn evenwicht te bewaren maar voel onmiddellijk dat ik door mijn linker enkel zwik.

Godverdomme, ook dat nog. Ik zoek steun bij de lantaarnpaal, ga op een been staan en beweeg mijn voet op en neer. In beweging houden, hoor ik mezelf mompelen. Het doet geen pijn en ik ga van uit dat de enkel in elk geval niet verstuikt of zelfs maar verzwikt is. Ik ga met mijn volle gewicht op mijn linkervoet staan en constateer dat er niets aan de hand is. Ik kijk op mijn horloge. Het is minstens een kwartier geleden dat Roderick de taxi heeft gebeld. Of gezegd heeft dat hij de taxi zou bellen. Opeens dringt het tot me door. Hij heeft de taxi helemaal niet gebeld. De klootzak. Hij wil me extra vernederen.

Ik moet met hangende pootjes terug komen. En hij zou me net zo lang voor de deur laten staan tot ik totaal verzopen was. En dan grijnzend opendoen. Dag Nicolai, dag jongen. Beetje nat buiten, he. Dat is zijn stijl. Maar dat gebeurt niet, nooit van mijn leven. Maar wat moet ik doen? Naar het station lopen in de hoop daar een taxi te vinden? Dat is te ver. En de kans is groot dat daar op dit late uur geen taxi meer zou staan Met mijn enkel was naar alle waarschijnlijkheid niets aan de hand, maar ik durf hem niet forceren. Liften? Belachelijk, geen auto te zien en dan nog, wie zou voor me stoppen? Ik zelf zou zo laat op de avond ook geen drijfnatte, half verzopen vreemdeling meenemen. Mijn jas is inmiddels zo nat, dat de regen door de stof begint te slaan. Op de schouders. Het is godverdomme mijn eigen schuld. Had ik maar niet hier moeten komen.

Opeens hoor ik een autoportier dicht slaan. Ik zie door het regengordijn een figuur met een paraplu de straat oversteken en op me afkomen. Een van de politiemannen. Komt me arresteren omdat ik me op een verdachte plek ophoud en me verdacht gedraag. Ondanks alles moet ik lachen.
Het is de jongen met het dunne snorretje.  Ik steek mijn handen op.
‘Mag ik u vragen wat u hier doet? Ik zou ook graag willen dat u zich identificeerde.’
‘Ik wacht op een taxi die maar niet komen wil.’

Ik haal mijn paspoort te voorschijn.
‘U bent diplomaat en bent gevestigd in Seoul?’
‘Het is misschien een vreemd verhaal, maar ik wacht echt op een taxi. Ik moet morgenochtend al heel vroeg in Den Haag zijn en besloot daarom vanavond al te gaan. Ik wilde mijn gastheer niet ontrieven door hem te vragen mij naar mijn hotel te brengen. Hij had denk ik net iets te veel gedronken en moet morgen bovendien ook weer vroeg op. Hij zal nu wel in bed liggen en ik wil hem niet storen.U kent hem natuurlijk. Meneer van Haeften. Wij hebben elkaar trouwens al eerder gezien. Donderdag of vrijdagavond laat, toen we een avondwandeling maakten.’

Ik krijg het paspoort terug.
‘Ja inderdaad, ik zie het nu ook. U bent zo nat, dat ik u niet gelijk herkende. Wat een beestenweer. Zou u misschien even met me willen meegaan?’
We steken de straat over. De politieman geeft me zijn paraplu, vraagt me even te wachten en voegt zich bij zijn collega in de auto. Door de beslagen raampjes zie ik twee schimmen met elkaar praten.
Even later gaat een portierraampje open.

‘Het is in orde, meneer Duivendrecht. Mijn collega zal een taxi voor u bellen. U kunt zolang achterin zitten als u wil, maar het zal niet lang duren.’
Ik bedank hem en zeg dat ik de boel niet nat wil maken en buiten blijf wachten.
Ik heb geen zin om in een bedompte, naar natte regenjassen, oude frieten en verschaalde lijflucht stinkende auto nietszeggendheden uit te wisselen met de politiemannen. Na een paar minuten zie ik een taxi opdoemen. Ik klop op het raampje, bedank de politiemannen, klap de paraplu in, zet hem tegen de auto en stap in de taxi.

Ondanks mijn verregende verschijning herkent de receptionist me onmiddellijk. Hij heeft alleen nog een suite vrij die ik als regelmatige gast van BZ voor de prijs van een eenpersoonskamer mag hebben.
Ik geef hem mijn creditkaart en vraag voor morgen een auto te huren.

Ik lig met een glas rode wijn in een heet bad en merk hoe moe ik ben.  En leeg. En absoluut niet in staat na te denken. Hoeft ook niet. Wil ik ook niet. Ik draai de kraan dicht en strek een been uit. Beweeg de grote teen die uit het wollige schuim steekt en wiegel een paar keer met mijn voet om de enkel te testen. Lijkt ok. Ik breng een toast uit op mezelf en neem een grote slok wijn.

Ik ben vergeten dat het glas te vol is en een klein straaltje wijn sijpelt langs mijn kin en keel in het witte schuim. Als een bloedspoor in de sneeuw.
Het bad en de wijn doen me goed. Net als het besluit morgen toch naar de begrafenis te gaan.

HOOFDSTUK 14: ELLIE

Tegen het eind van de volgende middag ging hij opnieuw langs bij Henk. Henk bleek net terug van een ‘actieweekend’ in een bos dat gerooid dreigde te worden om plaats te maken voor een autosnelweg. Hij was nog vol van zijn belevenissen en vooral van de ‘solidariteit tussen de actievoerders.’ Hij vertelde uitvoerig en enthousiast over de hutten die ze in de bomen hadden gebouwd en over een bejaarde actievoerder die besloten had daar permanent in te gaan wonen.

‘Dat is een geweldige stunt, vind je niet? De politie zal zo’n oude man nooit met geweld uit de boom willen halen en als ze het toch doen is het voor ons geweldige publiciteit. Dat haalt het Journaal en alle grote kranten. Waarom kom je niet een keer mee? De sfeer is fantastisch en het is voor een goed doel.’

Nico gaf geen antwoord. Hij hield niet van dergelijke acties en huiverde bij de gedachte dat hij met wildvreemde figuren rond een kampvuur ‘We Shall Overcome’ moest zingen, achter een struik moest poepen en zich dagen niet goed zou kunnen wassen. Hij had ook nooit padvinder willen worden en was een onbekende hogere macht nog altijd dankbaar dat de hopman van de groep waarbij zijn moeder hem had aangemeld om onduidelijke redenen had moeten opstappen. Zijn zuster die altijd alles wist, had hem later verteld dat de man ‘met jongetjes had gerommeld.’ Hij had niet begrepen wat dat rommelen kon zijn, maar dat kon hem niet schelen. Hij hoefde in elk geval niet met andere ‘welpen’ in een rijtje te lopen, sporen te zoeken en verdwalen in het bos en een keer per jaar voor een kwartje per keer kolen te scheppen en boodschappen te doen voor die vreselijke mevrouw Van der Linden

Hij zei dit niet tegen Henk, want hij wilde hem niet op voorhand ongunstig stemmen. Hij mompelde iets over tijd en Judith en stelde voor naar de kroeg te gaan. Onderweg vertelde Henk in zijn nog altijd niet te stuiten enthousiasme dat hij daar ‘een ontzettend leuke meid’ had ontmoet en dat hij met haar ‘in het organisatiecomité was gekozen’. Nico vroeg zich af of dit niet te koste zou gaan van zijn studie, maar hield ook dit voor zich.

Hij bestelde twee bier en terwijl Henk oude bekenden begroette en hen kennelijk ook probeerde te werven voor de reddingscampagne, dacht hij na over de te volgen strategie. Na enig gepeins besloot hij het Henk direct op de man af te vragen. Hij ging zitten met het bier en wachtte op Henk, die stralend meldde dat hij twee vrienden zover had gekregen dat ze het volgende weekend mee zouden gaan. Hij hief zijn glas en zei tegen Nico:
‘Zo zie je maar weer. Voor een goed doel kun je de mensen nog altijd in beweging krijgen.’

Ze praatten nog een tijd over de voordelen van collectieve actie, dat wil zeggen, Henk voerde het woord en Nico liet van tijd tot tijd een vaag instemmend geluid horen, tot Henks geestdriftige woordenstroom overging in een wat rustiger spreektrant en Nico bij de derde pils de tijd rijp achtte om zijn onderwerp ter sprake te brengen. Hij herinnerde hem aan wat hij bij een vorige gelegenheid over Roderick en problemen met jonge meisjes had gezegd.

‘Ik weet dat ik het je niet mag vragen, maar van wie had je die informatie?’

 


Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 241 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (1951) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD, het Financieele Dagblad en diverse omroepen. Hij was correspondent in Johannesburg, Berlijn, Tokio en Rome. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.