De Geheimschrijver, deel 40

Na de raadselachtige nachtelijke ontmoeting met het bange meisje Emma keren Roderick en Tino huiswaarts. Nico piekert in bed over het gedrag van Roderick en wordt dan overvallen door een heftig verlangen naar Judith.
Hij zou dicht tegen haar aan willen kruipen, haar warme slapende lichaam vast willen houden en de unieke intieme geur van haar haar willen ruiken. Hij sloot zijn ogen en vroeg zich af of zij hij hem ook zou missen.
Hij moest toch weggedommeld zijn, want toen hij weer wakker werd was het een stuk lichter. Hij keek op zijn horloge, vijf over half negen. Hij merkte dat hij moest pissen en besloot op te staan.

Het dilemma: zwijgen of einde vrienschap

Nadat hij zich gedoucht en geschoren had, ging hij zo geruisloos mogelijk de trap af. Hij hoorde gerommel in de keuken en zag een oudere vrouw in een gebloemd schort de afwas doen. Ze keek op, begroette hem vriendelijk, veegde haar handen af aan de keukenhanddoek die aan haar schort hing en vroeg of hij koffie wilde.

Hij ging met een grote dampende mok de huiskamer binnen. Aan de grote tafel zat Ritsaert de krant te lezen. Hij was al aangekleed en zijn nog natte haren waren keurig in model gekamd. Naast de krant stond een grote mok, waaruit hij een slok nam.
‘Dag, Nico. Nu al op? Heb je goed geslapen?’ Nico ging naast hem zitten en Ritsaert sloeg de krant dicht.

‘Daar staat niets interessants in. Ik ben blij dat je er bent, want dan hoef ik voor de verandering niet alleen te ontbijten. Zaterdags is het hier ieder voor zich en Jannie voor ons allen. Zondag is de dag van het gezamenlijke ontbijt, dat is een familietraditie waar alleen in geval van oorlog of een catastrofale dijkdoorbraak aan getornd mag worden, maar zaterdag is dag van het grote uitslapen, zoals mijn vader dat noemt. Ik ga even kijken hoever Jannie is.’

Het ontbijt bestond uit gebakken eieren, twee verschillende soorten worstjes, witte bonen in tomatensaus, toast en verse sinaasappelsap. Het was de eerste keer dat Nico een echt Engels ontbijt at. Thuis bestond het steevast uit twee volkoren boterhammen met jong belegen kaas, thee en een glas melk en sinds hij op kamers woonde, at hij in navolging van Eylard meestal havermout.

Tijdens het ontbijt spraken ze over Leiden, gemeenschappelijke docenten en hun toekomstplannen. Nico stelde opnieuw vast dat hij Ritsaert erg aardig vond. Hij kon zich moeiteloos voorstellen ook met hem bevriend te zijn. Hij was anders dan Roderick, akkoord, maar hij begreep niet waarom Roderick hem saai vond en de pest aan hem had Hij was minder uitgesproken dan zijn jongere broer maar had een ironisch, subtiel gevoel voor humor dat Nico erg aansprak. Hij vond het jammer dat hij hem niet eerder had ontmoet en vreemd dat de broers elkaar nooit opzochten ofschoon ze in Leiden maar een paar straten van elkaar woonden. Bij de laatste hap vroeg Ritsaert hem of ze op de avondwandeling nog ‘spannende avonturen’ hadden beleefd.

Nico aarzelde even. Hij wist niet of hij er goed aan zou doen, maar besloot uiteindelijk Ritsaert toch over de ontmoeting met Emma te vertellen.
Ritsaert hoorde hem zwijgend aan en roerde bedachtzaam met zijn lepel in de allang lege koffiemok.

Hij keek Nico lang en onderzoekend aan en zei tenslotte: ‘Je moet in dit huis nooit de naam Emma laten vallen, Nico. Er is een paar jaar geleden iets gebeurd, – ik kan en mag je niet vertellen wat en het is misschien ook beter dat je het niet weet -, maar doe of je Emma nooit hebt gezien en nooit van haar hebt gehoord. Ook tegenover Roderick. Ik geef toe, het klinkt raar, alsof ik je aan een lijntje wil houden en je niet vertrouw, maar dat is beter zo. Geloof me.’
Zijn toon was rustig en indringend.

Nico wist niet wat hij moest zeggen. Hij wist dat er iets ernstigs aan de hand was geweest en wilde weten wat er precies met Emma was voorgevallen, welke rol Roderick daar precies in had gespeeld, en waarom hij het onder geen beding niet mocht weten. Was het zo verschrikkelijk dat het voor altijd geheim moest blijven? Hij had een vermoeden wat het kon zijn. Hij wist nu dat Henk zijn beschuldigingen niet uit de duim had gezogen. Maar die beschuldigingen waren uiteindelijk niet meer dan insinuaties geweest. De bewijzen hadden ontbroken. Hij keek Ritsaert aan, die hulpeloos zijn schouders ophaalde, opstond en begon met het afruimen van de tafel.

Wat moest hij doen? Het Roderick op de man af vragen? Onmogelijk, het zou het einde van hun vriendschap betekenen. En, het schoot direct door zijn hoofd, het zou ook betekenen dat hij zou een nieuwe kamer moest zoeken. Dat wilde hij niet. Zo’n mooie kamer tegen zo’n lage huur kreeg hij nooit meer. Hij zou ook de vriendschap met Eylard moeten opgeven. En hij zou nooit meer in aanraking komen met mensen als de Grote Staatsman en, wie weet, nog veel meer andere belangrijke personen Ook dat wilde hij niet. Maar hij wilde tegelijk ook weten wat er gebeurd was, wat Roderick had uitgespookt. De onzekerheid en het wantrouwen zouden de vriendschap op den duur vergiftigen. Dat was onvermijdelijk. Hij zou Roderick niet kunnen aankijken zonder zich af te vragen: ‘heb je haar…?’ En tegelijk zou hij het antwoord weten, en het niet eens voor zich zelf durven uitspreken, zelfs niet in stilte.

Hij zei tegen Ritsaert dat hij even een frisse neus wilde halen. Het was kouder dan de vorige dag. Hij keek naar de lucht en zag hoe de wolken werden opgejaagd door een wind die hij in de beschutting van de bomen niet merkte. Hij liep het bos in tot hij bij een open plek met een vijvertje kwam. Er stond een houten schuurtje waartegen een schep en een hark leunde. Gedachteloos pikte hij steentjes op, gooide ze in het groenige water en staarde naar het uitrimpelen van de kringen. Hij zou Henk nog eens aan de tand kunnen voelen. Misschien wist hij iets naders dat hij bij navraag nu wel zou willen vertellen. Iets beters wist hij op dit ogenblik niet te verzinnen.

Hij dacht na over wat hij hier, nu moest doen. Weggaan? Dan was hij de Van Haeftens een verklaring schuldig en die had hij niet. Hij kon niet naar Leiden gaan en de volgende dag, als Roderick ook weer terug was, doen alsof er niets gebeurd was. Naar huis, naar zijn ouders gaan, was evenmin een optie. De reis alleen al was te omslachtig en dan nog, hij had er niets te zoeken. De enige bij wie hij echt wilde zijn was Judith. En zij zou nu wel bezig zijn met het behangen en het schilderen van haar vaders studeerkamer. Hij gooide de laatste steentjes tegelijk in de vijver en ging terug naar het huis. Hij zou blijven en er het beste van maken. Doen alsof hij nergens van wist, zoals Ritsaert had aangeraden. Er zat niets anders op.

De rest van het weekend werd doorgebracht in een sfeer van trage ongedwongenheid die hij onder andere omstandigheden erg aangenaam zou hebben gevonden. Zaterdagmiddag maakten ze een gezamenlijke duin- en strandwandeling. Na het diner speelden de vier mannen monopolie, omdat Van Haeften sr. ‘eindelijk wel eens iets wilde winnen en even, ook al wist hij dat het maar een spel was, rijk wilde zijn.’ Hij verloor. In het begin was Nico zo stil geweest, dat mevrouw Van Haeften hem bezorgd had gevraagd of er iets scheelde. Later was hij er in geslaagd de somberte zover terug te dringen, dat het niemand meer was opgevallen. Alleen toen Roderick aan het eind van de avond voorstelde samen Toontje nog even uit te laten, veinsde hij vermoeidheid en ging naar bed Hij wist dat het praktisch onmogelijk was, maar hij wilde absoluut niet het risico lopen, hoe verwaarloosbaar ook, Emma nog eens tegen te komen. In bed staarde hij een tijd, hij had geen idee hoelang, naar het donkere schilderij, voordat hij wegzakte in een onrustige slaap.

Ze vertrokken in de loop van de volgende middag. De Grote Staatsman drukte hem de hand en sloeg hem op de schouder.Mevrouw van Haeften zei dat hij altijd welkom was en kuste hem op de wang en Ritsaert zette hen af bij het station. Hij zou pas later in de avond vertrekken.
In de trein had Roderick het hoogste woord. Nico staarde uit het raam en hoorde hem aan zonder te luisteren. Thuis belde hij Judith op. Hij probeerde het een paar keer; er werd niet opgenomen. Hij ging naar haar huis, zag dat er geen licht brandde en ging op de terugweg bij Henk langs. Hij belde aan, drukte lang en krachtig op de bel, maar er werd niet opengedaan. Als kind had hij de zondag altijd gehaat. Hij kon zich nu weer goed voorstellen waarom.

HOOFDSTUK 13: DE BREUK

Charlotte en Roderick zijn diep in gesprek gewikkeld en voor zover ik uit hun toon en uitdrukking kan opmaken gaat het over een serieus onderwerp..
Roderick lijkt blij, zelfs opgelucht, dat er weer ben. Hij veert overeind en vraagt wat ik wil drinken. Op tafel voor hen staat een fles rode wijn en als ik zeg dat ik even een glas uit de keuken haal, begint hij te protesteren.
Hij zou ernstig te kort schieten in zijn plichten van gastheer als hij de vermoeide, van een uitputtende expeditie weergekeerde reiziger niet zou laven en spijzen.

Hij komt terug met een glas en een grote snijplank met daarop een enorme leverworst, een mes, een dessertlepel en een pot mosterd. ‘De enige echte’, zegt hij en snijdt de worst in grote plakken. ‘Als je thuiskomt na een verblijf in een ver en barbaars oord, mag je verwend worden met het beste wat dit land te bieden heeft.’

Charlotte schudt haar hoofd.‘ Nico is een middagje in Amsterdam geweest, Roderick. Ik weet dat je niets hebt met die stad, maar barbaars en ver kun je het niet noemen. Je wil vooral jezelf weer volstoppen.’
Hij doopt een stuk worst in de berg mosterd die hij op de plank had geschept en kijkt me quasi vertwijfeld aan.

‘Voor vrouwen blijven we kinderen, Nicolai. Niets van onze geheime hartstochten blijft hen ooit verborgen.’ ‘We hadden het net over onze moeders en de kwellingen van de ouderdom,’ vervolgt hij met volle mond.
‘Met mijn moeder gaat het nog wel. Ze is moeilijk ter been, maar nog volledig bij de les. Nog steeds fanatiek aan het bridgen en boos als ze, uiteraard door de schuld van haar partner, verliest. Maar met Charlotte’s moeder zijn we nu in de fase van het uitzichtloze tobben aanbeland. Ze is er lichamelijk en mentaal beroerd aan toe en wil eigenlijk alleen maar dood. Ik overdrijf toch niet, he Charlot?

‘Voor de verandering een keertje niet. Ze takelt de laatste maanden wel heel snel af. Ze herkende me vandaag niet en dacht dat ik haar zuster was. Het is intens triest. Zo’n trotse onafhankelijke vrouw die in een zielig hoopje is veranderd. En we kunnen er niets aan doen. Alleen maar hopen dat het niet te lang duurt.’ Tegen mij: ‘Je mag in je handen wrijven, dat het met jouw moeder nog zo goed gaat.’

‘Het wordt de hoogste tijd voor de euthanasiepil,’ verkondigt haar man. ‘Maar ja, de gristenhonden vrezen dat iedereen uit pure hebzucht zijn ouders naar de andere wereld zal helpen. Ze hebben eigenlijk een gitzwart, maar wel realistisch mensbeeld zoals de Grote Staatsman placht te zeggen.’
‘Altijd de praktische oplossing bij de hand, he Roderick?’, zegt Charlotte. Ze zucht demonstratief.

Ik neem een slok wijn en een hap van de worst. Vertel hen van de ontmoeting met Oskar.
‘God nog aan toe, hoe bestaat het. Die ouwe Oskar,’ zegt Roderick. ‘Wat een ellende. Hoe oud zou hij nu zijn? Was hij niet 15 jaar ouder dan wij? Kende hij je nog?’
‘Het duurde even, maar uiteindelijk begon het hem te dagen en kon hij ieder van ons weer thuisbrengen Hij wist het niet van Eylard, maar zei wel iets over hem waarvan ik opkeek. Hij of liever zijn vrouw, vonden hem eigenlijk een lieve jongen, en zeker niet de rebel waar iedereen hem voor hield. Ik heb hem nooit zo gezien, jullie?’

‘Hij kende hem niet, Ik heb geen idee waar hij dat vandaan haalt.’ (Roderick)
‘Dat klopt wel, Hij had iets zachtmoedigs dat hij voor de buitenwereld zoveel mogelijk verborgen hield Ik had altijd het gevoel dat hij bang was om gekwetst te worden en dat hij daarom iedereen op afstand hield.’ (Charlotte)
‘Quatsch. Ik kende hem langer en beter dan wie ook en ik verzeker jullie dat Eylard niet de zachte, lieve jongen was waar jullie het over hebben. Hij kon spijkerhard en onwrikbaar zijn, zoals ik uit eigen ervaring weet.’ (R)
‘Ik denk dat Oskar en zeker zijn vrouw, wel degelijk een goede kijk op mensen hadden. In elk geval beter dan jij.’ (C)
‘Je bedoelt natuurlijk dat hij vrouwen beter begreep.’

Hij wendt zich tot mij. ‘Dat heeft ze me vroeger al regelmatig aangewreven. Ik zou niets van vrouwen begrijpen. En dat wil ik best aannemen hoor, want de dames in mijn directe omgeving willen me nog wel eens voor raadsels stellen. Maar die ouwe viespeuk met zijn willige oor en zijn nog williger handen wist altijd haarfijn wat er bij de dames omging. Dat was zo’n fijn besnaard type. Dat wil er bij mij niet goed in.’

‘Hij was geen viespeuk, Roderick.Van wie je dat nu hebt, weet ik niet, maar ik heb nog nooit van een van mijn vriendinnen gehoord dat Oskar hen heeft lastig gevallen. Hij was op feestjes soms een flirt, maar iedereen wist toch dat het een act was. Jij toch ook? Vertel me niet dat dit nieuw voor je is.’
Haar toon wordt kribbig. Hij haalt zijn schouders op.  ‘Nico, wij weten beter. Waar of niet?’

‘Ik heb hem een keer in een cafe gezien met Yolanda en ik geef je op een briefje, Charlotte, dat er meer aan de hand was dan vaderlijke of vriendschappelijke belangstelling. Maar aan de andere kant zei Judith ook altijd dat hij haar nooit heeft lastig gevallen en zover zij wist ook geen andere meisjes. Maar goed, wat doet het er nog toe. Het is 30 jaar geleden, Oskar loopt op zijn laatste benen en morgen moeten wij Eylard begraven.’

Roderick knikt, neemt het met mosterd besmeerde stukje worst en steekt het in zijn mond.
‘Je hebt gelijk, Nicolai. Waar maken we ons in hemelsnaam druk om. Zo’n levensavond gun je niemand. Je moet er niet aan denken, dat je zo je vrouw moet verliezen.’

 

Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 190 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (64) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD. Voor deze laatste organisatie was hij correspondent in Johannesburg, Berlijn en Tokio. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.