De Geheimschrijver, Deel 4


Op jacht naar een kamer belandt Nico bij ene Roderick en Eylaard. Eylaard is ok, maar Roderick is een verwaande kwast, de zoon van een minister. Nico verwacht er niet veel van, maar dan komt er een brief…

Het briefpapier was van de zelfde kwaliteit, zij het iets dunner, en het briefhoofd met naam en adres van de schrijver was gezet in dezelfde elegante letter. De tekst was door de hanenpoten moeilijk te ontcijferen, maar na enig gepuzzel kon Nico het volgende lezen:

Deel 4, De Kamer

‘Nico,

We zouden je graag nog een keer willen zien en spreken. We verwachten je morgen om 11 uur. Mocht je niet komen, dan gaan we ervan uit dat je geen belangstelling meer hebt voor de kamer.

Met vriendelijke groet,’

De tekst was gevolgd door een onleesbare kluwen halen en krassen, die kennelijk voor zijn handtekening doorging.

Nico wist niet wat hij ervan moest denken. Hij betwijfelde even of de brief wel door Roderick van Haeften was geschreven. Breedsprakig, pompeus woordgebruik, dat was volgens hem diens stijl. Een nonchalant neergekladderd kattebelletje, dat paste niet bij hem. Zou iemand hem een loer willen draaien? Maar wie? Hij kende hier niemand die hij daartoe in staat achtte of daar reden toe zou hebben. Trouwens, het waren wel degelijk zijn briefpapier en zijn enveloppe en dus zijn brief. Tenzij die onbekende grapjas die achterover had weten te drukken. Dat was te vergezocht. Hij moest niet doordraven. Nee, de brief moest van Van Haeften zijn.

Een plotselinge woede maakte zich van hem meester. De arrogantie. De verwatenheid om te denken dat hij op afroep beschikbaar zou zijn. Alsof hij niets beters had te doen. Alsof hij morgen niet naar college moest. Dat ze maar hoefden te kikken, en ja hoor, daar stond hij met de pet in de hand op de stoep. Dankbaar voor de broodkorsten die ze hem zouden toewerpen. Wat dachten ze wel. Dan kenden ze hem niet! Hij hoefde die kamer van R.W.J.J. van Haeften niet meer. Hij moest er niet aan denken onder een dak met dat braakmiddel te moeten leven. Dan nog liever naar Den Haag.

Hij schoof een briefje bij Henk onder de deur en ging naar het café.

Het regende. Een fijne motregen, of liever, een laaghangende dichte mist, die alles doordrenkte en hoewel het niet koud was, hem toch tot op het bot verkilde. Hij had veel te veel gezopen gisteravond en veel te veel geld uitgegeven. Hij had geen idee hoe hij de volgende week moest doorkomen. Stommeling, idioot. Hij had niet ontbeten en de gedachte aan voedsel deed hem bijna kokhalzen. Zijn ingewanden trokken samen in een spastische siddering. Hij wilde naar zijn bed; had helemaal geen zin in een hernieuwde confrontatie met die braller. Maar ja, het was, of in ieder geval leek tenminste op een kans. Die hij nu ongetwijfeld zou verspelen, dacht hij somber. Zijn hoofd begon te bonken. Hij keek op zijn horloge. Drie voor elf. Zou hij nu al aanbellen of nog even wachten?

Voor hij een besluit kon nemen, werd de deur geopend. Roderick keek hem grijnzend aan. Hij droeg net als vorige keer een kamerjas, maar had zich kennelijk net gedoucht. Zijn haar was nat en onberispelijk in model gekamd.
‘Nico’, riep hij joviaal. ‘Kom binnen. Trek je jas uit. Doe je pantoffels aan en zijg neder bij de haard. Die brandt niet maar ga daar maar in elk geval zitten. Welk een beestenweer.’
Nico hoopte dat Eylard ook nog zou komen, al was het maar om niet met die brulaap alleen te hoeven zijn.
Alsof hij zijn gedachten had gelezen, zei Roderick: ‘Eylard is er niet. Hij laat zich verontschuldigen. Maar ik heb zijn toestemming om de zaak samen met jou af te handelen. Koffie? Ik zet even verse.’
Nico knikte. Hij had helemaal geen trek in koffie en vreesde bovendien in deze beverige toestand een herhaling van het ongelukje van de vorige keer. Maar het betekende dat Roderick even de kamer uit was en hij kon proberen zijn gedachten te ordenen. Maar welke gedachten? Er waren geen gedachten. Zijn hoofd was helemaal leeg. Alsof het vacuüm was gezogen. Hij keek de kamer rond, in een poging aan het meubilair, de lampen, de posters, de boeken enige inspiratie te onttrekken. De kamer was keurig opgeruimd, zag hij. Hij kon zich dat niet van zijn vorige bezoek herinneren, nerveus als hij was geweest. Hij had eigenlijk links en rechts rond slingerende boeken, kranten, kleren en slordig opgestapeld serviesgoed verwacht, vooral omdat hij zich zo studentenkamers en het studentenleven voorstelde. Heel anders dan zijn eigen kamer en eigen leven thuis in Amersfoort. Zijn ouders verfoeiden wanorde en van wanorde was al sprake als de krant na lezing niet perfect gevouwen terug werd gelegd in de lectuurbak.

Roderick kwam de kamer binnen met een dienblad waarop twee dampende mokken en een pak biscuitjes en zette het op de salontafel. Hij ging zitten en keek Nico vorsend aan.
‘Man, wat zie je eruit. Katertje?’
Nico knikte.
‘Toch niet te veel gezopen vanwege mijn briefje, hoop ik?’
Hij was een open boek voor die vent. Nico begon zich nog onbehaaglijker te voelen.
‘Nee, dat had daar niets mee te maken.’
‘Mooi, want dat zou ik niet op mijn geweten willen hebben.’

Hij maakte het pak biscuitjes open en hield het Nico voor, die bedankte, en nam zelf een handvol die hij achter elkaar naar binnen werkte en wegspoelde met koffie.
‘Ter zake. De situatie is op het eerste gezicht eenvoudig. Jij zoekt een kamer. Wij hebben een kamer. En je lijkt wel een aardige jongen. Wij zouden dus in beginsel kunnen besluiten jou die kamer te geven, dan is jouw probleem opgelost. Voor ons daarentegen zou er dan een probleem kunnen ontstaan. Jij zou bijvoorbeeld niet de huurder kunnen zijn, die wij zochten. Je zou vrienden kunnen hebben die ons niet zouden bevallen. Je zou de ene meid na de andere mee kunnen nemen en ons huis daardoor in diskrediet brengen. Je zou te links kunnen zijn, wat ik niet zo zou waarderen, of te rechts, wat Eylard zou verafschuwen. Je zou je muziek te hard kunnen draaien, terwijl wij studeren enzovoorts, et cetera. Kun je volgen wat ik bedoel?’

Nico knikte. De aanvechting drong zich op om op te stappen en tegen Roderick te zeggen dat hij die kamer helemaal niet meer wilde. Dat het wat hem betreft graag of niet was. Maar hij was te slap om op te staan en de woorden om dit te zeggen waren spoorloos, zoek geraakt in de mist in zijn hoofd.

‘Prima. Of liever, hoe lossen we dit op? We zouden tot een proeftermijn kunnen besluiten. We zouden drie maanden de tijd kunnen nemen om aan elkaar te wennen. Mocht je niet de door ons gezochte huisgenoot te zijn, of mocht jij in ons geen aangename huisgenoten zien, dan scheiden onze wegen zich. Jammer, maar even goede vrinden. Die oplossing heeft voor ons voordelen, maar voor jou een groot nadeel. Jij zou midden in de winter op straat staan en het zou praktisch onmogelijk zijn ergens anders een kamer te vinden. Dat vinden wij, in elk geval Eylard, dan weer asociaal. Kortom, we zitten we met een dilemma. We willen geen lichtvaardig besluit nemen, maar jou niet aan het lijntje houden. Heb jij enig idee hoe we hier uitkomen?’

Nico probeerde na te denken. Hij nam een slok koffie en pakte een kaakje.
Wat was dit? Pesterij of verwachtte hij echt een oplossing van hem? Hij kon zeggen dat elke huurder een risico was en dat ze de gok moesten nemen. Maar dat was niet het juiste antwoord. Dat was duidelijk Hij kon ook instemmen met de proefperiode, god zegen de greep, maar iets waarschuwde hem dat niet te doen. Hij zag geen uitweg en net toen hij het wilde opgeven, schoot hem iets te binnen. Had hij de eerste keer niet andere naamplaatjes gezien? Waren er, met andere woorden, niet meer huurders? Hij kon zich voorstellen dat deze bij de procedure betrokken zouden worden. Hij zou ook bij hen kunnen hospiteren en dan konden ze, Roderick, Eylard en de anderen, gezamenlijk tot een beslissing komen.

Hij zei dit tegen Roderick die hem even verrast aankeek en vervolgens begon te grijnzen.
‘Dat had inderdaad de oplossing kunnen zijn. Heel snugger van je. Het heeft alleen een groot, om niet te zeggen alles ontbindend nadeel.’
Nico keek hem verbaasd aan.
‘Er zijn geen andere huurders.’
‘Maar die naamboordjes en die drukbellen dan?’
‘Dat is nep. Die huurders bestaan niet. Ze zijn ontsproten aan mijn fantasie. Zo lijkt het dat het huis helemaal bewoond is. Niemand die een kamer zoekt, haalt zich nu in het hoofd om hier op elk ongewenst moment aan te bellen. We zijn maar met zijn tweeën. Binnenkort misschien met zijn drieën als mijn vriendin bij mij intrekt. En om die er bij te betrekken, tja. Dit vereist een rationele afweging en bij vrouwen spelen mij te vaak de emoties een te grote rol.’

Ze zaten zwijgend bij elkaar. Nico had ongemerkt bijna alle kaakjes opgegeten en voelde zich plotseling een stuk beter. Hij nam een laatste slok koffie, stond op en stak zijn hand uit.
‘Roderick, ik ben bang dat jullie dit samen moeten zien op te lossen. Hoe graag ik ook zou willen, ik kan jullie daarbij niet helpen maar wens je niettemin veel succes.’
Hij begreep zelf niet waar hij de woorden en de kordaatheid vandaan haalde. Het was alsof de ergernissen en teleurstellingen van de laatste week op eigen kracht, zonder zijn toedoen, naar buiten kwamen.

Roderick keek hem een moment verrast aan. Daarna verstrakte zijn blik zich en drukte hij hem lang en stevig de hand.
Nico gaf geen krimp. Hij staarde in de staalblauwe ogen die op hem neerkeken en hield vol tot hij een ooglid heel even, nauwelijks waarneembaar, zag trillen en beide ogen een fractie van een seconde later, bijna onmerkbaar, zag knipperen. Hij trok zijn hand los uit de ijzeren greep en zei: ‘Doe geen moeite. Ik kom er zelf wel uit.’

Toen hij de kamer verliet, riep Roderick: ‘Nico, we zijn er uit. De kamer is voor jou!’

 

 


Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 234 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (1951) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD, het Financieele Dagblad en diverse omroepen. Hij was correspondent in Johannesburg, Berlijn, Tokio en Rome. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.