De Geheimschrijver, Deel 35

Oscar graaft in zijn geheugen. Hij herinnert zich opmerkelijk veel. Er is iets gebeurd toen. Iets verschrikkelijks. Iets met een meisje. Het had met Roderick te maken. En die Eylard is toen ook ineens met de noorderzon vertrokken.

Oskars geheugen blijkt toch minder goed dan ik aanvankelijk had gedacht.
Maar wat zou ik nog hebben geweten als ik niet tot over mijn oren in die zaak verwikkeld was? Vermoedelijk, nee zeker, zou ik ook het meeste, inclusief veel saillante details, zijn vergeten. Niettemin, het is opmerkelijk dat Oskar zich nog iets van Ellie weet te herinneren en nog weet dat Charlotte ooit bij hem thuis had gelogeerd. Dat was met kennelijke instemming van zijn vrouw gebeurd. Was het dan toch onzin wat Roderick en Eylard over Oskar hadden beweerd? Was hij inderdaad niet meer dan een vaderlijke vriend, zoals Judith me toen in het cafe had verteld?

Vragen, vragen, vragen. Alsof ze er na al die jaren en alles wat er gebeurd is nog toe doen.

Deel 35: Nederland als een ander buitenland

Oskar komt weer aangestrompeld. Hij heeft zijn gulp niet goed gesloten en een punt van zijn overhemd steekt er uit als een kleine witte, ietwat groezelige voelhoorn. Voorzichtig attendeer ik hem daarop. Gegeneerd en geschrokken brengt hij zo snel hij kan alles weer in orde en gaat zitten.

Het gesprek komt niet meer goed op gang. We vallen terug op small talk.
Hij wil weten of het me bevalt in de diplomatieke dienst en vertelt dat zijn zoon bij een internationale organisatie in Washington werkt; hij kan nu alleen niet op de naam komen. Zijn dochter is getrouwd met een ‘hoge ambtenaar’, heeft twee kinderen en was in het eerste jaar na de dood van zijn vrouw een grote steun. Hij begint langzamer te praten, hapert vaker.

‘Mijn tong grijpt soms naast de juiste woorden,’ verontschuldigt hij zich, onverwacht poëtisch.
Hij is aan het eind van zijn krachten, zijn hoofd zakt op zijn borst en hij hijgt zwaar, alsof zijn zuurstoftank wordt dicht gedraaid. Maar ik heb nog een vraag, de vraag waarop ik absoluut een antwoord wil horen.

‘Heeft u Judith onlangs nog gezien of iets van haar gehoord?’
Hij schrikt op uit zijn sluimer en kijkt me verward aan.
‘Neemt u mij niet kwalijk. U vroeg iets?’
Ik herhaal mijn vraag.

‘Jazeker, ze was bij de crematie van mijn vrouw. Dat heb ik zeer op prijs gesteld. U moet weten dat ze in Frankrijk woont, maar toen mijn dochter haar op de hoogte had gebracht van het overlijden van mijn vrouw, is ze onmiddellijk gekomen. Haar man was er ook bij. Een reuze aardige vent, een van de hoogste rechters van Frankrijk, als ik het wel heb. Ze belt me nog regelmatig. Zeer attent. Zal ik haar berichten dat ik u gesproken heb?’

‘Nee, ik weet niet of dat op prijs zou stellen. Ik ben in elk geval blij dat het goed met haar gaat.’
‘Het gaat uitstekend met haar. Maakt u zich niet bezorgd. En ze is nog steeds een prachtige vrouw. Ze hebben ook twee prachtige kinderen, een jongen en een meisje geloof ik.’

Hij praat moeilijk, alsof hij de woorden een voor een naar buiten moet duwen. Hij verontschuldigt zich opnieuw en probeert te lachen. Hij is nu zo uitgeput dat verder vragen geen zin heeft. Trouwens, wat valt er nog te vragen. Ik reken af en vraag de ober een taxi voor Oskar te bellen.

Ik kijk hem na als hij wegrijdt en vraag me af wat ik zal doen. Ik heb geen zin om in de stad te blijven, maar wil ook nog niet naar Roderick en Charlotte gaan. Ik loop langs de grachten naar het station en denk na over de ontmoeting met Oskar.

Op het stationsplein viert een groep voetbalsupporters uitbundig de overwinning van hun club. Volwassen kerels in rood-wit gestreepte shirts die om een meestal fors uitgedijde bierpens spannen. Ze scanderen de naam van hun club, zingen een onverstaanbaar lied, roepen olé olé, olé. Een in clubkleuren uitgedost jongetje van een jaar of acht maakt zijn hand los uit die van een identiek aangeklede man en rent op me af. Het kereltje kijkt me brutaal aan van onder zijn petje, roept met wat ik voor een Brabantse tongval houd ‘Kut Ajax’, en rent terug naar de man die bier uit een blikje slurpt. Hij verschuilt zich half achter zijn vader en roept nog een keer ‘Kut Ajax’. De mannen heffen een ander lied aan, brullen ‘joden, joden’, en laten dat volgen door een luid gesis.

Ik versnel mijn pas en hoop dat de groep een andere trein neemt. In de stationshal staat een aantal politiemannen met honden die gedwee naast hun baas zitten. De politiemannen praten en lachen luid.

Ik ben ruim 10 minuten te vroeg en ga op een bankje naast het bord met de dienstregeling zitten. De groep supporters is op het perron tegenover me aangekomen, scandeert nog steeds ‘joden, joden’ en imiteert het geluid van ontsnappend gas. Een van hen wankelt naar de rand van het perron, knoopt zijn gulp open en begint op de rails te pissen. Als hij ziet dat ik naar hem kijk, richt hij bulderend de straal in mijn richting. Zijn kameraden barsten uit in luid gejuich.

Als de man klaar is steekt hij een middelvinger op, roept ‘kut Ajax’, draait zich om, doet met veel misbaar alsof hij zijn kont afveegt en voegt zich tenslotte bij zijn maten die hem op de schouder kloppen en toejuichen.

Een oudere man die naast me is gaan zitten, schudt zijn hoofd.
‘Het is gajes, meneer. Maar zeg er in hemelsnaam niets van, want de politie zal u niet helpen. Die is zelf doodsbang voor ze.’

Hij steekt een betoog af over de verloedering die al een paar jaar in een niet aflatende vloedgolf over het land zou slaan.
‘De politiek is het spoor volledig bijster, meneer. Ze hebben zich opgesloten in hun ivoren torens, spelen hun spelletjes en hebben geen idee van wat er onder het volk leeft. Ik had gehoopt dat Fortuyn orde op zaken zou stellen, maar het mocht helaas niet zo zijn. Ik heb een zoon van 34 met twee kleine kinderen en hij is serieus van plan om te emigreren. Hij wil zijn kinderen niet in een land laten opgroeien waar niemand nog respect heeft voor een ander, en ik moet zeggen, ik kan hem geen ongelijk geven.’

Ik knik, zeg niets en merk te laat dat de man dit als instemming duidt.
‘Begrijp me goed, meneer. Ik respecteer andermans religie en cultuur, maar als zij geen respect kunnen opbrengen voor onze cultuur en misbruik maken van onze tolerantie, dan moeten we daar paal en perk aanstellen. Als we dat niet doen, voorspel ik u grote problemen, hele grote problemen.’

Ik denk aan wat mijn moeder en zuster hadden gezegd en de opmerkingen die Roderick, al dan niet om Charlotte te provoceren, had gemaakt. Ben ik zo doof en blind geworden voor de stemming in het land, dat ik niet in de gaten heb dat er een algehele politieke en sociale malaise heerst? Ik ben te lang weg uit Nederland, waarschijnlijk hebben mijn moeder en zuster gelijk.

De afgelopen dagen ben ik een paar keer geconfronteerd met agressie, gewelddadigheid en onbeschoftheid. Wie weet is dat voor iemand die hier moet wonen schering en inslag. Ik heb dat voordien nooit zo willen of kunnen zien. Het hoort te veel tot de stereotype kritiek van verwende ex-pats, die na elk verlof in Nederland terugkomen met klaagzangen over de belastingen, de politiek en het weer. Hoe vaak heb ik niet in bars en aan zwembaden gezeten waar met stromen drank de laatste ontsnapping aan de ‘regen, de fiscus en de onbenullen van het Binnenhof’ werd gevierd?

Ik doe daar nooit aan mee. Niet uit loyaliteit jegens het vaderland, wiens dienaar ik heet te zijn, zoals sommigen veronderstellen, maar omdat het te goedkoop, te banaal is. Maar dit is van een andere orde. Dit is een land dat ik niet meer herken. Ik ben hier opgegroeid, heb hier hoe dan ook mijn wortels. Spreek de taal met haar alleen voor de eigen bewoners toegankelijke codes en finesses. Maar thuis ben hier niet meer. Het is, en dat is me nog nooit zo duidelijk geworden als bij dit bezoek, een ander buitenland geworden.

Mijn trein loopt binnen. Ik sta op en groet de man die me nog steeds toespreekt. Hij is even van zijn apropos gebracht maar wenst me ‘ondanks alles nog een prettige dag en een goede reis’.

 

Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 194 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (64) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD. Voor deze laatste organisatie was hij correspondent in Johannesburg, Berlijn en Tokio. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.