De Geheimschrijver, Deel 32

Deel 32 Een ontmoeting

Mijn gastheer en gastvrouw gaan vandaag hun moeders bezoeken.
Het tweewekelijkse corvee, zegt hij terwijl hij met een snelle tik van zijn mes zijn ei onthoofdt.
En ook: dat moet je voor je erfenis over hebben.
Plus, als toegift: je kunt geleidelijk wennen aan wat je te wachten staat, jongen. Druppelsgewijs als het ware.

Voor de verandering laat zij nu eens geen geluid van protest horen.

Ze zucht en kijkt mij aan met een blik-van-je-kent-hem-toch.
Het komt me goed uit, de Roderick-Charlotte-vrije-zondag. Mooie gelegenheid om weer eens naar Amsterdam te gaan.

Amsterdam was het enige stuk Nederland dat mijn ex heeft kunnen bekoren. Dat wil zeggen: de musea. Dat wil met name zeggen het Van Gogh. Jane koesterde als zoveel Amerikanen een dweepzieke verering voor Van Gogh.
De rest van het land vond ze niets. Te klein, te benauwd en de bewoners te lomp.

De ontmoeting met mijn familie had niet tot een positiever oordeel bijgedragen. We zaten in een te duur restaurant met te matig eten en navenante bediening en ze kreeg als voor-, hoofd- en nagerecht de anti-Amerikaanse vooroordelen van mijn oud-linkse moeder en mijn nieuw-linkse zuster en zwager voor haar kiezen.
Ik dateer het begin van het einde van ons huwelijk op die dag. Ze was een aardige meid, Jane. Ik hoop dat ze gelukkig is geworden.

Roderick geeft me een ‘slinger’ naar het station en drukt me op het hart eerste klas te reizen.
‘De eerste klas bij de NS is de tweede klas in de rest van de wereld, de zogeheten derde niet uitgesloten. Maar de kans dat je door allerlei niet betalend gespuis wordt lastig gevallen is iets kleiner. En neem niet de laatste trein terug, want het is heel goed mogelijk dat die zonder aankondiging uitvalt en je de nacht met je medereizigers op het station moet doorbrengen. In een wachtkamer met al dat tuig. Echt, jongen, ik overdrijf niet. Gebeurt om de haverklap.’
Ik stap in de tweede klas en heb de coupé voor mij alleen.

Het ontbijt was beheerst door een katterigheid die me nu pas begint te verlaten. Ze waren opgelucht dat ik even opkraste en deden nauwelijks moeite om dat te verbergen. Charlotte zocht de cultuuragenda voor me op en Roderick kwam met een lijstje restaurants die de culinaire vooruitgang van de afgelopen jaren zouden markeren. Ik kon het ze niet kwalijk nemen. Gastvrijheid laat zich niet onbeperkt oprekken.

Het weer is redelijk, droog, met een nog net niet gure wind. Ik besluit te lopen. De stad, de grachten, de huizen zijn prachtig, dat vind ik elk keer weer, maar ik heb nooit veel opgehad met Amsterdam. De arrogantie en zelfgenoegzaamheid van het snatergenootschap binnen de grachtengordel en de geforceerde, kleinsteedse aspiraties om toch maar kosmopolitisch te zijn, hebben me als student al tegen de borst gestuit. Eylard had dat ook, weet ik me te herinneren. ‘Madurodam als de navel van de wereld’, zei hij eens.

In het museum is het druk. Groepjes bejaarde Japanners trekken onder leiding van een gids van schilderij naar schilderij en de vrouwen slaken bij elk werk ijle kreetjes van bewondering. De weinige mannen sjokken lusteloos mee in de achterhoede of zitten met gesloten ogen op een bankje te wachten tot ze het volgende meesterwerk moeten aanschouwen.

Wat doe ik hier? Ik ben geen onvoorwaardelijke fan van Van Gogh.
Te vaak gezien, had ik tegen Jane ter verklaring gezegd. Dat was niet waar geweest. Zoveel van Gogh’s had ik niet gezien en de meeste kende ik van de meestal matige reproducties waarvan ik wist dat ze geen schim waren van het origineel. Ik hield niet van Van Gogh, maar zei dat niet omdat ik geen domper wilde zetten op haar enthousiasme en, vooral, niet goed kon uitleggen waarom ik waarschijnlijk de enige redelijk ontwikkelde wereldburger was die niets om Van Gogh gaf. Moderne kunst en wat daar voor doorgaat laat me sowieso onverschillig. Ik ging wel eens mee met Judith naar tentoonstellingen waarvan zij vond dat ik ze ‘absoluut moest zien’. Na een paar keer zag ze in dat het niet aan mij besteed was.

Ik ga op een bankje zitten en kijk afwezig naar de voorbijtrekkende liefhebbers. Waarom ben ik hier? Een paar honderd meter verder is het Rijksmuseum met zalen vol schilders die ik wel bewonder en van wie ik nooit genoeg krijg. Is het de associatie met Jane? Ik denk nooit meer aan haar, maar de laatste dagen is ze een paar keer opgedoken in mijn herinnering. Door de jetlag, neem ik aan, die nu kennelijk ook mijn emotionele metabolisme heeft ontregeld.

Het heeft in totaal nog geen twee jaar met haar geduurd, inclusief kennismaking. Het was in het begin niet onaangenaam geweest, goede seks en we hadden ondanks alle verschillen goed met elkaar kunnen opschieten, er waren geen hoog oplopende ruzies geweest, maar het was al binnen een jaar tot een futloze affaire verworden. Alsof we de gouden bruiloft al achter de rug hadden. Dat had vooral aan mij gelegen. Ik werkte niet aan onze relatie, zoals ze me een keer huilend verweet.

Ik had niets gezegd toen ze steeds langer wegbleef op reportage of ’s avonds laat opbelde dat er onverwacht een klus was langsgekomen die alleen door haar geklaard kon worden. Toen ze me eindelijk opbiechtte dat ze ‘een ander’ had, een collega die haar ‘beter begreep’, had zij gehuild. Ik had behalve opluchting niets gevoeld. De scheiding is zonder wanklank voltrokken. We zouden vrienden blijven. Ze stuurde me kerstkaarten, mede ondertekend door ‘Trevor’, geboortekaartje van het eerste kind (jongen of meisje, al sla je me dood). Ik gaf geen sjoege. En als ik nu op het politiebureau een computertekening van haar zou moeten maken, zou ik het niet kunnen. Het huwelijk was een intermezzo geweest, waarin ik wel aanwezig was geweest, maar waaraan ik nooit had deelgenomen. En het was bij lange na niet het enige geweest. Mijn leven is een aaneenschakeling van intermezzo’s.

Er is iemand naast me komen zitten. Even denk ik dat het een Van Gogh-moede Japanner is, en ik besluit verder te gaan. Maar het is een onberispelijk geklede oudere heer, die met de handen onder de kin op een wandelstok leunt en me verstoord aankijkt als ik aanstalten maakt om op te stappen.

Ik herken hem onmiddellijk. Tientallen jaren heb ik hem niet gezien en in al die tijd hooguit een paar seconden aan hem gedacht maar er is geen twijfel mogelijk. Oskar! Hij moet tegen de zeventig zijn. Zijn gezicht bestaat voornamelijk uit groeven en plooien, een onderkin hangt slap over zijn boord, over zijn vlezige neus loopt een delta van gesprongen adertjes en het rechteroog gaat bijna volledig schuil onder een afhangend ooglid. De kop van een slordig aan elkaar genaaide lappenpop. Maar het is Oskar. Onmiskenbaar.

Het gezicht dat ik een eeuwigheid geleden voor het laatst heb gezien is nog altijd herkenbaar onder de ravage die de tijd en vermoedelijk ziekte hebben aangericht. Vergissing absoluut uitgesloten. Ik zit naast Oskar, de stinkrijke, ‘vaderlijke’ vriend van Judith, Yolanda, Charlotte en god weet hoeveel andere jonge vrouwen. Wat een ongelooflijk toeval. Als ik dit aan Roderick en Charlotte vertel, zouden ze me niet geloven. Het is ook erg onwaarschijnlijk. Wie weet vergis ik me, laat ik me meeslepen door een toevallige gelijkenis. Zit ik naast zijn dubbelganger, iedereen schijnt een dubbelganger te hebben. Maar nee, dat zou pas echt te toevallig zijn, echt te onwaarschijnlijk. Dit is Oskar en niemand anders.

Hij kijkt me aan. De zelfde waterige ogen als Oskar.
‘Moet ik u kennen?’

 

Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 194 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (64) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD. Voor deze laatste organisatie was hij correspondent in Johannesburg, Berlijn en Tokio. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.