De Geheimschrijver, Deel 3

Deel 3: Nico zoekt een kamer

Om klokslag elf stond hij voor de deur. Hij aarzelde even voor hij aanbelde en vroeg zich af of hij er wel goed aan had gedaan op de advertentie op het prikbord in het faculteitsgebouw te reageren.

‘Een bolwerk van corpsballen,’ had een medestudent gezegd, die ook een kamer zocht. ‘Roderick van Haeften, zoon van de minister. Een bal van de eerste orde, zoals je al uit de naam kunt opmaken. Volgens mij heb je geen kans als je geen lid bent. Ik vraag me trouwens af waarom hij adverteert. Hij heeft onder zijn soortgenoten de huurders voor het uitzoeken .’

Niettemin had Nico opgebeld en tot zijn verrassing te horen gekregen dat hij de volgende ochtend kon komen hospiteren. Hij had van de zenuwen de naam niet goed gehoord, maar wist zeker dat het niet Van Haeften was.

Zijn blik gleed over de naambordjes die in de deurpost waren geschroefd. Dat was ‘m, Van Laerhoven, die had hem te woord gestaan. Achter de deur klonk gestommel. Een diepe stem riep: ‘laat maar, ik doe wel open.’ Een paar seconden later ging de deur open.

In de opening stond een blonde reus in kamerjas met een mok in een hand. Met de andere woelde hij even in een ongetemde bos dik haar. Hij had opmerkelijk gladde wangen. Vrijwel baardloos. Als babybillen, dacht Nico.

‘Ik kom voor de kamer’, zei hij. ‘Ik heb gisteren gebeld.’
De reus keek hem verbaasd aan.
‘O ja? Ik weet van niks. Ben je zeker dat je hier moet zijn?’
‘Absoluut. Ik heb’, – hij checkte snel het naambordje -, ‘een afspraak gemaakt met Van Laerhoven .’
‘Eylard . Die denkt dat ie achter mijn rug kamers in mijn eigen huis kan vergeven. Hoe is de naam?’
Nico noemde zijn naam.

De reus draaide zich om en brulde: ‘Eylard, ken jij een zekere Duivendrecht? Hij zegt dat ie jou gesproken heeft en komt voor de kamer.’
Nico keek langs de reus de gang in en zag eerst een hoofd en vervolgens een lijf die aan het einde rechts uit de muur leken te komen. De verschijning kwam dichterbij en Nico zag dat hij zijn broek ophees.

‘Hij zat op de plee’, legde de reus uit. ‘Dat doet hij altijd als hij iets gedaan heeft wat niet door de beugel kan.’
De verschijning stond nu naast de reus en leek in alles diens tegenpool. Hij was middelgroot en tenger, had lang golvend zwart haar, een snor en stoppels van minstens drie dagen. Hij droeg een verschoten jeans en een t-shirt met een afbeelding van een man die sprekend op hem leek en met de broek op zijn enkels op een wc-pot zat. Hij liep op blote voeten. Hij nam Nico snel op en stak zijn hand uit.

‘Eylard Let maar even niet op hem. Kom binnen.’
Dat ging niet omdat de ingang werd geblokkeerd door de reus, die de situatie erg amusant leek te vinden. Hij grijnsde, nam een slok uit de mok en drukte zich tegen de deurpost waardoor Nico zich langs hem kon wurmen.
‘Treed binnen, verdoolde reiziger.’

Nico werd een grote kamer binnengeleid. De reus wees op een leren fauteuil en Nico ging zitten. Eylard vroeg of hij koffie wilde, ‘melk en suiker ?’ en verliet de kamer.
De reus liet zich in een stoel zakken.
‘Ik ben Roderick van Haeften, de kasteelheer, maar dat had je denk ik al begrepen.’

Eylard kwam binnen met een mok die hij aan Nico gaf. De mok had geen oor en was gloeiend heet. Nico zette de mok snel neer op de salontafel, maar kon niet verhinderen dat hij morste. Een kleine bruine plas bedreigde een dik pocketboek dat opengeslagen, met de rug naar boven, op de tafel lag. Hij sprong op uit zijn stoel, stootte bijna de mok om, pakte net op tijd het boek op, haalde een zakdoek uit zijn broek en veegde het plasje op. Het boek, The Lord of the Rings, legde hij op de eettafel.

Roderick beloonde de actie met een krachtig applaus.
‘Eylard verdomme, dat jij vuurvaste tengels hebt, betekent nog niet dat iedereen die heeft.’
Hij wendde zich tot Nico: ‘Voor dat boek had je je leven niet hoeven te wagen. Dat is 1000 pagina’s flauwe kul, als je het mij vraagt.’
‘Hij leest nooit’, zei Eylard tegen Nico. ‘Hij weet niet waar hij het over heeft.’

‘Ik heb een brede culturele belangstelling, zoals je zou kunnen weten. Want waarom anders zou de kunsthistorische prinses hier ter stede met mij willen verkeren? Maar voor een boek over kaboutertjes ben ik te oud. Als ik ooit kleinkinderen krijg en Disney maakt er een leuke film van, dan neem ik ze daar misschien naar toe. Maar voor die tijd, neen, neen en nog eens neen!’

‘Arme kinderen’, zei Eylard. ‘Maar Nico is hier niet om uiteindelijk te horen dat James Bond en Adriaan en Olivier voor jou het hoogtepunt van de wereldliteratuur zijn. Hij zoekt een kamer, als hij die na deze kennismaking met jou nog zou willen hebben, tenminste.’

Roderick sloeg geveinsd mokkend zijn benen over een leuning en slurpte zijn koffie naar binnen.
‘Ik stel voor dat jij onze vriend aan het kruisverhoor onderwerpt. Hij is per slot van rekening jouw kandidaat.’
Hij keek Nico aan. ‘Dispereert niet. Ik grijp in als hij de duimschroeven te vast aandraait.’
Nico vertelde dat hij in Amersfoort was geboren en getogen, dat zijn ouders onderwijzers waren, hij een twee jaar oudere zuster had, het gymnasium had doorlopen en nu rechten ging studeren.

Eylard wilde weten waarom hij voor Leiden had gekozen, wat hij later dacht te gaan doen, wat hij van de politieke situatie in eigen land en de oorlog in Vietnam vond en welk boek hij het laatst gelezen had.

Roderick die zich toch in het gesprek mengde, was benieuwd naar zijn zuster; hoe ze heette of ze ‘begeerlijk en indien ja vrij’ was en of het niet vreselijk was onderwijzers als ouders te hebben. Voorts wilde hij weten of hij een vriendin, ‘mooi, hoop ik’, had en voor Ajax dan wel Feyenoord was. Dat laatste was wat hem betreft de ‘hamvraag’. Daarna verloor hij zijn belangstelling en begon de krant te lezen.

Nico en Eylard stelden vast dat ze van dezelfde muziek en dezelfde schrijvers hielden, maar toen Nico tegen een uur vertrok, was hij er van overtuigd dat Eylards mening niet voldoende gewicht in de schaal zou leggen. Hij zou een andere kamer moeten zoeken. Dat gevoel werd nog versterkt doordat Roderick bij het afscheid :’Don’t call us, we call you’ had geroepen.’
Hij had niet eens opgekeken van de krant.

De kamerjacht dreigde op een fiasco uit te lopen. Nico had bij vrijwel alle studentenhuizen met vrije kamers gehospiteerd en overal nul op het rekest gekregen. De ene keer werd hem aangerekend dat hij geen corpslid was; de andere keer dat hij geen vrouw bleek te zijn. Dankzij de bemiddeling van een leraar van zijn school in Amersfoort, had hij tijdelijk de kamer kunnen huren van een andere oud-leerling, maar daar kwam nu een einde aan. De oud-leerling was in het kader van een uitwisselingsprogramma naar de VS gegaan, had zijn verblijf daar verlengd om door het land te reizen, maar zou op zijn laatst begin november terug zijn. Nico begon te wanhopen. Hij was graag in dit huis gebleven. Het lag in het centrum, binnen loopafstand van het faculteitsgebouw. De kamers waren ruim en licht. De medebewoners waren aardig en behulpzaam. Geen arrogante fluimen als Roderick van Haeften. Ze hadden hem wegwijs gemaakt in de stad, meegenomen naar hun favoriete kroeg en de betere goedkope eettentjes. Maar blijven was onmogelijk. Er kwam voorlopig geen kamer vrij en bovendien hadden ze afgesproken dat de nieuwe huisgenoot een vrouw zou zijn.

Een week na zijn bezoek aan het huis van Roderick van Haeften zat hij mistroostig op de rand van het bed naar het portret van Che Guevarra te staren en drop te eten. De kamernood was zo groot dat sommige studenten een kamer in Den Haag hadden gehuurd. Daarin had hij helemaal geen zin. Hij kende Den Haag niet; was er een keer op schoolreis geweest en wat hij had gezien was hem niet bevallen. Waarom kon hij niet verklaren en daarom had hij voor zichzelf besloten dat de sfeer hem niet aanstond. Nee, Den Haag was geen alternatief. Forenzen vanuit Amersfoort evenmin.Te omslachtig en bovendien, hij wilde het huis uit. Hij was 20! Tijd om op eigen benen te staan, de wereld te ontdekken, vrouwen te veroveren, dronken te worden, hasj te roken, popconcerten te bezoeken, boeken te lezen, vreemde landen te bereizen en, vooruit, te studeren. Hij moest en zou hier een kamer vinden.

Zo’n opgeblazen hufter als Van Haeften kreeg alles gepresenteerd op een zilveren dienblad. Vader minister, en hup alle deuren zwaaiden automatisch open. Corpsbal, en zie, vriendschappen voor het leven en relaties die je verder hielpen in je carrière. Om nog maar te zwijgen van de meiden die aan zijn voeten zouden liggen. Had hij ook niet gezegd dat dat huis van hem was? Dat was het toppunt. Een eigen huis! Vermoedelijk nog geen 25 en een eigen huis! Aan die oneerlijke voorsprong moest wat gedaan worden. Waar bleef de politiek, waar waren de socialisten als het echt ging om gelijke kansen voor iedereen? Hij zwaaide met zijn vuist naar de poster.
‘He Guevarra, zeg eens, wat zou jij aan dit ten hemel schreiende onrecht hebben gedaan.’

Er werd op de deur geklopt. Een huisgenoot kwam de kamer binnen.
‘He, Nico alles goed, hoop ik. Ik heb post voor je. Een chique brief zo te zien. Lukt het een beetje met kamers zoeken?’
Hij zag het sombere gezicht en zei:’ Ik moet nog even wat afmaken. Daarna gaan we een biertje drinken. Over een uurtje, ok?’

Henk verliet de kamer en Nico bekeek de brief. Dit was geen enveloppe maar een couvert. Fraai, dik, waarschijnlijk geschept papier. Dat nam hij aan, want hij wist niets van hoogwaardige papiersoorten en zo’n brief had hij nog nooit gekregen Op de voorzijde waren met vulpen in haastige hanenpoten zijn naam en adres gekrast.

Hij draaide de brief om en daar stond de naam van de afzender. In elegante, schreefloze drukletters. R.W.J.J. van Haeften.
Het briefpapier was van de zelfde kwaliteit, zij het iets dunner, en het briefhoofd met naam en adres van de schrijver was gezet in dezelfde elegante letter. De tekst was door de hanenpoten moeilijk te ontcijferen, maar na enig gepuzzel kon Nico het volgende lezen:

Wordt vervolgd

 

Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 187 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (64) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD. Voor deze laatste organisatie was hij correspondent in Johannesburg, Berlijn en Tokio. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.