De Geheimschrijver, Deel 28

Deel 28: Manneke Pis

Hij werd wakker en wist niet waar hij was. Door een kier in de gordijnen sijpelde grijs licht de kamer in en hij ging nog half slaperig rechtop zitten. Hij verschikte zijn kussen. Het bed was vreemd evenals de kamer waarin het zich bevond. Langzaam trok de mist in zijn hoofd op en hij herinnerde zich weer wat de afgelopen avond en nacht gebeurd was. Hij keek naar het kussen naast zich, maar Judith was verdwenen. Op het kussen lag een paar zwarte haren, het bewijs dat ze daadwerkelijk naast hem had gelegen en dat hij het niet, zoals hij even in zijn halfslaap had gedacht, had gedroomd.

Hij zuchtte en voelde zijn lul weer hard worden maar besloot de drang om zich af te trekken te weerstaan. Dat zou, vond hij, nu niet gepast zijn. Alsof het wat de afgelopen nacht was gebeurd, zou bezoedelen. Hij keek op de wekker op het nachtkastje. Half tien. Hij had om 11 uur een werkgroep, die hij niet mocht missen. Hij kon hier niet blijven liggen tot Judith terugkwam. Hij moest naar huis om zich te douchen en zijn boeken op te halen. Hij stond op en voelde dat hij nodig moest pissen. Maar waar? Hij kende het huis niet en de aandrang was te groot om zich eerst aan te kleden en op onderzoek te gaan. Jezus, hij moest wel heel nodig. Hij kneep in zijn lul in een poging de pisbuis dicht te knijpen, terwijl zijn ogen de kamer afzochten naar een oplossing. Zijn blik viel op een tafeltje in de hoek van de kamer waarop een vaas vol gedroogde geelbruine herfsttakken stond. Dit was zijn redding. Hij kon de vaas altijd weer schoonmaken, zodat er geen haan naar kraaide. Hij pakte de vaas, haalde de takken er uit en begon uit volle kracht te pissen.

Hij keek tevreden naar de dampende bruingele straal die in de vaas begon te schuimen. Het was wel veel. Hij had nooit geweten dat een blaas zoveel pis kon bevatten. De vaas werd steeds voller en hij merkte dat hij nog lang niet uitgepist was. Hij voelde een lichte paniek opkomen. Stel je voor dat de vaas niet groot genoeg was en dat hij bleef doorpissen tot de vaas zou overstromen. De vloerbedekking zou drijfnat worden en de pis zou bij het opdrogen vreselijk gaan stinken. Hij zou zich voor eens en altijd bij haar onmogelijk maken. En niet alleen bij haar, maar bij iedereen. Hij zou voor eeuwig getekend zijn.

Hij zou zich in geen enkele kroeg of eettent meer kunnen vertonen zonder dat iedereen hem besmuikt achter de hand zou uitlachen en hem, als hij beschaamd, weggedoken in zijn jas, af zou druipen, openlijk lachend zou nawijzen. Manneke Pis van Leiden, zo zou hij de geschiedenis in gaan. Gemeden en veracht door iedereen zou hij tenslotte als een middeleeuwse melaatse de stad uitsluipen. Zelfs dat zou niet helpen. Zijn reputatie zou hem altijd en overal volgen, hardnekkig als zijn schaduw. Angstig keek hij naar de stand van de urine. De vaas was nu zeker drie kwart vol en de pis naderde nu de versmalling voor de weer breder uitlopende opening. Hij moest het zien af te knijpen, maar zelfs als dat lukte, waar hij niet zeker van was, wat dan? Een andere vaas of lege fles vinden?

Hij keek om zich heen en zag een kleinere vaas met tulpen op de tafel staan. In hemelsnaam, dat moest dan maar. Er zat niets anders op. Maar hoe kwam hij bij de tafel zonder urine rond te sproeien? Hij werd wanhopig. Er was geen oplossing. De grootste vernedering in zijn leven was onafwendbaar. Nooit, maar dan ook nooit meer, zou zij hem willen aankijken. Het was een afgang zonder weerga. Opeens voelde hij dat de druk afnam. De straal werd een straaltje en het straaltje werd een serie druppels en de druppels kwamen met steeds langere tussenpauzes tot ze tenslotte ophielden. Hij voelde de spanning uit zijn lichaam wijken en keek met een zucht van verlichting in de vaas. Hij was vrijwel vol. Net op tijd. Het zou nog een hele toer worden om hem zonder te morsen naar de keuken of de plee te brengen, maar de ramp was ten minste uitgebleven.

Op dat moment ging de deur open. Judith! Ze had een zwarte lakregenjas aan, waar het water van afdroop en in de ene hand hield ze een paraplu en in de andere een plastic tas. Hij keek verschrikt op. Betrapt. Hij had te vroeg gejuicht. Hij voelde het schaamrood door zijn wangen gloeien en bracht in een reflex de vaas voor zijn kruis. Daarbij klotste urine over de rand en sijpelde langs zijn been naar beneden. Sprakeloos staarde hij haar aan, verstard, en wachtte op het onvermijdelijk onbarmhartige vonnis.

Judith begon te lachen. Ze zette de tas op de grond, de paraplu tegen de muur en liet zich in een stoel vallen. Hij keek haar verbijsterd aan en wilde dat hij rechtstandig door de vloer kon zakken en dat de vloer zich daarna weer naadloos zou sluiten, zodat hij voor eens en altijd voor iedereen verdwenen was. Judith hield niet op met lachen. Ze schudde het hoofd en wreef zich de tranen uit de ogen. Na wat voor hem een eeuwigheid was, hield ze op met lachen en keek hem stralend aan.

‘Nico, Nico, wat is er in hemelsnaam aan de hand? Ik wilde dat je jezelf zou kunnen zien, Het is geen gezicht.’

Ze barstte opnieuw in proesten uit, maar toen ze zag hoe hij zich geneerde, probeerde ze zich te beheersen. Nu begon Nico te lachen. Uit opluchting, omdat de gevreesde reactie was uitgebleven, en omdat hij zelf het komische van de situatie begon in te zien. Dat inspireerde haar tot een nieuw lachsalvo. Hij voelde hoe de verkramping oploste en wist dat hij niets had te vrezen, dat ze hem veel, zo niet alles zou vergeven. Voorzichtig zette hij de vaas neer en wreef snel met zijn hand de urine op zijn been weg. Toen ze eindelijk uitgelachen was kwam ze op hem toe en kuste hem op de wang. Ze viste zijn onderbroek op uit de kluwen kleren en wierp het hem toe.

‘Trek dit maar snel aan voor ik andere plannen met je krijg. God Nico, ik heb in tijden niet zo gelachen. Ik dacht dat ik niet meer bijkwam.’

Gerustgesteld en nu volkomen op zijn gemak vertelde hij wat gebeurd was. Hij dikte de angstfantasieën nog aan en ze begon opnieuw te lachen Na een paar minuten keek ze hem lachend en hoofdschuddend aan.

‘Laat de productie maar eens zien. Ik wil nu wel eens weten of je niet overdrijft.’
Hij wees, terwijl hij met een been in een broekspijp wankelde, op de vaas.
‘Mijn god, Nico. Waar haal je het vandaan. Als je me gezegd had dat dit van een paard was, had ik het ook geloofd. Maar goed, laten we het nu maar weggooien. Ik geloof niet dat het een souvenir is, dat ik graag wil bewaren.Wil je de deur even voor me opendoen?’

Ze snoof misprijzend, kneep demonstratief even haar neus dicht, pakte de vaas voorzichtig met beide handen op en dribbelde met kleine pasjes de kamer uit. Een paar seconden later hoorde hij een wc doorspoelen. Ze kwam terug zonder vaas en wees grinnikend met haar duim achterwaarts over haar schouder naar een voor hem onzichtbare ruimte.

‘De wc is nog geen 10 passen ver, schuin tegenover de kamer. Je had het denk ik binnen drie seconden gehaald. Maar goed, dit is wel een geweldig verhaal.’
Toen ze merkte, dat hij van die laatste opmerking schrok, schudde ze lachend haar hoofd.
‘Maak je geen zorgen. Ik zal het niemand vertellen. Dit blijft echt tussen ons, maar ik vind het wel jammer dat niemand je gezicht heeft kunnen zien op het moment dat ik binnenkwam. Ik wou dat ik daar een foto van had kunnen maken. Het was onbeschrijflijk.’

Ze pakte glimlachend de tas op en begon hem uit te pakken. Hij zag dat ze inkopen had gedaan voor het ontbijt en begreep dat hij nu niet kon vertrekken. Hij wilde ook niet. Hij wilde bij haar blijven. Met haar ontbijten was de volmaakte afsluiting van een nacht die hij nooit zou vergeten, wat er verder ook in zijn leven mocht gebeuren. Hij wist ook zeker dat dit niet het einde was. Het was het begin van een liefde, een grote liefde. Judith ging niet zomaar met iemand naar bed. Ze had hem uitverkoren, omdat ze ook verliefd was. Op hem. En op niemand anders. Ze zou de Franse vriend zijn congé geven. Dat kon nu niet anders. En die Franse vriend zou het begrijpen, omdat zij de ware liefde had gevonden. Fransen waren daar gevoelig voor, dat wist hij. Het leven draaide bij hen om de liefde. Hij keek op zijn horloge. De werkgroep zou hij nooit meer halen, maar dat kon hem niet schelen. Het ging hier en nu om zijn levensgeluk. Die werkgroep kon hij altijd later nog wel eens inhalen.

Judith had de tafel gedekt en vroeg of hij koffie, eieren met spek en vers geperst sinaasappelsap wilde. Hij knikte, want hij was uitgehongerd. Hij vroeg haar of hij haar kon helpen, maar dat wees ze beslist af. Het was nu zijn beurt om zich te laten verwennen. Ze wees op de krant die op tafel lag en verliet de kamer.

Wordt vervolgd.

 

Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 194 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (64) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD. Voor deze laatste organisatie was hij correspondent in Johannesburg, Berlijn en Tokio. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.