De geheimschrijver, Deel 26


Roderick is op zoek naar een beeldhouwer voor een standbeeld voor Pim Fortuyn. Charlotte wil er niets mee te maken hebben, maar komt uiteindelijk toch met een naam.

Bij de deur draait ze zich opeens om.
‘Ik ken geloof ik toch wel iemand. Karien Heijtlager, een jonge beeldhouwer. Ze wordt de nieuwe Van Pallandt genoemd. Maakt prachtige portretten. Die zouden jullie kunnen benaderen.’

Deel 26: Roderick

Bij de derde fles wijn zegt hij:
‘Voor het zelfde geld had ik volgende week naar drie begrafenissen gemoeten. Of wil jij je laten cremeren? Mijn vader is gecremeerd. Dat was voor hem een principiële keuze. Het was een plechtigheid in zo’n zaal, waarvan je denkt dat die eigenlijk bij een zwembad of een sporthal hoort. Iedereen trok braaf zijn smoel in de rouwplooi, maar het was een volledig zielloze onderneming. Er is me weinig meer bijgebleven dan hoe banaal en nietszeggend het allemaal was. Heel democratisch natuurlijk. Iedereen is gelijk als hij de oven in wordt geschoven. Het maakt niet uit of je bouwvakker, kruidenier of minister was. Dat stuit me natuurlijk ook tegen de borst. De plichtmatige nivellering van de gedemocratiseerde dood. En de volgende staat al klaar, terwijl voor jou bij wijze van spreken het gas nog moet worden aangestoken. Het is lopende bandwerk. Het berooft het afscheid van de dierbare overledene van zijn drama.

Ik kies daarom met volle overtuiging voor de ter aarde bestelling. Dat klinkt op zich al veel beter dan cremeren, vind je ook niet? Het heeft iets gewijds, iets mysterieus. De terugkeer in de moederschoot. Dat heeft toch veel meer allure, zeg nou zelf? Vooral in de herfst, als de bladeren van de bomen dwarrelen, de wind door de kale takken kreunt, kinderen en vrouwen vergeefs vechten tegen de tranen, en de geestelijke zijn stem moet verheffen om zich bij de Heer verstaanbaar te maken. Ik wil ook niet voor oktober begraven worden. En als ik eerder de pijp uitga, moeten ze me maar zolang op sterk water zetten.’

‘Dat had je niet gedacht, hè? Achter de façade van de kille, keiharde zakenman gaat een diep romantische ziel schuil. Ik moet dat notarieel vast laten leggen, zodat ze me niet per abuis de vlammen insturen.’

Hij zucht.
‘Ik ben blij dat Eylard begraven wordt.’
Ik heb geen zin om op zijn bespiegelingen in te gaan. De bekentenissen van Charlotte, de confrontatie met de hangjongeren, het bijna-ongeluk hebben me uitgewrongen. Ik wil een korte wandeling maken en dan naar bed. Geen gezever meer aanhoren over begrafenissen en crematies. En niet meer drinken. Ik heb de afgelopen dagen veel te veel gezopen. Wat ik alleen vandaag al naar binnen heb gegoten, drink ik in Seoul niet eens in een met representatieve verplichtingen volgestampte week. Dit, en de naweeën van de jetlag, die fysiek misschien overwonnen is, maar psychisch waarschijnlijk nog niet, beginnen me nu op te breken.

Ik moet niet eens meer proberen na te denken over wat Charlotte me vanmiddag heeft verteld over Roderick en haar.. En bovendien wat kan het me schelen. Hierna zie ik ze nooit meer. Worden ze net als al die anderen bijgeschreven in Nico’s grote, uitpuilende vergeetboek. Ik gaap, lang en ongewild demonstratief.

Roderick kijkt me half geamuseerd, half vragend aan, alsof hij een antwoord verwacht op een voorstel dat hij al enige tijd geleden had gedaan.
‘Ik zei, misschien kunnen we even langs gaan bij de schatrijke buurman. Hij geeft vanavond een feestje, waar hij alleen zijn intieme vrienden heeft uitgenodigd. Ik neem aan dat er dus een man of 50, 60 zal zijn. Het geeft je een aardig inkijkje in de wereld waarin ik me staande moet zien te houden.’

‘Ik weet niet of ik daar nu behoefte aan heb. Jezus, Roderick. Ik ben gesloopt. Het was me het dagje wel, zeg. Ik begrijp niet dat jij daar nog zin in hebt. Jij moet toch ook een zware dag achter de rug hebben?’
Hij knikt en lijkt niet teleurgesteld.
‘Je hebt waarschijnlijk gelijk, maar ik dacht dat je het wel leuk zou vinden. Hoe neo-rijk Nederland zich denkt te moeten amuseren.’
‘Ik denk dat ik me daar wel een voorstelling van kan maken. Het zal wel niet gek veel verschillen van de parvenu’s in Londen, Milaan, New York of waar dan ook. Ik ben er niet benieuwd naar.’
‘Dat vergat ik natuurlijk, dat jij een man van de wereld bent. De kosmopoliet voor wie geen deur gesloten blijft, die zich moeiteloos beweegt op het gladde parket van de macht en het glanzende marmer van de poen. Ik ben nu eenmaal maar een eenvoudige provinciaal wiens horizon niet verder reikt dan de oprijlaan van zijn buurman. Neem me niet kwalijk.’

De onverwacht afgebeten toon en het sarcasme overvallen me. Ik heb misschien door de vermoeidheid en de drank de controle teveel laten verslappen en mijn irritatie te makkelijk vrij baan gegeven, maar op deze reactie ben ik niet bedacht.

Opeens bedenk ik dat Roderick gewend was altijd zijn zin te krijgen. De scènes die hij maakte als Eylard of Charlotte niet wilden doen, wat hij wilde. Meestal ging het om iets onbenulligs als naar welke kroeg, welke film of welke eettent ze zouden gaan. Meestal trok hij zich dan mokkend terug, om niet veel later weer te verschijnen alsof er niets gebeurd was. Maar een keer was het erger dan anders.

Charlotte was razend hun kamer uitgestormd, achternagezeten door een tierende Roderick. Ze had zich omgedraaid en hem toegeschreeuwd dat ze nooit, maar dan ook nooit meer’ iets met hem te maken wilde hebben. Ze was bijna tegen een in de gang gestalde fiets geknald, had de fiets, haar eigen, luid vloekend een trap gegeven en de deur met een klap achter zich had dicht gegooid. Roderick had in de deuropening gestaan. Naakt onder zijn open hangende kamerjas. Scheldend en tierend. Hij had niet in de gaten gehad dat ze allang weg was. Daarna hadden Eylard en ik hem tekeer horen gaan. Bijna al het servies en glaswerk had hij kapot gesmeten. Ik was geschokt, dacht dat hij krankzinnig was geworden, maar Eylard had zijn schouders opgehaald en gezegd dat Roderick daar een paar keer per jaar last van had en dat het ook dit keer wel weer zou overgaan.

Later op de avond was hij weer te voorschijn gekomen, uitgeraasd, maar niet aanspreekbaar, en weggegaan. Hij was diep in de nacht straalbezopen en onverstaanbare liederen brallend thuisgekomen en was de volgende ochtend laat, grauw van de kater, de huiskamer ingeslopen had en zich zwijgend achter de krant verscholen. Pas in de loop van de middag was hij weer enigszins tot zichzelf gekomen en ’s avonds had hij bij het eten weer het hoogste woord gehad.

Maar Charlotte had zich dagen niet laten zien. En wat zich precies tussen hen had afgespeeld, was toen maar ook later niet duidelijk geworden. Nadat Charlotte tenslotte weer was thuisgekomen en zich met hem verzoend had, hadden ze beiden gedaan alsof de uitbarsting niet had plaatsgevonden.

Ruzie is iets waarvoor ik niet, nooit, in de stemming ben. Misschien is het beter nu toch maar te vertrekken. Morgenochtend gelijk na het ontbijt. Er niet langer om heen draaien. Dit heeft geen zin. Ik sta op en zeg dat ik nog even frisse neus wil halen.

Hij staat ook op, rekt zich uit, gaapt en wrijft met zijn hand net zo lang over de punt van zijn neus tot deze rood wordt.
‘Als je het niet erg vindt, loop ik even met je mee. Het was inderdaad geen goed idee om nog bij de rijke buurman langs te gaan. Je had helemaal gelijk, Nicolai.’

Het gif dat nog geen minuut geleden uit elke lettergreep droop, is verdwenen. Het klinkt bijna deemoedig. Bijna.
’Natuurlijk niet, maar laten we dan nu meteen gaan.’

Wordt vervolgd.

 

 

 

 

 

 


Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 241 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (1951) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD, het Financieele Dagblad en diverse omroepen. Hij was correspondent in Johannesburg, Berlijn, Tokio en Rome. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.