De Geheimschrijver, Deel 24

Deel 24: De pizza

Zodra het droog is, gaan Charlotte en ik naar het dorp om pizza en tiramisu te halen. We parkeren bij een winkelrij die ik hier niet had verwacht. Meer iets voor een achterstandswijk. Ontwerp: laat alle hoop varen jaren 60. De wind jaagt afval van een snackbar over het trottoir.

Charlotte beschermt haar ogen met haar hand.
‘De contactlenzen’, schreeuwt ze . ‘Het zou niet de eerste keer zijn dat er een uit mijn ogen waait.’
Aha, dat is de oplossing voor de ontbrekende leesbril. Had ik kunnen weten.

Ik werp in het voorbijgaan een blik in de snackbar. Opgeschoten jongens staan in groepjes bij slotmachines. Sommigen drinken bier uit de fles. Een jongen in een met rode duivels en draken versierd zwarte leren jack wankelt naar buiten en boert luid in mijn oor. Hij kan niet ouder dan 16 zijn. Hij stinkt naar bier en een paar vurige puisten branden op voorhoofd en kin. De grootste net boven het midden van zijn doorlopende wenkbrauwen, als het oog in een roos. Zijn haar is zo kort dat zijn hoofdhuid door de zwarte stoppels schemert. Hij boert nog een keer, grijnst, kijkt me uitdagend aan, loopt naar de met graffiti bekladde blinde muur naast het cafetaria en begint te pissen. Charlotte pakt me bij de arm en sleurt me mee naar de Italiaan.

‘Hangjongeren. Zelfs hier. Vraag me niet waar ze vandaan komen, maar opeens waren ze er. Ze terroriseren hier de hele boel en de politie doet er niets tegen. Toen Fortuyn was doodgeschoten hadden we hier voor het eerst sinds mensenheugenis rellen. Het hele dorp stond op zijn kop, want dat hadden ze nog nooit meegemaakt, dat de boze buitenwereld het waagde hier de rust te verstoren.’

Bij de Italiaan zitten een paar gezinnen met kleine kinderen aan de met papieren kleedjes bedekte tafeltjes. Aan de muren hangen waterverfjes en reproducties van stadsgezichten en taferelen die voor typisch Italiaans moeten doorgaan. Charlotte plaatst haar bestelling bij een magere, kalende man van een jaar of 50, die haar begroet alsof ze een stamgast is. Hij schenkt ons een glas in biedt ons een stoel aan. ‘Roberto’ wil weten hoe het met ‘il dottore’ is en klaagt over het weer en de vandalen uit de snackbar die zijn gasten wegjagen. Charlotte belooft hem dat ze de burgemeester over dat laatste zou aanspreken, zodra ze hem zou zien. Als de pizza’s klaar zijn laat Roberto een extra groot stuk tiramisu in een plastic schaal glijden.

Buiten de snackbar heeft zich een groepje opgeschoten jongeren verzameld. We worden uitgejouwd. De puistenkop geeft een andere jongen, een opvallend lange slungel, een duw. Hij verliest zijn evenwicht en dreigt tegen me aan te vallen. Ik stap snel opzij. De jongen struikelt, probeert wild maaiend met zijn armen overeind te blijven en valt languit op de grond. Het flesje dat hij in zijn hand hield, spat uiteen. Het bier vermengt zich schuimend met het water van een plas.

Zijn kornuiten kijken schaterend, joelend en applaudisserend toe hoe hij verbouwereerd om zich heen kijkend opkrabbelt. We lopen snel naar de auto, stappen in en spuiten weg.

Voor we de straat uit zijn kijk ik nog een keer om en zie de groep woest rond de jongen dansen. Charlotte slaakt een zucht van verlichting, matigt haar snelheid en vraagt waarom ik in godsnaam moet lachen.

‘Ik vertel buitenlanders altijd dat ik uit het saaiste en veiligste land ter wereld kom. Maar als zelfs de inwoners van het rijkste dorp van Nederland om half acht ’s avonds hun leven al niet meer zeker zijn, ben ik gedwongen dit beeld bij te stellen. We kunnen Roderick tenminste vertellen dat we met gevaar voor eigen leven zijn pizza hebben gehaald. Daarvoor moet hij ons eeuwig dankbaar zijn.’
‘Roderick en dankbaar…’

Ze trapt plotseling op de rem en ik zie nog net waarom. Half op de weg, half in de berm ligt een enorme tak, kronkelig als een gigantische slang. Ze vloekt, rukt aan het stuur. Een tegenligger stormt luid claxonnerend en met knipperende lichten op ons af. Charlotte geeft gas, trekt het stuur naar rechts en de tegenligger vliegt, ons nog net niet schampend, langs ons heen. We schieten de berm in, scheren langs een, twee, drie bomen, slippen. Ik kruis mijn armen en hef ze voor mijn gezicht. Bereid me voor op de klap, het tevoorschijn schieten van de airbag, het verbrijzelen van de voorruit. Dit was het dan, flitst het door me heen. De dood. Of de rolstoel.

Maar ik voel geen angst, geen paniek. Mijn hart slaat niet op hol. Mijn maag trekt niet samen. De adrenaline raast niet door mijn lichaam. Ik voel niets, helemaal niets. Mijn hoofd is leeg, alsof alle herinneringen, associaties, gedachten in een keer zijn uitgewist. Ik sluit mijn ogen en wacht af.

Niets. Er gebeurt niets. Geen knal, geen geluid van in elkaar kreukelend en over elkaar schurend staal. Geen rondvliegende glassplinters, geen uppercut van de opgeblazen airbag. Er is geen bloed, geen pijn. Ik heb niet in mijn broek gepist, niet gekotst. We staan stil. Volkomen roerloos. Alsof de tijd abrupt is stilgezet.Van buiten dringt geen enkel geluid door. Alsof we in een volledig geisoleerde capsule zitten. Ik laat mijn armen zakken en zie in het schijnsel van de koplampen waaraan we ontsnapt zijn. Een massieve, groenbruine boomstam rijst recht voor ons op, breed als een muur, op misschien een handbreedte van de motorkap.

Charlotte hangt hijgend over het stuur. Een elleboog drukt op de claxon die een langgerekt gejammer uitstoot. Ze richt zich steunend op. De claxon staakt zijn gejank. Haar haar hangt in haar ogen. Ze kijkt me met wijd opengesperde ogen aan en lacht schril.
‘Wil je nooit meer zeggen dat hier nooit wat gebeurt?’
En begint te huilen Eerst zacht, met nauwelijks hoorbare snikken en dan met lange, gierende uithalen. Ze trilt en beeft over haar hele lichaam.

Ik sla mijn zijn arm om haar schouders en trek haar naar me toe. Ze legt haar hoofd tegen mijn schouder en ik streel haar haar, fluister in haar oor dat het voorbij is, dat we het dankzij haar overleefd hebben. Zo zitten we , ik heb geen idee hoe lang, minuten, tot ze langzaam tot bedaren komt. Ze snottert in een tissue, die ik uit het handschoenenvak heb gehaald en schuift weer op haar stoel, achter het stuur. Ik stap uit om de auto op eventuele schade te checken. De wind loeit om mijn hoofd. Ik glibber door het natte hoge gras en stel vast dat de afstand tussen de bumper en de boom hooguit een paar centimeter is. Niet eens een kinderhandje. Als ik weer instap zie ik dat Charlotte zich herpakt heeft en in de achterruitspiegel haar make-up controleert. Met een tissue probeert ze de traansporen van haar wangen te wissen.

Ik bied aan het stuur over te nemen. Ze schudt het hoofd.
‘Ik heb altijd gehoord, dat je na zoiets weer gelijk moet gaan rijden. Dat schijnt de enige manier te zijn om de angst te overwinnen.’
Ze start de auto die onmiddellijk aanslaat.
‘Het wordt tijd om te gaan, vind je niet? Anders worden de pizza’s koud.’

Op dat moment begint een ijzige wind vol in mijn nek te blazen. Ik begin te rillen en voel het bloed uit mijn gezicht wegtrekken. Ik merk dat ik moet kotsen, slik snel een paar keer achter elkaar en haal diep adem. Nu langzaam en regelmatig in- en uitademen. Rustig blijven. Het is achter de rug. Ik sluit mijn ogen, reguleer mijn ademhaling, voel het bloed terugkeren en de tintelingen afnemen. Iemand knijpt zacht in mijn been.

‘Alles in orde met je?’
‘Jawohl. Geef gas. Ik heb geen zin om nog een keer pizza’s te halen.’
Mijn stem klinkt alsof hij van een vreemde is; alsof het leven er nog niet in is teruggekeerd.

 

Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 194 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (64) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD. Voor deze laatste organisatie was hij correspondent in Johannesburg, Berlijn en Tokio. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.