De Geheimschrijver, Deel 20

Nico en Charlotte hebben met elkaar zitten praten. Over hoe het was vroeger, toen Nico, Roderick en Eylard nog vrienden waren. Maar wat weet Charlotte? En wat weet ze niet?

Ze kijkt me aan met een blik alsof ik zit te raaskallen.
Meer ijswater! Ik ga naar de keuken en vul het glas met ijsblokjes en laat er een paar in mijn mond liet glijden. In de kamer is Charlotte begonnen de borden en schalen op te stapelen.

Ik word weer de hulpvaardige huisvriend. Pak de glazen, de lege wijnflessen en breng ze naar de keuken. Bijna zes uur. En Roderick is nog steeds niet terug. Tijd dat hij thuis komt. Het is mooi geweest voor vandaag.

Deel 20: Roderick komt thuis.

Uit de keuken komt het geluid van brekend glas, gevolgd door gevloek. Charlotte heeft een vaas of schaal uit haar handen laten vallen die in ontelbare stukjes uit elkaar is gespat.
‘Godverdomme. Dat moet mij weer overkomen. Zie jij hier ergens stoffer en blik?’
Ik veeg de splinters op, terwijl zij foeterend de grotere stukken opraapt.
‘Niet te kostbaar, hoop ik?’
‘Was het maar waar. Het is een erfstuk. Echte Murano. Het is nog van zijn moeder geweest. Dat zal hij leuk vinden. Ik vraag me af wat het in de keuken deed. Grace zal het hier wel neergezet hebben. Ze heeft geen notie van wat zoiets waard is. Een vaas is voor haar een vaas. En die komen van de HEMA of Blokker. Ik heb haar zo vaak gezegd dat ze moest uitkijken.’

Ze bukt zich en raapt de laatste grote scherf op. Ik zie dat het blonde haar bij de wortels grijs is. Ze komt steunend overeind. Ze lijkt opeens jaren ouder dan ze de hele middag is geweest.
‘Maar ik heb hem uit mijn handen laten vallen. Zij breekt nooit iets.’

Ze gooit de scherven in de afvalemmer.
‘We zullen nog wel moeten zuigen’, zeg ik . ‘Die splintertjes liggen altijd op de gekste plekken.’
Charlotte wijst me waar de stofzuiger staat en zegt dat ze een douche neemt.

Door het geraas van de stofzuiger heb ik hem niet horen binnenkomen.
‘Wat maakt dat kreng een herrie,’ hoor ik hem opeens roepen. ‘Je zou denken dat die lui onderhand een apparaat met geruisloze motor zouden hebben. Goede avond, Nicolai, ik ben blij dat jij je tenminste amuseert. Verder nog iets gebeurd?’

Hij gaat zonder een antwoord af te wachten met zijn wijsvingers in zijn oren de kamer in en keert terug met een glas in zijn hand.
‘Als je goed je best doet, krijg je er zo ook een. Is Charlotte thuis?’
‘Die is zich aan het douchen. Ze zal zo wel klaar zijn.’

Ik schakel de stofzuiger uit en berg hem op. Even is het stil, alsof het geloei elk ander geluid tot zwijgen heeft gebracht. Dan hoor ik de regen weer in vlagen tegen de keukenramen slaan. Roderick hangt uitgeteld in een stoel. Hij kijkt me aan, neemt een slok en zegt langzaam en nadrukkelijk: ‘kut, kut, kut.’

Hij lacht vermoeid.
‘Dat is uiteraard geen oordeel over jouw stofzuigende kwaliteiten. Een lulhannes in Brussel heeft iets uit zijn klauwen laten vallen, figuurlijk gesproken natuurlijk, en wij hebben vandaag de rotzooi mogen opvegen. Op mijn vrije zaterdag. Dat is niet goed voor mijn humeur.’

Hij legt uit welke blunders de ‘lulhannes’ heeft begaan. Het is te esoterisch om er ook maar iets van te kunnen begrijpen. Ik zeg dat ook, maar het wordt me gaandeweg duidelijk dat het niet zozeer de zaak zelf is waarover Roderick zich opwindt als wel het feit dat hij een ‘kapitale beoordelingsfout’ heeft gemaakt. Hij zelf heeft, tegen het uitdrukkelijke advies van een collega, de ‘lulhannes’ aangetrokken en naar Brussel gestuurd. Hij, die altijd de feilloze neus voor de juiste man op de juiste plaats had, die talenten had ontdekt die voor zijn collega’s altijd verborgen zouden zijn gebleven. Die reputatie is het fundament van zijn gezag, het aureool van zijn leiderschap. Dat is nu ernstig ondermijnd. Dit zou wel eens het begin van het einde kunnen zijn. Als ik tegenwerp dat ‘het zo’n vaart wel niet zal lopen’, kijkt hij me aan alsof ik een hopeloos geval ben, een kind dat hij de brute wereld van de volwassenen moet verklaren.

‘Het is de ambtenarij niet, jongen. Dat knusse aangeharkte plantsoen met een bankje uit de wind en in de zon voor de zwakke broeders. Dit is de jungle. Als de alpha-male tekenen van zwakte toont, ruiken de rivalen bloed en is het einde meestal nabij.’.

Hij staat moeizaam op, sloft naar het dressoir en schenkt zich nog eens in.
‘Manager van het jaar. Ik heb ooit een Amerikaanse collega horen zeggen dat als je door het prachtblad “Time” tot man schuine streep vrouw van het jaar werd uitgeroepen, dit onherroepelijk betekende dat je over je hoogtepunt heen bent en de hyena’s zich kwijlend uit het struikgewas zullen wagen. Dat was een scherp waarnemer, die man.’

Hij wacht even alsof hij deze wijsheid moet laten bezinken.
‘Neem me niet kwalijk, Nicolai. Terwijl ik me hier overgeef aan zelfbeklag, de ernstigste aller zonden, en met bang gemoed de nakende ondergang afwacht, vergeet ik de belangrijkste aller plichten. Wat mag ik je inschenken? Hetzelfde als altijd?’
‘Proost’.

Ik wacht op de bon mot, die nu moet volgen, alles in perspectief zet en de nederlaag relativeert, maar die blijft uit. Hij staart somber naar zijn glas.
‘Het is goed dat ik donderdag al heb gezegd dat ik maandag naar een begrafenis moet. Dat had anders tot weinig verheffende speculaties geleid.’

Charlotte komt binnen. Haar haar is nog nat en ze draagt een ruimvallende trui en jeans. Ze loopt naar Roderick en drukte een snelle kus op zijn voorhoofd.
‘En, dear, tough day at the office?’

Ze draagt geen make-up, wat haar op een ondoorgrondelijke manier weer jonger maakt.
Ze gaat op de leuning zitten en hoort hem aan.
‘Ik heb altijd het idee gehad dat hij niet deugde’, zegt ze na enig nadenken. ‘Ik heb hem natuurlijk maar een paar keer gezien, maar hij maakte geen goede indruk. Een gladde praatjesmaker en een slijmjurk. Ik vond het al zo raar dat jij iets in hem zag. Maar ja, je hebt wat dat betreft tot nu toe altijd gelijk gehad.’
‘Dank je, Charlot. Dat wilde ik graag horen. Ik zal jou voortaan inschakelen bij het personeelsbeleid.’

Hij kijkt dof voor zich uit.
De regen geselt nu met niet aflatende kracht de vensters. Charlotte doet een grote schemerlamp aan die onze hoek van de kamer in een mat licht hult. Niemand zegt iets. Ik laat mijn ogen langs het interieur gaan en mijn blik blijft hangen bij de glas-in-loodavonturen van de vos. Het is te donker om de voorstellingen te kunnen zien.

Opeens merk ik dat ik de hele dag binnen heb gezeten. Een amorfe dufheid heeft zich in mijn hersenen genesteld. Frisse lucht, ik moet in de buitenlucht.
Maar met dit weer is een wandeling gekkenwerk. Vanavond misschien, als het droog is en de wind iets is gaan liggen.

Roderick staat zuchtend op en zegt, tegen niemand in het bijzonder:
‘Ik ga een heet bad nemen en daarna wil ik een pizza, met veel kaas, veel salami en al die andere ongezonde vettigheid. Plus een grote pils. En daarna een enorm stuk tiramisu. Ik vind dat ik daar vandaag recht op heb.’

Hij sjokt demonstratief, met hangende schouders de kamer uit. Een paar seconden later hoor ik hem met loden tred de trap opstommelen.

 

 

Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 179 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (64) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD. Voor deze laatste organisatie was hij correspondent in Johannesburg, Berlijn en Tokio. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.