De Geheimschrijver, Deel 2

Nico werkt als diplomaat in Seoul. Daar onvangt hij een brief van zijn oude vriend Roderick. Een vriend van ze is overleden: Eylard. Nico besluit terug te keren naar Nederland om de begrafenis bij te wonen. Roderick en Nico hebben elkaar tientallen jaren niet gezien. Het weerzien is hartelijk, maar onderhuids is er spanning, die niet wordt uitgesproken.

Roderick grijnst.
‘Nico weet hoe ik het bedoel.’

‘Ik mis de ambitie en het netwerk. Ik heb in Den Haag denk ik ook te vaak op de verkeerde tenen gestaan. Nek uitsteken, een afwijkend standpunt hebben, dat wordt niet gewaardeerd. Niet dat ik dat vaak gedaan heb, ik ben geen Don Quichotte, maar als je een keer de verkeerde mensen tegen je in het harnas hebt gejaagd, kun je het vergeten. Begrijp me goed, dat is niet iets waar ik me grote zorgen over maak.’
‘Het kan raar lopen. Mijn vader had altijd het idee dat van mijn vrienden jij het ’t verste zou schoppen.’
‘Tja, dan heeft de Grote Staatsman zich ook een keer vergist.’

Deel 2: Nico en Roderick

We nemen koffie in de herenkamer. Charlotte heeft zich verontschuldigd omdat ze nog een college moet voorbereiden.
‘Bovendien zullen jullie elkaar wel het een en ander te vertellen hebben dat ik niet hoef te horen.’
Het domein van wijlen Van Haeften senior.

Er is voorzover ik me kon herinneren nauwelijks iets veranderd. De uitpuilende boekenkasten, de grotere en kleinere portretten van voorouders, de rooktafel, de leren fauteuilles, de fluwelen gordijnen, de schemerlampen; zo moet het er ook 40 of 50 jaar geleden hebben uitgezien. Toen ik het 30 jaar geleden voor het eerst zag moest ik denken aan de sepiakleurige foto’s in oude tijdschriften. Afbeeldingen van kamers van prominente doden waar de nabestaanden uit piëteit nog geen pennenhouder hadden durven te verschuiven. Maar ik kan me niet voorstellen dat Roderick ontvankelijk is voor dit soort sentimentaliteit.

Hij gaat zitten en wijst op een doos sigaren.
‘Nee, dank je.’
Hij steekt op.
‘Dit is de enige plaats in mijn eigen huis waar ik mag roken. En dan moet ik ’s avonds wel het raam openzetten. Tegen de stank. Mevroi wil niet lijden onder mijn slechte gewoonten.’
‘Ze ziet er wel heel goed uit,’ zeg ik om iets te zeggen.
‘Geen zorgen, dat helpt.’

Hij blaast een grote wolk de kamer in.
‘De kindjes doen het goed, leuke baan, dankzij pipa poen genoeg en een vent thuis die niets vraagt. Wass will das Weib? Nou, dat kan ik Professor Doctor Freud wel vertellen. Een leven als Charlotte Emilie van Haeften-Dingelman.’
‘Ook niet op de universiteit? Je leest alleen maar over bezuinigingen. Al die banen die onder druk staan. Dat moet toch voor spanningen zorgen.’
‘Ben je gek. Ze is wetenschappelijk medewerkster en hoeft niets meer te worden. Iedereen weet dat ze het voor de poen niet hoeft te doen. Ze is populair bij collega’s, staf en studenten, ook omdat er dankzij pipa een reisfonds bestaat, waaruit excursies worden betaald. En waar de firma elk jaar ook een vermogen in stort. Godzijdank aftrekbaar. Maar dit tussen haakjes. Kortom, ze is voor geen van die cultuurfilosofen een bedreiging. En daarnaast heeft ze, laten we het zomaar noemen, nog een uitstekende relatie met het hoofd van de faculteit. Die gaat ook altijd mee op excursie en slaapt altijd op haar kamer. Om de kosten te drukken, dat spreekt voor zich.’

Hij wuift een rookwolk weg en kijkt me geamuseerd aan.
‘Het is niet wat je denkt, smeerpijp. Even op het verkeerde been, hè. Het is een vrouw. En geen pot. Een menopauzerende dame met een moeilijk huwelijk. Haar man schijnt een notoire schuinsmarcheerder te zijn, die niet met zijn tengels van haar studentes kan afblijven. Charlotte heeft veel begrip voor haar. Gewoon, van vrouw tot vrouw. Ze zijn goede vriendinnen.’

Hij staart even voor zich uit.
‘Ze neukt wel buiten de deur, met een collega, maar die gaat nooit mee op excursie. Iedereen weet het, maar de schijn wordt opgehouden. Het is per slot van rekening een beschaafde club.’

Waarom vertelt Roderick dit? Uitgerekend mij. Op dit moment? Ik wil het niet weten. Ik ben hun huisvriend niet. Als Roderick denkt door zo’n bekentenis de vertrouwelijkheid van vroeger weer te kunnen oproepen, moet ik hem teleurstellen. Ik ben sowieso te moe. Ik kijk op de klok.
Kwart over tien. Kwart over zes ’s ochtends in Seoul. Opeens merk ik dat ik behoefte heb aan frisse lucht.
‘Ik geloof dat ik even ga lopen. Dat is goed tegen de jetlag. En daarna moet ik naar bed. Ik ben uitgewoond.’
‘Je hebt gelijk, jongen. Ik loop even met je mee. Niets is beter voor de spijsvertering dan de digestieve avondwandeling.’

Hij gaat naar het raam en zet het wijd open. Wappert even demonstratief met zijn handen als om de rook te verdrijven en werpt de sigaar naar buiten.
‘Het is droog’, zegt hij. ‘Koud met een harde wind, maar droog.’
Bij het verlaten van de kamer zegt hij zonder me aan te kijken: ‘Je moet niet denken dat het me iets kan schelen, dat ze een ander heeft. Dat kan me dus echt geen zak schelen’.
Ik knik en ga hem voor de trap af.

Ik hijs me in een winterjas van Roderick. Kan er wel drie keer in. We schieten in de lach.
‘Eenzame vogelverschrikker in het holst van de nacht die in bange afwachting is van de grote uil.’
Hij grijnst. En zegt in vrijwel dezelfde ademtocht: ‘Ik zou graag een hond willen.’

Wordt vervolgd.

Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 188 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (64) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD. Voor deze laatste organisatie was hij correspondent in Johannesburg, Berlijn en Tokio. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.

2 Comments

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.