De Geheimschrijver, Deel 19


Nico en Charlotte, de vrouw van Roderick, zijn alleen. Telkens komen beelden van vroeger naar boven. Van wat er toen gebeurd is. Van Ellie. Buiten regent het. Charlotte is naar buiten gegaan, om een stuk te rennen.

Ik denk na over wat ik niet tegen Charlotte heb gezegd en stel opnieuw vast dat dit het verstandigste was. Ik doe niet in emoties. Ik hou me staande. Dat is alles. Veins als het moet charme, betrokkenheid, genegenheid. Maar het is deel van een strategie. Het zijn trucjes, kunstgrepen. Ooit, jaren geleden, toen ik nog de illusie had dat het wat uitmaakte, heb ik er een etiket opgeplakt. Cynische berusting. Ik weet nu niet meer of het iets anders is dan hoogdravende onzin, semantische krullendraaierij. En het kan me niets schelen. Ik ben nu vooral dankbaar dat er ijswater is.

Deel 19 Charlotte

Charlotte is terug. Ze is, zie ik, een klein uur weggeweest. Haar gezicht is licht rood aangelopen en bezweet. Ze hijgt niet, maar ademt evenmin in het normale, gestabiliseerde ritme. Ze ploft in de stoel tegenover me.

‘De eerste tien minuten haat ik. Ik verwens mezelf dat ik me dit aandoe. Maar als je eenmaal op gang bent is het lekker. Het hoofd helemaal leeg en de blik op oneindig. Het mag regenen en stormen. Dat maakt me niets uit. Ik knap er altijd enorm van op.’

Is dit een handreiking, een uitnodiging tot een onschuldige uitwisseling van banaliteiten, die, gaandeweg, als er geen obstakels opdoemen, kan leiden tot een interessanter gesprek?

Zal ik meespelen? Heb ik iets beters te doen? Wandelen? Buiten hoost het, stralen zo dik dat je ze vast zou kunnen pakken. En ik betrap me erop dat ik haar aardiger, correctie, minder onsympathiek vind dan de afgelopen dagen.

We keuvelen. Ze vertelt over haar werk, ambities, het werkklimaat, de sfeer op de faculteit en de kinderen. Ik werp mijn ruime repertoire aan anekdotes over excentrieke collega’s, incompetente ambassadeurs en regelgeile bureaucraten in de strijd. Ze lacht veel en aanstekelijk. Ook nooit eerder meegemaakt. Mijn humeur wordt steeds beter, ook omdat de pijn in mijn mond dankzij grote hoeveelheden ijswater steeds minder wordt. En ook, stel ik opeens vast, omdat Roderick er niet bij is.

We lunchen met gerookte zalm, toast (ik niet) en een salade van tomaten (ik neem alleen de zachtste) en buffelmozzarella en drinken er een fles Zuid-Afrikaanse witte wijn bij. Bij de tweede fles vraagt ze plompverloren:
‘En, hoe zit het met de vrouwen, Nico? Heb je een vaste vriendin?’
Wat zal ik daarop zeggen? De waarheid? Maar eerst moet ik pissen.
De liters ijswater moeten geloosd worden.

Ik sta op, kijk haar aan, zeg : ‘ik moet pissen’, en hoor dat mijn stem uitglijdt over die drie woorden. Op weg naar de plee merk ik dat ik licht in het hoofd ben. Niet dronken, nog lang niet, maar het lome welbehagen van lichte beschonkenheid is niet ver weg. In de wc-spiegel zie ik dat mijn wangen lichtroze zijn, het kenmerk van de getrainde innemer. Ik schrik en controleer wangen en neus op het andere symptoom en stel vast dat ze niet bovenmatig ontsierd worden door een fijnmazig netwerk van gesprongen roodpaarse adertjes. Opgelucht ga ik terug naar de kamer waar Charlotte het etiket van de wijnfles bestudeert. Ze heeft de haarband uitgedaan en het jack van het joggingpak hangt nonchalant over de rugleuning. Ze leunt achterover en ik zie hoe haar borsten zich aftekenen in haar T-shirt. Ze verdient een eerlijk antwoord.

‘Wil je een historisch overzicht of een schets van de actuele situatie in Seoul?’
‘Het liefst natuurlijk allebei, maar ik vrees dat het historische overzicht te veel tijd vergt. Ik neem dus voor nu genoegen met de actuele situatie.’

Ik vertel haar over Ulrike.
Ook de tweede fles wijn is vrijwel leeg.
‘En jij?’
Ze kijkt me spottend aan.
‘Nico, ik ben een keurig getrouwde vrouw van middelbare leeftijd en moeder van twee volwassen kinderen.’
‘Nooit geweten dat zoiets een beletsel is.’
‘Dat is het voor mij in elk geval wel.’
‘Ik neem aan dat dit betekent, dat je een in alle opzichten bevredigend huwelijk hebt?’
‘Is zoiets mogelijk?’
‘Ik heb geen idee. Ik ben zoals je weet, hoe heet dat tegenwoordig, geen ervaringsdeskundige. Maar ik ben altijd bereid iets op te steken van iemand die weet waar ze het over heeft.’
‘Wat denk je bij een man en een vrouw die elkaar al meer dan 40 jaar kennen en nog steeds bij elkaar zijn?’
‘Dat ze ook de 50 wel zullen halen. Al was het maar omdat al het andere te vermoeiend wordt en/of te veel in de papieren gaat lopen.’

Ze neemt een slok wijn en lijkt na te denken.
Het is nu ook gaan waaien en de wind jaagt de regen tegen de ramen. Ik kijk afwezig, half dronken?, naar de door de druppels vertekende glas in lood voorstellingen die Rodericks vader bij het betrekken van het huis had laten aanbrengen. De lotgevallen van Reinaert de Vos. En opeens weet ik weer wat hij, de Grote Staatsman, had gezegd. Die vos is het eerste portret van een Realpolitiker in de Westeuropese literatuur. Veel eerder dan de prins van die Florentijnse politicoloog. Dertig jaar heeft die uitspraak in de krochten van mijn brein gesluimerd en op een regenachtig zaterdagmiddag in november is een halfbewuste blik op een raam voldoende geweest om hem in zijn exacte formulering tevoorschijn te roepen. Ik ben dus niet dronken. Of toch? Ik neem een slok ijswater, laat mijn tong mijn verhemelte aftasten en vaststellen dat er geen blaren zijn.

‘Precies’, zegt Charlotte.
‘Dan zijn we gauw klaar.’
‘Ik heb al jaren geen seksuele relatie meer met Roderick. Hij is impotent. Hij wijt het aan de pillen die hij voor zijn hart moet slikken, maar het was al veel eerder begonnen. Niemand weet het, dus laat het alsjeblieft nooit merken dat jij het weet. Dat zou een enorme vernedering voor hem zijn.’

Ben ik toch dronken? Hoor ik het goed? Moet ik het haar laten herhalen?
Roderick, de grote versierder, de wijvenslijper, de man met de onblusbare libido, krijgt ‘m niet meer overeind? Ik drink mijn glas leeg en kijk haar aan. Kop in de plooi houden. Sympathie tonen.

‘Daar valt toch wel wat tegen te doen? Daar zijn toch middelen tegen? God, wie slikt op zijn leeftijd geen viagra? Ik hoor van zoveel mannen die dat doen. Die zitten daar niet mee. Ze scheppen er zelfs graag over op.’
‘Dat wil hij niet. En ik weet trouwens niet of dat samen gaat met zijn medicijnen.’

Wat moet ik hierop zeggen? En: waarom vertelt ze me dat? Is het de wijn? Iets wat ik gezegd heb over Ulrike?
‘En nu wil je natuurlijk weten hoe ik daar mee omga?’
De intimiteit van het moment? Of …?

‘Natuurlijk wil ik dat graag weten. al was het maar omdat je me vanochtend verweet dat ik niet geinteresseerd was.’
‘Ik heb een vaste vriend, een collega en van tijd tot tijd heb ik als het zich zo voordoet ook wel eens een andere partner. Tevreden’?

‘Ik ben geschokt. Maar even zonder gekheid, weet hij daarvan?’
‘Natuurlijk. Het behoort tot de afspraken die we destijds gemaakt hebben. Over elkaar de ruimte geven of hoe dat toen ook genoemd werd.’
‘Ik heb nooit gedacht dat jullie aan die onzin meededen.’
‘Dat geloof je toch zelf niet. Misschien is het tijd dat je je geheugen even opfrist. Iedereen ging in die tijd met iedereen in de koffer. De tijdgeest, de pil en geen gevaarlijke, althans ongeneeslijke ziektes.Weet je nog wel? Alleen Eylard deed daar niet aan mee. Maar die was sowieso niet geinteresseerd in seks. Neuken kan iedereen, ik hoor het hem nog zeggen.’
‘Wij deden er ook niet aan mee. Judith en ik.’
‘Ach ja, de heilige Judith.’

Ze glimlacht meewarig en neemt een slok wijn.
‘Heb je ooit nog wat van haar gehoord?’
Ik zeg dat ik nooit meer iets van haar gehoord heb.

‘En nu we toch bezig zijn: hier komt de grote klapper. Ik heb nooit echt van Roderick gehouden. Het was nooit mijn plan geweest om met hem te trouwen. Om kinderen van hem te krijgen. Wat vind je? Mogen we dit schokkend noemen?’

De toon is even vlak en mechanisch als voorheen, maar haar blik is ironisch. Onmiskenbaar. Ze rekte zich uit, vouwt haar handen boven haar hoofd en legt ze in de nek. Haar borsten bollen in haar T-shirt. Ze kijkt me aan. Uitdagend.

De regen klettert onverminderd tegen de ruiten. Het is donker geworden en ik hoor de bomen in de wind kreunen. Geen wijn meer. Ik neem een slok van het water. Het is lauw.
‘Hallo, ben je daar nog?’
Ze grijnst me nu onverhuld cynisch toe.
‘Ja zeker. Ik moet dit even verwerken. Christus, Charlotte, waarom ben je dan bij hem gebleven en waarom heb je dan kinderen met hem gekregen. Je had toch bij hem weg kunnen gaan. Zeker na wat er toen gebeurd is. Dat had iedereen begrepen.’

Ze schuddt haar hoofd.
Elke zweem van ironie en spot is verdwenen.

‘Dat ging niet. Ik kon hem ook niet in de steek laten. Jullie hadden hem laten vallen. Ik was de enige die hij nog had.’
‘Dat is absoluut niet waar. En dat moet jij weten. Als we hem echt hadden laten vallen, was het heel anders afgelopen. Niets zakenman van het jaar, niets gerespecteerd lid van de Rotary en Kamer van Koophandel en wat je nog meer mag hebben, niets voorzitter van het comite dat een monument voor Fortuyn gaat uitzoeken. Je mag zelf bedenken wat er van hem geworden was. Niemand had hem kunnen redden, als wij onze mond hadden opengedaan. Zelfs zijn vader niet. Maar de vriendschap was over. Na wat er gebeurd was, konden we niet verder gaan alsof er niets aan de hand was. Dat was toen voor iedereen, ook voor hem duidelijk.’

Ben ik kwaad? Wat een eigenaardige gewaarwording. Ik kan me niet meer herinneren wanneer dat voor het laatst gebeurd is… In elk geval jaren geleden. Ik was vastbesloten me nooit meer te laten leiden door emoties. Het vertroebelt de blik, reduceert de opties, richt schade aan.

Ze kijkt me aan met een blik alsof ik zit te raaskallen.
Meer ijswater! Ik ga naar de keuken en vul het glas met ijsblokjes en laat er een paar in mijn mond liet glijden. In de kamer is Charlotte begonnen de borden en schalen op te stapelen.

Ik word weer de hulpvaardige huisvriend. Pak de glazen, de lege wijnflessen en breng ze naar de keuken. Bijna zes uur. En Roderick is nog steeds niet terug. Tijd dat hij thuis komt. Het is mooi geweest voor vandaag.

Wordt vervolgd.


Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 233 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (1951) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD, het Financieele Dagblad en diverse omroepen. Hij was correspondent in Johannesburg, Berlijn, Tokio en Rome. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.