De Geheimschrijver, Deel 18

Deel 18 Herinneringen aan Ellie

Charlotte zit aan de tafel in de eetkamer de krant te lezen. Van tijd tot tijd neemt ze een hap van een knackertje en een slok uit een grote witte mok waarop een paar grote knalrode gewelfde lippen staan afgebeeld. Ze draagt een even rode elastische haarband. Ze kijkt op van de krant. Geen leesbril. Ondanks haar leeftijd.

Ik sta in de kamer bij een vreemde vrouw.
‘Goedemorgen, Nico. Goed geslapen?’
‘Als een roos.’
Ik heb vrijwel de hele nacht wakker gelegen, Niet door de jetlag, dit keer, maar door Ellie. Maar dat hoeft Charlotte niet te weten.

‘Grace heeft vandaag vrij, dus we moeten zelf voor het ontbijt zorgen. Koffie, muesli, croissantje, sapje?’
Ze staat op zonder mijn antwoord af te wachten. Ze draagt een lichtblauw jogging pak en witte sportschoenen.
‘Graag’.

Ze verdwijnt in de keuken en komt een paar minuten later terug met een vol dienblad.
‘Dat ben ik je helemaal vergeten te vragen: had je misschien eieren gewild? Ik eet ze niet en Roderick mag ze niet, dus ik denk altijd dat niemand ze eet, terwijl ik weet dat we ze in huis hebben voor de kinderen en eventuele gasten.’
‘Nee, dank je. Ik heb de afgelopen dagen genoeg eieren gegeten. Het is tijd voor een gezond ontbijt.’

Ik neem een hap muesli.
‘Is Roderick nog niet op?’
‘Jawel, al uren. Hij moest plotseling naar kantoor. Spoedvergadering. Iets met Brussel. Het kon nog wel even duren, zei hij. Hij zou nog bellen. Ik moest intussen goed voor je zorgen.’
‘Hoe roerend.’

Ze glimlacht even.
‘Hij is op zijn manier erg op je gesteld.’
Tja. Ik besluit niets te zeggen. Ze kijkt me aan alsof ze weet wat ik had moeten zeggen maar uit kiesheid, lafheid, onverschilligheid – doorhalen wat niet is gewenst – niet zeg.

‘Ik herhaal alleen wat hij vanochtend tegen me heeft gezegd. Het was alsof jullie elkaar een paar weken in plaats van 30 jaar niet hadden gezien. Daar moet je mij niet op aankijken. Dat waren zijn woorden. De aanleiding is triest, zei hij, maar hij is blij dat je er weer bent. Hij is sentimenteel, natuurlijk, dat weet ik. Maar ik weet ook dat hij het oprecht meent.’

Ik neem een slok koffie. Het is alsof er in mijn mond brand uitbreekt. Ik proest de koffie uit, mijn lippen worden verschroeid, druppels druipen gloeiend over mijn kin. Godverdomme. Tranen springen in mijn ogen. God, god, godverdomme.

Charlotte springt op en klopt me bezwerend op de rug. Alsof dat helpt.
‘IJswater’, roep ik, probeer ik te roepen. ‘IJswater. Snel.’
In het water drijven blokjes en ik laat er een paar op mijn tong smelten. Mijn mond hangt open, instinctief, als om de brand te laten uitwalmen. Christus nog aan toe.

‘Niets aan de hand, Ik zal niet aan jouw ontbijttafel het loodje leggen. Jezus, wat is die koffie heet.’
‘Gaat ie weer een beetje?’
Ik laat het water door mijn mond spoelen. Mijn verhemelte brandt erger dan mijn tong. Dat worden blaren.
‘Hoe in hemelsnaam hou jij die boel binnen?’
‘Loden verhemelte en slokdarm en ik drink altijd café latte. Ik had je moeten waarschuwen. Ik zou als ik jou was de rest van de dag alleen maar koude dingen eten en water drinken.’

Ik knik en probeer na te denken over wat ze gezegd heeft. Over Roderick, vriendschap, mij. Ik weet dat ik prikkelbaar ben. Niet door de koffie, al zal zij dat waarschijnlijk denken, maar omdat Ellie weer is opgedoken. Jarenlang heeft ze me met rust gelaten. Was weg, leek voorgoed verdwenen. En nu is ze terug. Sinds gistermiddag. In technicolour.

Ik heb geen zin in sentimentele frases over vriendschap, nieuw begin etc. Alsof er toen niets is gebeurd. Dertig jaar geleden zijn we bevriend geweest. Liep fout. Gruwelijk fout. Maar verbroken vriendschappen zijn niet te herstellen. Ook, zeker na al die jaren niet. Verraad kan niet ongedaan gemaakt worden. Er is geen tweede kans. Het is over en sluiten. Schluss, Basta. Finito. Het ijsblokje in mijn mond is broos en dun geworden alsof ik deze inzichten er uit alle macht met het smeltwater uit heb gezogen. Hoofd koel houden. Inderdaad.
Had ik dit niet bedacht als ik dat meisje gisteren niet gezien had?

Was het dan dikke mik, ouwe-jongens-krentenbrood geweest. Zo’n reünie waar je wel eens over leest of collega’s over hoort. ‘Weet je nog wel. Wat hebben we toen gelachen. Jongen, wat worden we oud.’ Het opgeklopte sentiment van mensen die elkaar niets meer te vertellen hebben, maar dit niet willen erkennen. Die afgunst, jaloezie, rancunes voor een avond, een weekend, verzuipen in een plas drank omdat ze elkaar en zichzelf wijs maken nog altijd vrienden te zijn? En heb ik tot nu toe ook zo’n komedie opgevoerd? Door verkeerd begrepen toeschietelijkheid de suggestie gewekt dat alles koek en ei is?

Het was onvermijdelijk dat het verleden vroeger of later zou worden opgerakeld. Dat heb ik zelf met mijn verblijf hier in de hand gewerkt. Ik had Roderick , Eylard, Ellie verbannen naar een verleden dat ik voor eens en altijd achter me had gelaten. Of liever, om recht te doen aan de reden van mijn komst hier, ze waren de lijken in mijn kelder. En die kelder had ik vergrendeld, afgeschut, toegedekt. Dacht ik. Dat was onmogelijk geweest. Natuurlijk. Nu helemaal. Ik had nooit op het aanbod om hier te logeren in moeten gaan. Wat heeft me in hemelsnaam bezield. Het is beter te vertrekken. En niet naar de begrafenis te gaan. Ik heb daar niets te zoeken. Daar wordt een man begraven die ik niet ken. Iemand die 30 jaar geleden mijn pad heeft gekruist. Een voorbijganger. Nog net niet naamloos.

‘Jullie waren de enige vrienden die hij ooit heeft gehad.’
Charlotte heeft de haarband afgedaan en laat deze een paar seconden rond haar wijsvinger draaien. Ze gaat met haar beide handen door het haar en legt haar hoofd even in haar nek. Ze spant haar lichaam, ontspant en kijkt me aan.

In mijn mond zeurt een lichte pijn. Ik ben sprakeloos.
‘Je hoeft niets te zeggen. Ik wilde het je alleen even vertellen.’
Wat is dit? Heeft ze mijn gedachten geraden? Nee, gelezen? Iets dat alleen mijn moeder kon toen ik drie was. Dat zelfs Judith nooit heeft gekund? Maar ik weet dat ik het niet zou kunnen uitleggen als ik nu zou gaan. Wat moet ik zeggen?

‘Sorry, beste Charlotte. Was dom van me om te komen. Had ik niet moeten doen. Het spijt me van de overlast, maar het was toch geen goed idee. Dat vind je zelf toch ook? Wil je Roderick de groeten doen en een taxi voor me bellen’?

Dat gaat niet. Kan ik niet. Het is de verkeerde beslissing. Ik weet het. Net als het toen de verkeerde beslissing was. Ik heb geen zin om haar voor het hoofd te stoten en weg te lopen, terwijl Roderick er niet is. Het is beter deze paar dagen uit te zingen, naar de begrafenis te gaan en dan afscheid te nemen. Definitief. Niet meer ingaan op de onvermijdelijke uitnodiging om bij het eerst volgende bezoek aan Nederland langs te komen. Geen e-mails beantwoorden. Mijn secretaresse instrueren Roderick niet door te verbinden, maar beschaafd af te poeieren. De begrafenis is het passende einde, het voor de hand liggende slot. Het is zonder twijfel een laffe, verwerpelijke oplossing, maar ik heb een eeuwigheid geleden al geleerd dat oprechte directheid doorgaans meer en veel grotere schade aanricht.

‘Sorry Nico, ik wil je natuurlijk niet in verlegenheid brengen. Maar het is zo bizar. Een oude vriend gaat dood, een andere oude vriend duikt weer op. Er is 30 jaar radiostilte geweest. Geen enkel levensteken, niet van jou en niet van Eylard. En nu gaan we maandag met zijn drieën naar zijn begrafenis. En al die tijd dat je hier bent hebben we eigenlijk nergens over gesproken. Niet over Eylard, niet over jou, niet over ons. Ik vind dat verwarrend en vreemd. Doet het jou dan helemaal niets? Laat het je allemaal koud? Ben je dan helemaal niet benieuwd hoe het in die 30 jaar met ons is gegaan? Zo heb ik je nooit gekend, Nico. Je was zo’n aardige, leuke jongen.’

Opnieuw, wat moet ik zeggen?
Ik kan je niet ter wille zijn. Sorry, Charlotte. Het is allemaal te lang geleden. We, jij, Roderick, ik, hebben elkaar 30 jaar niet gezien. Wat toen was, is niet meer. Dat kan ook niet. Ik ben allang niet meer die aardige leuke jongen van toen, gesteld dat ik dat ooit geweest ben. Dat is normaal. Dat moeten we accepteren. Ik ben geen liefhebber van bekentenissen, nepnostalgie en elkaar huilend in de armen vallen. Dat vind ik te makkelijk en te goedkoop. Maar ik geef toe, het is mijn fout. Ik had niet moeten komen. Dat heeft kennelijk valse verwachtingen gewekt.

En ook dit zeg ik niet.

Ik zeg: ‘Het loopt zoals het loopt. En dat is de schuld van niemand. Neem het me dus alsjeblieft niet kwalijk. En mag ik nu nog wat ijs? Ik kan het natuurlijk zelf wel pakken. In het vriesvak?’

Als ik terug kom, zie ik dat ze de haarband weer in heeft gedaan. Ze staat op.
‘Het is droog buiten. Ik ga even lopen. In de koelkast staat drinkyoghurt. Goed tegen de pijn in de mond.’
De toon verraadt niets, niet of ze teleurgesteld, niet of ze gekwetst is.

Ik hoor hoe ze de buitendeur achter zich dicht trekt en hoe haar voetstappen over het grint knarsen. Ik probeer de krant te lezen, maar er staat niets in dat me interesseert. Ik vouw hem op, onberispelijk, zoals ik het thuis geleerd heb.

Ik denk na over wat ik niet tegen Charlotte heb gezegd en stel opnieuw vast dat dit het verstandigste was. Ik doe niet in emoties. Ik hou me staande. Dat is alles. Veins als het moet charme, betrokkenheid, genegenheid. Maar het is deel van een strategie. Het zijn trucjes, kunstgrepen. Ooit, jaren geleden, toen ik nog de illusie had dat het wat uitmaakte, heb ik er een etiket opgeplakt. Cynische berusting. Ik weet nu niet meer of het iets anders is dan hoogdravende onzin, semantische krullendraaierij. En het kan me niets schelen. Ik ben nu vooral dankbaar dat er ijswater is.

Wordt vervolgd.

Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 194 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (64) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD. Voor deze laatste organisatie was hij correspondent in Johannesburg, Berlijn en Tokio. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.