De Geheimschrijver, Deel 15


Deel 15: Het Feest

Roderick en Eylard hadden besloten dat Nico’s toetreding tot het ‘musketierschap’ (Roderick) gevierd moest worden met een feest. Eylard en hij bleken over een ‘feestkas’ te beschikken, waarin elke bewoner elke maand 25 gulden stortte. Ze hadden al bijna een jaar geen feest gegeven, hoewel volgens Roderick het vertrek van Nico’s voorganger aanleiding had moeten zijn tot een partij die de stad tot op haar grondvesten had doen schudden.

‘Ik heb zelden zo’n eikel gezien. Wat was er in ons gevaren dat we ooit voor hem de deur hebben geopend en tot ons leger hebben toegelaten, Eylard? Waarom, oh, waarom?’
‘Je was geil op zijn zuster,’ zei Eylard. ‘Of ben je dat vergeten?’
‘Verdomd, dat is waar. Dat was inderdaad een lekkere stoot. Helaas wilde ze zich niet veil bieden aan, ik citeer, ‘een verwende aap, die denkt dat hij alles kan maken, omdat zijn vader minister is’. Dat was een grove miskenning, niet van mijn intenties, maar wel van mijn karakter. En dat heeft ook mijn vertrouwen in haar broer een onherstelbare knauw gegeven. Zo zuster, zo broer. Ongetwijfeld ten onrechte, maar het is niet anders. Wat ik maar wilde zeggen, Nicolai, is dat je je nooit door oneigenlijke factoren, in dit geval een lekkere, geile meid, moet laten leiden bij het nemen van een beslissing van meer dan vitaal belang, in casu de keuze van een medebewoner.’

Ze stelden een gastenlijst op, waarbij Nico’s inbreng beperkt bleef tot twee namen: Henk en Richard, de schoolgenoot van wie hij tijdelijk de kamer had kunnen huren. Over de laatste had hij nog getwijfeld, omdat hij hem eigenlijk niet kende. Maar alleen Henk uitnodigen, had hij te weinig gevonden, gevoeld als een zwaktebod, ofschoon het natuurlijk normaal was dat hij nog nauwelijks mensen kende en het feest ook werd gehouden om hem ‘te introduceren.’

‘We moeten in elk geval zorgen voor voldoende vrouwen’, zei Roderick. ‘Een feest met te weinig vrouwen is geen feest Ik stel voor dat we de dames van Charlotte’s jaarclub uitnodigen. Eylard is daar erg op tegen, en ik kan daar in meegaan, want het zijn waarschijnlijk de truttigste teven van het westelijk halfrond, maar we hebben ze nodig. Bovendien zijn sommige na een paar sherry’s ongetwijfeld bereid tot vleselijke gemeenschap. Of hebben jullie andere suggesties?’

Eylard zei dat hij voldoende verpleegsters kende, die graag zouden willen komen. Dat zou een sfeerbepalend overwicht van de studentes voorkomen. Nico kende vaag drie of vier medestudentes met wie hij in de pauze bij de koffieautomaat wel eens een paar woorden wisselde, maar om die uit te nodigen voor een feest… Hij wilde het niet toegeven, maar daar was hij te verlegen voor.

Na enig geharrewar, waarbij Eylard zijn veto uitsprak tegen ‘te erge corpspikken’ die Roderick ‘uitsluitend ter stoffering’ had willen uitnodigen, was de gastenlijst rond. Er zouden minstens 50 man komen, maar vermoedelijk meer, omdat de feesten van Roderick en Eylard een grote reputatie hadden.

‘Ze komen van heinde en ver om door ons gespijsd en gelaafd te worden. Daarbij is het regel dat leuke meiden wel en vervelende heerschappen niet worden toegelaten. Vraag me niet hoe dat steeds lukt, maar we hebben nooit problemen gehad, ’zei Roderick.

De voorbereidingen werden verder geroutineerd afgehandeld. De drank, bier, wijn, sherry en een klein assortiment aan frisdranken, zou worden besteld bij de drankboer die ook Rodericks vader bevoorraadde en een forse korting gaf. Snacks, chips, kaasblokjes, pinda’s etc konden eveneens tegen een aanzienlijke korting rechtstreeks van een groothandel worden betrokken. Ze zouden zoals gebruikelijk geen versiering aanbrengen.

‘Het is per slot van rekening geen kinderpartijtje,’ aldus Roderick.
Gedempt licht zou afdoende zijn. Eylard en Nico zouden de muziek regelen. En zaterdag over twee weken werd geprikt als de dag waarop het ‘Grote Nico-Initiatie-feest’ zou plaatsvinden.

Tegen half negen was er nog niemand en Nico begon zich al zorgen te maken. Zou het grote feest dat speciaal ter ere van hem werd aangericht op een mislukking uitlopen?
En zou dat een voorbode zijn van alle mogelijke onheil dat hem nog te wachten stond? Hij had zich de afgelopen weken geregeld afgevraagd of hij er wel goed aan had gedaan bij Roderick en Eylard in te trekken. Hij kon moeilijker zijn draai vinden dan hij had gedacht. Hij kon niet goed onder woorden brengen waarom dat zo was. Aan Roderick en Eylard lag het niet. Ze waren anders dan hij; het verschil in milieu kon niet over het hoofd worden gezien, dat was waar. Maar hun gedrag was niet anders dan voorheen. Eylard was aardig, altijd bereid om hem te helpen. En Roderick was Roderick. Voor hem nog altijd ondoorgrondelijk, maar hij had het gevoel dat hij aan hem, zijn humor en zijn taalgebruik begon te wennen. De neiging om hem te persifleren, die hij in het begin soms met moeite had onderdrukt, was verdwenen. Hij kreeg het idee dat Roderick zichzelf ook niet erg serieus nam, precies zoals Eylard in het restaurant tegen hem had gezegd.

Zijn kamer was prima, dus dat kon het ook niet zijn. Ruim, met uitzicht op de gracht, en een douche en toilet die hij alleen met Eylard hoefde te delen; het was de droom van elke student. En dat ook nog tegen een huur, die alleen maar een fooi kon worden genoemd. Iedereen moest wel jaloers op hem zijn. Hij wist dat hij een geluksvogel was.

Maar het onbestemde onbehagen bleef. Hij lag ‘s nachts soms uren wakker, piekerend en tobbend tot hij doodmoe in slaap viel. Als kind had hij dat ook gehad. Hij kon ‘s nachts zonder duidelijke reden of oorzaak in paniek raken. Het waren niet de normale kinderangsten geweest. Hij was niet bang voor schaduwen op de muur of geluiden die hij niet kon thuisbrengen. Het waren angsten die uit hem zelf leken voort te komen, opborrelden uit een peilloos diepe put, waarvan hij het bestaan nooit had bevroed. Soms leek het of een zwarte kap over zijn hoofd werd getrokken en was hij bang te stikken. Het zweet had over zijn lijf gegutst. Een keer, hij moet zes of zeven zijn geweest, had hij in bed geplast. De volgende ochtend had zijn moeder het ontdekt, hem bestraffend toegesproken en verordonneerd dat hij na vijf uur niets meer mocht drinken. Hij had willen uitleggen, waarom het was gebeurd, dat het niets met te veel melk of water te maken had, maar had de woorden niet kunnen vinden. En tegelijk had zich het gevoel opgedrongen dat zijn moeder toch niet naar hem zou hebben geluisterd, ook al had hij de oorzaak wel weten te benoemen. Later had hij wel eens gedacht dat hij op dat moment besloten had zijn ouders nooit meer in vertrouwen te nemen, maar dat leek hem bij nader inzien onwaarschijnlijk. Zo’n helder afgebakend moment kon vermoedelijk nooit vastgesteld worden.

De paniekaanvallen waren net zo onverwacht verdwenen als ze verschenen waren. Ze waren nog een paar keer teruggekomen, de laatste keer toen hij 15 was, maar schenen elke keer in heftigheid af te nemen. Hij lag wel uren wakker, maar was niet meer radeloos van angst. Het was nog altijd beklemmend, hij lag meestal roerloos op zijn rug, durfde zich niet om te draaien, zweette, maar was niet langer bang te stikken. Zijn schoolresultaten waren in die tijd sterk achteruit gegaan en hij was zelfs bang geweest te blijven zitten. Zijn vader had hem onder handen genomen, zoals altijd als hij boos of, nog erger, ‘teleurgesteld’ was. Zonder stemverheffing maar met een vileine sarcastische ondertoon. Hij had gedreigd hem van de voetbalclub te halen en verboden meer dan een keer per week te trainen. Toen de angsten waren verdwenen, behoorde hij een kwartaal later weer tot de besten van de klas. Hij had ook weer vaker mogen trainen.
‘Pubers’, had hij zijn vader een keer tegen zijn moeder horen zeggen, ‘moeten met strakke hand geleid worden. Anders raken ze hopeloos op drift.’

Roderick schoof een paar matrassen tegen de muur. Hij zong op de wijs van een bekende koffiereclame een variatie op de tekst.
‘Het aroma komt je tegemoet als je de pleedeur open doet, dat is van Eylard.’

‘Maar goed dat hij voor de gasten binnenstromen het ingewand heeft geleegd. Jezus, wat een stank. Hij is geneesheer in wording, dus je zou mogen verwachten dat hij ten eerste weet, dat er in zijn darmgestel iets onwelriekends wordt gekweekt en ten tweede dat hij daar iets tegen kan en gaat doen. Maar nee, volgens hem is er niets aan de hand. Het normale spijsverteringsproces. Soms denk ik dat stankoverlast een legitieme reden is om de vriendschap dan wel de huur op te zeggen.’

‘Hij heeft een overgevoelige neus,’ verklaarde Eylard. ‘En is zo bang voor luchtjes dat hij zelf aan verstopping lijdt. En als hij een week niet gekakt heeft en zich zorgen gaat maken over strontophoping en betonvorming, komt ie zeuren om een zetpil.’

‘Niets is zo fijn als te mogen schijten, als je dagen vast hebt gezeten,’ gaf Roderick toe. ‘Wat een genot. De opluchting, de bevrijding als je hem dankzij zo’n wonderpil zonder aarsverscheurende persweeën in de pot voelt glijden en daarna voor het doortrekken als een kloeke berg in een bruinige saus op het plateau ziet liggen. In de lustbeleving komt dat zelfs voor klaarkomen. Ik ben ongetwijfeld anaal gefixeerd, zoals de aankomende doctorandus in de geneeskunst hier pleegt op te merken, maar voor mij is het een van de schone zaken des levens. Zeg eens, Nicolai, hoe is het met jouw stoelgang gesteld?’

Nico moest toegeven dat hij daar nog nooit over had nagedacht. Dat was ook niet nodig, want hij had op dat gebied geen problemen.
‘Dat klinkt beter dan het is,’ meende Roderick. ‘Als alles soepel verloopt, mis je de bevrediging die je na dagen van ongerief ten deel valt. Geen vreugd zonder smart, zeg ik altijd.’

‘Hij is een enorme ouwehoer. Maar daar zul je wel aan wennen, Nico. Ik ben er ook immuun voor geworden.’
‘Telkens als ik iemand deelachtig wil maken in de mysteriën van het bestaan, roept hij dat het geouwehoer is. Ik ben en word tragisch miskend.’

Er werd gebeld.
‘Here, zij genadig, en verlos mij uit mijn schrijnend isolement.’
De eerste gasten kwamen binnen. Twee meisjes in schotse rokjes. De kleinste had half lang blond haar en stapte rechtstreeks op Roderick af en kuste hem op de wang. De ander was bijna een hoofd groter,- ze was minstens zo lang als Nico -, en had kort geknipt donker haar. Ze had ook sproeten, die Nico besloot charmant te vinden. Ze gaf hem een hand en stelde zich voor als ‘Esther’.
‘Nico Duivendrecht’.

Hij wist niet wat hij verder moest zeggen. Hij zocht vergeefs naar de woorden voor zelfs maar de eenvoudigste vraag of opmerking, maar ze bleven hardnekkig buiten bereik. Esther keek hem even vragend aan met grote bruine ogen en draaide zich om naar Eylard, die vroeg of ze iets wilde drinken.

Nico wilde zich voor zijn hoofd slaan. Wat een rare indruk moest hij wel niet maken. De provinciaal die zich niet weet te gedragen. De boerenpummel die niet uit zijn woorden kan komen. Hij kon wel door de grond zakken.
Iemand tikte hem op de schouder.
‘Nicolai, droomt gij nog? Mag ik je even voorstellen aan de toekomstige mevrouw van Haeften? Charlotte, dit is Nico, die sinds deze maand onze gelederen versterkt.’

Charlotte gaf hem een slap handje en nam hem met een paar opmerkelijk blauwe ogen koel op. Ze had lang, loshangend blond haar en een ontevreden, verwende trek om haar mond.
‘Hallo’, zei ze en wendde zich direct weer tot Roderick om een ‘campari’ te bestellen. Ze verdwenen naar de geïmproviseerde bar achterin de kamer.

Dit wordt niks, dacht Nico. Ik ken hier niemand, ben een vreemde op mijn eigen feest. Hoe kom ik in hemelsnaam de avond door. Ik kan niet eens weggaan, want ik woon hier. Waar blijft Henk?

Er waren intussen meer gasten gearriveerd en niemand nam nog de moeite om zich aan hem voor te stellen. Hij liep naar de bar en haalde een blikje bier uit een met brokken ijs gevulde teil. Hij dronk het in een paar teugen leeg en viste een nieuw blikje uit het water.

Daar knapte hij van op. Hij ging naar de platenspeler en controleerde de platen die Eylard en hij hadden uitgezocht. Ze hadden afgesproken dat alleen zij de muziekinstallatie zouden bedienen. Het zou anders een zooitje worden. Met onherroepelijk kaarsvet en krassen op de platen en onverlaten die de gastvrijheid misbruikten om ze te jatten.

Nico zette het blikje aan zijn lippen en nam een paar slokken. Alweer leeg.
Hij begon zich te ontspannen. Hij liep weer naar de teil en keerde terug met twee blikjes, waarvan hij de eerste snel leegdronk. Hij liet een langgerekte boer, grinnikte en veegde met de rug van zijn hand over zijn vochtige lippen. Tijd voor een paar goeie dansnummers. Hij rommelde wat in de stapels en haalde een plaat van de Rolling Stones te voorschijn. Sticky Fingers. Hij zette de plaat op en draaide de volume knop open. Brown Sugar. Wat dacht je wat. Hij trok het blikje bier open en toastte op Mick Jagger. How Come You Dance So Good? Hij nam een paar slokken en maakte een paar danspasjes.
Waauw!

Wordt vervolgd.


Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 233 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (1951) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD, het Financieele Dagblad en diverse omroepen. Hij was correspondent in Johannesburg, Berlijn, Tokio en Rome. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.