De Geheimschrijver, deel 12

Roderick en Nico dineren in een chique restaurant. Roderick vertelt dat hij wel mee zou willen werken aan een standbeeld voor Pim Fortuyn.

Hij zucht demonstratief en begint te grijnzen.
‘.Ach mijnheer, zo worden we besprongen door de grote vraagstukken des levens. Het is misschien geen gek idee om de oprichtingsvergadering bij mij thuis te beleggen. Dat zal Charlotte leuk vinden.’
Hij is nu in opperbeste stemming en vermaakt me met anekdotes over ‘goeroe Pim en de Pimmisten’.

Deel 12: Roderick oreert

Na thuiskeer maken we nog een wandeling. Het regent licht en het is koud, maar ik knap er van op. De drank en de jetlag hadden me suf en slaperig gemaakt. Roderick babbelt honderd uit van onder een knalgele zuidwester die hij eerst mij had aangeboden.

‘Goed idee, de digestieve avondwandeling. Dat ga ik ook weer invoeren. Elke avond een half uurtje. Goed voor de spijsvertering. Niet dat ik daarover mag klagen. Van de functies in de cruciale zone doet die het nog het best. Ik denk inderdaad dat ik een hond neem. Charlotte is er wel op tegen. Die wil zo’n stinkerd, quote unquote, niet over de vloer, maar dan heb ik tijdens de wandeling ten minste iemand om mee te praten.’

Op de terugweg zien we dat een van de agenten die tegen een boom staat te pissen. Hij ritst betrapt zijn gulp dicht en verontschuldigt zich. In het schijnsel van de lantaarn zie ik dat hij in beide oren een ringetje draagt.

‘Geen zorgen, beste man. Een man moet zijn blaas kunnen legen. Ophouden is slecht voor de prostaat. Ik weet dat de corpsleiding grossiert in bizarre voorschriften, maar tot berstens toe de plas ophouden, hoort daar hoop ik niet toe. De afscheidingsprocessen houden zich per slot van rekening niet aan het dienstrooster. Dat begrijpt waarschijnlijk zelfs de grootste dienstklopper. Koffie en croissants morgen?’

De politieman is niet ouder dan 25 en heeft een babyface. Onder een opvallende wipneus probeert een dun snorretje door te breken. Het maakt hem nog jonger dan hij is. Een bedremmelde puber in uniform.
‘Graag meneer. Ik had u niet herkend met die muts.’
’Zuidwester’, corrigeert Roderick. ‘De traditionele hoofdbedekking van de schipper naast god.’
De politieman kijkt hem even schaapachtig aan en stapt snel met een korte groet de auto in waar zijn oudere collega hem verwelkomt met een langgerekte gaap.

‘Mag dat tegenwoordig, die oorringen?’
‘Dat is nog de Einstein van zijn lichting, vrees ik. Het is geen onaardige jongen. Ik ken de opperbromsnor hier goed, dat wil zeggen, ik drink wel eens een glaasje met hem. Zijn dochter en Merel gingen naar de zelfde manege en terwijl de prille amazones door de duinen en over het strand galoppeerden, dronken wij een kopje koffie en bespraken de toestand in de wereld.’

Hij blijft staan, staart even zwijgend voor zich uit en schudt kort het hoofd.
‘Zooss were ze days. Maar waar hadden we het over? De plisie. De commissaris vertelde me dat het praktisch onmogelijk is iemand te krijgen met een i.q. van boven de 80 en die ook nog bereid is zich voor een fooi door het Randstedelijke publiek te laten schofferen. Ze kunnen dus niet te kieskeurig zijn. Oorringen mogen, maar piercings en zichtbare tatoeages niet geloof ik. Althans niet in diensttijd. Het is, en ik citeer de commissaris, een symptoom van de verloedering die in dit land om zich heen grijpt. De brave burger wordt belaagd door een getatoeëerde en gepiercete onderklasse die onstuitbaar oprukt en het sociale klimaat in dit land begint te beheersen. De nieuwe helden zijn proleten die gefêteerd worden omdat ze ongestraft 25 jaar steunfraude hebben weten te plegen.’

Hij grinnikt.
‘Waar oh waar zijn de normen en waarden gebleven? Dat wordt als ik hem geloven moet, en waarom zou ik niet, het belangrijkste thema in dit land.’
Als we het grintpad inlopen zien we de auto van Charlotte staan.
‘Zo, madam is ook thuis. Misschien is ze al naar bed,’ sprak hij hoopvol ‘en kunnen wij nog in alle rust een slaapmutsje nemen.’

Charlotte is nog niet naar bed. Ze staat iets te lezen, een fax, zie ik als ik haar begroet. Ze geeft de fax aan Roderick.
‘Goede avond, heren. En, goed gegeten vanavond? Hoe was het, Nico? Heeft hij je erg lastig gevallen met verhalen over onze buren? Dat is namelijk een obsessie van hem. Op alles wat ze doen heeft hij commentaar. Hoe ze hun huis inrichten, hoe ze zich kleden, hoe ze hun geld verdienen, op hun tafelmanieren, hun veel te jonge vrouwen. Je kunt het niet zo gek verzinnen, of hij moet er wat van zeggen. Hij is de snobistische antisnob, maar dat wist je ongetwijfeld nog.’
‘Je overdrijft. Wie van ons wil niet met ze omgaan? Jij, als ik me niet vergis.’
‘Dat klopt. Ik heb niets met die mensen, zoals je weet. Ze kunnen me alleen niets schelen en ik zoek ze dus niet op. Maar jij gaat naar elk partijtje dat ze geven. Je gaat zaterdag zeker ook.’
‘Misschien. Ik weet het nog niet. Ligt er ook aan wat Nico van plan is. Maar ik ga niet voor mijn lol. Het is antropologisch veldwerk. Een onderzoek naar de zeden en gewoonten van dit exotische volkje. En het is goed voor de firma. Per slot van rekening zitten er goede klanten tussen.’
‘Ach, Roderick,’ zegt Charlotte vermoeid.
Ze gaat zitten en schopt haar schoenen uit.
‘Het is inderdaad een bont gezelschap,’ zeg ik.
‘Tenminste, voorzover ik het in het restaurant heb gezien. Maar het kan veel erger. Heb je hun soortgenoten in Rusland en het Verre Oosten wel eens gezien? Die slaan echt alles. Zijn erger dan de ergste Amerikanen.’
‘Je bent een echte diplomaat, Nico,’ zegt ze. ‘Geen vooroordelen en met een scherp oog voor nuances.’

Roderick grinnikt, geeft me de fax en gaat naar het dressoir.
‘Een klein dropje mag nog wel. Charlot, wat wil jij? Nico, nog een calva?’
‘Nee dank je’, zegt Charlotte. ‘Ik moet morgen vroeg weer op. En ik zou het als ik jou was ook niet te laat maken, Roderick. Heb je vanavond je pillen geslikt?’
‘Jazeker, mammie. Nico is mijn getuige.’
Ik knik.
‘Zie je wel. Ik ben een brave jongen geweest,’ zegt hij onderdanig en grijnst.
Hij heft zijn glas.
‘Op jou schat, omdat je altijd het beste met me voor hebt.’

De fax geeft bijzonderheden over de begrafenis van Eylard. Maandagmiddag drie uur in een dorp onder de rook van Groningen. Vooraf gegaan door een ‘sobere’ bijeenkomst in een zaal van het uitvaartcentrum. Vandaar met een volgauto of eigen vervoer naar de begraafplaats. Na afloop geen receptie. In plaats van bloemen kunnen de belangstellenden een bijdrage leveren aan een fonds voor de herinrichting van het opvangcentrum dat Eylard had geleid.

Maandag drie uur. Dan kan ik woensdag terugvliegen. Niet vergeten dat morgen te regelen. Ik kijk op de klok. Tien over twaalf. Tien over acht in Seoul. Het weldadige effect van de wandeling is allang weer verdwenen. Ik ben uitgeput. Een te vermoeiende dag met teveel indrukken voor een door jetlag haperend brein.

Charlotte gaapt, staat op en raapt haar schoenen op. Door haar kousen heen zie ik dat haar nagels knalrood geverfd zijn.
‘Ik ga naar bed. En ik denk dat jullie dat beter ook kunnen doen. Wel te rusten.’
‘Je hebt gelijk, schat,’ zegt Roderick. ‘Op een oor oftewel in Morpheus zijn armen.’
Hij leegt zijn glas en laat een boer.
‘Roderick!.
‘Sorry. Na twaalven zet bij mij onwederstaanbaar het decorumverlies in.’
Hij laat een knetterende scheet.
‘Dit ter onderstreping van het voorafgaande.’
‘Je bent een varken,’ zegt ze en verlaat de kamer.
Hij geeft me een knipoog: ‘Dat wordt weer de logeerkamer vannacht.’

Wordt vervolgd.

 

 

Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 207 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (64) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD. Voor deze laatste organisatie was hij correspondent in Johannesburg, Berlijn en Tokio. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.