De Geheimschrijver, Deel 10

Nico gaat verhuizen. In de oude eend van Eylard gaat hij op weg naar het ouderlijk huis. Vlak voordat hij aanbelt, komt hij mevrouw Van der Linden tegen.

Het is een oude tang. Ze pakte de bal af als die bij het voetballen per ongeluk in haar tuin kwam. Een vriendje heeft me een keer verteld dat ze zich moet scheren.’
Nico opende het tuinhek en liet Eylard voorgaan. Hun tuin was zo mogelijk nog netter dan de andere, zag hij tot zijn afgrijzen.
‘Hier is het, ’ zei hij verontschuldigend en belde aan.

Deel 10 De Verhuizing

Zijn vader deed open. Hij had de krant nog in zijn hand en zijn leesbril nog op zijn neus. Alsof ze hem hadden verrast. Hij had zijn schoolcolbert nog aan, zag Nico, hoewel het zaterdagmiddag was en hij vrij had. Zo had hij hem als kind getekend. Een lange magere man in een jasje van bruin ribfluweel met aanwijsstok in de hand voor het schoolbord. Alleen het partijspeldje, een rode roos in een vuist, op zijn revers had hij nooit goed kunnen tekenen. Dat was hem op de een of andere manier nooit gelukt.

Wat is hij oud, dacht Nico. Hij had zijn ouders altijd oud gevonden. Ze waren vermoedelijk niet eens zoveel ouder dan de ouders van zijn vriendjes, maar sommigen hadden niettemin gedacht dat ze zijn grootouders waren. Dat had hij zichzelf ook een tijd lang wijsgemaakt. Zijn ouders waren omgekomen bij een trein- of vliegtuigramp, dat laatste sprak hem veel meer aan, echt tragisch, en hij en zijn zuster werden nu opgevoed door grootouders die ze ‘vader en moeder’ moesten noemen. Hij had dit een keer zijn zuster verteld die hem hard had uitgelachen.

‘Kom binnen, jongens, kom binnen.’
Zijn vader ging hen voor naar de woonkamer. Hij vouwde de krant zorgvuldig op, legde hem in de lectuurbak en zette zijn bril af. Hij schudde hen de hand en maakte een paar opmerkingen over het weer en het verkeer. Daarna mochten ze gaan zitten. Zijn vrouw zou zo komen, zei zijn vader. Ze was naar de markt. Ze moesten even op koffie wachten tot ze terug was.

Zijn vader richtte het woord tot Eylard alsof hij een van zijn leerlingen was. Nico had hem daarvoor gewaarschuwd. Zijn vader was ruim 30 jaar onderwijzer. Er waren mensen die zich als ze zijn vader voor de eerste keer ontmoetten, ergerden aan zijn afgemeten schoolmeesterstoon. Maar Eylard bleef onverstoorbaar en beantwoordde of pareerde vriendelijk de vragen die op hem werden afgevuurd. Nico probeerde een paar keer het gesprek in een andere richting te sturen, maar werd door zijn vader genegeerd. Hij voelde zijn ergernis groeien. Waarom moest hij iedereen altijd aan een kruisverhoor onderwerpen? Waarom kon het er nooit eens ontspannen aan toegaan? Het was altijd hetzelfde liedje. Zijn optreden beheerste van meet af aan zo de stemming, dat hij en zijn zuster al gauw geen vrienden en vriendinnen mee naar huis durfden te nemen.

Het leek Eylard allemaal niet te deren. Hij nam nadat het openingsoffensief van zijn vader enigszins was geluwd zelf het gesprek in handen. Hij informeerde naar zijn vaders ervaringen in het onderwijs, het verschil tussen de leerlingen uit zijn begintijd en nu en vertelde dat hij was opgegroeid met groot respect voor de onderwijzers uit wat zijn eigen vader de Theo Thijssen-school had genoemd.

Nico zag dat zijn vader aangenaam verrast was en tot zijn eigen verbazing ontspon zich voor het eerst een heus gesprek tussen zijn vader en een vriend. Hij voelde zich enorm opgelucht en zijn bewondering voor Eylard nam nog meer toe. Wat had je een voorsprong, als je zo was opgegroeid, dacht hij. Wanneer je je nooit opgelaten hoefde te voelen, als je in een ander, onbekend milieu kwam. Dat je altijd onder alle omstandigheden jezelf kon zijn. Het was iets om jaloers op te zijn.

Onwillekeurig dwaalde zijn blik door de kamer. Het eikenhouten meubilair, de boekenkast met de Winkler Prinsencyclopedie, de natuurboeken, de verzamelbanden van Openbaar Kunstbezit en romans van schrijvers die hem niets zeiden; de platenspeler en de grote collectie operaplaten, waarnaar hij en zijn zuster op de in zijn herinnering altijd druilerige zondagmiddagen moesten luisteren, totdat zijn moeder het traditionele zondagsdiner, draadjesvlees, sperziebonen en aardappelen, en bitterkoekjespudding, opdiende.

Het was hem opeens vreemd, alsof hij niet een paar maanden maar al jaren geleden het huis uit was gegaan. Alsof hij hier nooit thuis was geweest.
In de hoek van de kamer stond, afgezonderd op een tafeltje, alsof het eigenlijk nog steeds niet tot het interieur was toegelaten, de televisie. Zijn ouders hadden zich lang verzet tegen het ‘binnendringen van het televisiemonster’. Nico herinnerde zich de soms heftige discussies tussen zijn ouders en zijn zuster, die hen ouderwetsheid en kortzichtigheid had verweten. Nico was uiteraard pro tv, maar had niets gezegd, omdat zijn argumenten toch niet serieus zouden worden genomen. Hij wilde vooral op zondagavond het sportprogramma zien, zodat hij op maandagochtend in de pauze mee kon praten met zijn vrienden.

Zijn ouders waren tenslotte gezwicht, nadat een gerespecteerde collega die aanvankelijk ook ‘anti’ was, op verzoek van zijn bedlegerige vrouw een toestel had aangeschaft. Als je maar ‘selectief’ keek, had de tv wel degelijk zijn ‘goede kanten’, had hij verklaard.

Het kon in het begin nauwelijks een overwinning genoemd worden, zo ‘selectief’ werd er gekeken. Om ‘tv-verslaving’ te voorkomen mochten hij en zijn zuster maar een paar uur per week kijken en op zondag bleef het apparaat uit. Pas na lang soebatten had Nico zijn ouders zover gekregen dat hij op zondagavond het sportprogramma mocht zien en hij op maandagochtend niet langer hoefde te liegen over wat hij niet had gezien. Hij had gehoopt dat dit een versoepeling van de kijkdiscipline zou inluiden, maar daar was geen sprake van geweest. De spannende en humoristische series die zijn vrienden wel mochten zien, bleven voor hem jarenlang taboe. Pas de laatste twee jaar waren ze makkelijker geworden en mocht de tv zelfs zonder hun toestemming worden aangezet. Het had deel uitgemaakt van een verrassende verruiming van hun normen. Ze hadden zelfs niet geprotesteerd toen hij van het geld dat hij met een vakantiebaantje had verdiend een eigen stereo-installatie had gekocht. Waaraan die omslag te danken was geweest, wist hij niet. Hij vermoedde eerst dat ze na de conflicten met hun dochter geen zin hadden in ruzie met hun zoon. Maar dat leek bij nader inzien onwaarschijnlijk. Hij was altijd inschikkelijk en gehoorzaam geweest. Te inschikkelijk en te gehoorzaam.

Hij hoorde de keukendeur dichtgaan. Zijn moeder was terug van de markt. Ze kwam de huiskamer binnen en groette de aanwezigen. Eylard was opgestaan om zich voor te stellen. Nico zag zijn vader vanuit zijn stoel goedkeurend knikken en de lichaamstaal van zijn moeder veranderde van stug en afwijzend in neutraal maar niet onvriendelijk.

‘Jullie willen vast en zeker koffie voordat je aan het werk gaat, hè.’
Nico was verrast door de voor haar doen uitnodigende toon. Ze ging naar de keuken en, terwijl Eylard en zijn vader hun gesprek voortzetten, ging Nico ook naar de keuken om zijn moeder te helpen.
‘En, wat vind je van hem?’
‘Wat kan ik daar nu al van zeggen, jongen. Ik heb hem net twee minuten gezien. Maar het lijkt me wel een aardige jongen. Is die andere vriend ook zo?’
Het water kookte en ze schonk de koffie op. Nico dacht even na.
‘Nee, die is anders, maar ook erg aardig.’

Hij pakte de koffiekopjes uit de kast en zette ze op het aanrecht. Zijn moeder vulde de koektrommel met volkoren biscuits en zette hem op een dienblad. Nico keek in de filter en zag het water langzaam wegzakken in de donkerbruine massa.

‘Gebruikt je vriend melk en suiker?’
Hij schudde het hoofd. Het water in de filter was verdwenen en hij schonk nog eens op.
‘Hoe is het met Machteld?’, vroeg hij, niet omdat hij per se het antwoord wilde weten, maar voornamelijk om te voorkomen dat een bedrukkend zwijgen de sfeer zou bepalen.
Zijn moeder veegde met een dweiltje het smetteloze aanrecht aan. Haar mond vertrok zich tot een dunne streep.
‘Ik weet het niet. Ze heeft zich al weken niet gemeld. Maar zoals je vader zegt: geen bericht, goed bericht. En je weet, ze is een stijfkop.’
Ze wrong het dweiltje uit en Nico wist dat het onderwerp was afgehandeld.
Hij keek in het filter. De koffie was klaar. Hij schonk de kopjes vol en zette ze op de schoteltjes op het dienblad. Zijn moeder pakte het blad en droeg het naar de kamer.

Na de koffie ging Nico Eylard voor naar zijn kamer. Tot zijn verbazing zag hij dat de boeken en platen al waren ingepakt, de boekenkast was gedemonteerd tot een handzaam pakket, de posters van de muur waren gehaald en opgerold en de platenspeler, versterker en boxen in hun een oorspronkelijke dozen waren verpakt. De stoeltjes en het tafeltje stonden bij elkaar, klaar om meegenomen te worden.

Bijna 19 jaar was dit zijn kamer geweest, zijn prive-domein, waar vanaf zijn 15-de zijn ouders en zuster eerst moesten kloppen voor ze binnen mochten komen. Hij had de kamer zelf elke zaterdagochtend schoongemaakt, de lakens verschoond, en gestofzuigd. Dit paste in de opvoeding van zijn ouders, die vonden dat hun kinderen zo vroeg mogelijk hun aandeel in het huishouden moesten leveren en in elk geval hun eigen kamer moesten schoonhouden. ‘Jullie moeder is niet jullie werkster’, had zijn vader verklaard. Dat dit overeenkwam met zijn eigen opvattingen over privacy, had hij als een gelukkig toeval beschouwd. Hij keek het kamertje rond, dat kleiner was dan hij had gedacht en werd opeens overvallen door een gevoel van verlatenheid. Zijn toevluchtsoord was een anoniem hok geworden, met behang dat donkerder was op de plekken waar de boekenkast had gestaan en de posters hadden gehangen. Hij keek naar de verschoten lampenkap met de vervaagde sprookjesfiguren, waartegen hij uit verveling propjes had geschoten als hij ziek in bed had gelegen. Hij zuchtte. Wat had de rector ook al weer bij de diploma-uitreiking gezegd? Dat ze een nieuwe levensfase ingingen? Hij had zich bij die woorden toen niets concreets kunnen voorstellen. Nou, dit was het dus.

‘Zo, dat scheelt,’ zei Eylard goedkeurend. ‘Ik denk dat we binnen een half uur klaar kunnen zijn. Dan zijn we in elk geval voor het donker weer in Leiden.’
Nico knikte. Waren ze zo blij dat hij ook het huis uitging of hadden ze gewoon willen helpen? Hij huiverde, maar zette de gedachte van zich af en droeg zwijgend de eerste doos de trap af.

Het inladen ging bijna net zo snel als Eylard had gedacht. Ze hadden geluk dat het ondanks de duistere met regen dreigende lucht droog bleef. Alles paste net in de laadruimte. Alleen de stoeltjes vereisten wat gemanoeuvreer, maar Eylard bleek een handig verhuizer.

Zijn vader drukte hem stevig de hand en sloeg hem op de schouder. Zijn moeder keek hem aan alsof ze voorgoed afscheid van hem nam en omhelsde hem kort, maar lang genoeg om haar zure adem te ruiken. Ze schudden Eylard de hand en zeiden dat hij als hij in de buurt was ook zonder Nico altijd welkom was.

Bij het wegrijden dacht hij dat hij mevrouw Van der Linden vanachter een gordijn zag staan loeren. Maar dat kon verbeelding zijn. Toen ze in de auto stapten gingen zijn ouders onmiddellijk naar binnen en trokken de deur met een klap achter zich dicht. Ook dat kon verbeelding zijn.
‘Je ouders zijn reuze aardige mensen’, zei Eylard toen ze de straat uit waren.
Nico keek stil voor zich uit. De eerste vette regendruppels spatten uiteen op de voorruit. Dat was geen verbeelding.

Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 194 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (64) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD. Voor deze laatste organisatie was hij correspondent in Johannesburg, Berlijn en Tokio. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.