De Geheimschrijver, Deel 1

Hoofdstuk 1: Weerzien

Ik zie hem staan en weet meteen dat ik niet had moeten komen. Ik ben duf, heb het koud, heb te veel gedronken in die vliegende sarcofaag, maar dit weet ik zeker. Verkeerd idee. Missie waar geen zegen op kan rusten. Bij voorbaat kansloos.

Zo te zien is hij niet veel veranderd. Ouder geworden, natuurlijk. Grijzend. Maar het haar is nog altijd dik en golvend. Groot, gezet. Hij was een reus, toen. Mastodont nu. In camel jas. Wat moet ik hem na al die jaren in godsnaam zeggen?

Hij heeft me nog niet in de gaten. Hij lijkt volkomen in beslag genomen door een man die in een mobiele telefoon staat te schreeuwen. De man heeft een pens, zijn armen zijn getatoeëerd, in zijn oren zijn minstens tien ringetjes gestanst. En ik weet dat Roderick hem uit het diepst van zijn wezen staat te verachten. Hij verachtte altijd iedereen die “niet tot ons soort mensen” hoorde. Voor mij maakte hij een uitzondering, destijds. Althans, dat dacht ik.

Ik zet mijn koffer met een klap neer.

‘Nico!. Goed je te zien! Welkom! Mooi ontvangstcomité heb ik voor je geregeld, vind je niet?’

Hij knikt in de richting van de man die uitgetierd is, zijn telefoon opbergt, zijn broek ophijst en wegbeent.

‘Ben nooit in Seoul geweest, maar als je het eerste vliegtuig terug wil nemen, kan ik daar goed in komen.’

We schudden elkaar de hand. Hij houdt de mijne in zijn klauw. Langer dan noodzakelijk voor een begroeting tussen oude vrinden. Kijkt me strak aan. Zijn ogen waren ooit staalblauw. Niet meer. Oogwit is troebel, gelig. Ik knipper als eerste. Er is niets veranderd. Relaties veranderen nooit. Zijn voor eeuwig en altijd gefixeerd in de tijd van hun ontstaan. Wat er ook gebeurt. Dat weet ik nu. Had ik het toen maar geweten.

We lopen de aankomsthal uit. Babbelen. Is er onwennigheid, ijs dat moet worden gebroken, terrein dat opnieuw moet worden verkend? Ik merk er niets van. Elkaar 30 jaar niet gezien, maar we kletsen alsof we elkaar eergisteren nog gesproken hebben. Dat is de essentie van ware vriendschap. Heb ik ooit ergens gelezen. Ik weet dat het niet klopt, maar babbel mee alsof het waar is.

Het is koud, guur. Donker hoewel het nog geen vier uur is. Middernacht in Seoul. Ik ben opeens weer redelijk helder, ondanks 11 uur vliegen, het gebrek aan slaap, het bier en de fles wijn. We lopen naar de parkeergarage, stappen in een donkerblauwe Lexus. Roderick babbelt. Over de politiek, ‘een zooitje’. Over de economie, ‘trekt weer aan godzijdank’. Over het weer, de belastingen, de jeugd (wiens?), vakanties, Charlotte, de kinderen. Maar geen woord over waarom ik hier ben. Wat ons na al die jaren weer heeft samengebracht.

Het begint te regenen.

Eergisteren heb ik zijn mail gekregen. Ik moest een groep zakenlui begeleiden die zo kort na het Wereldkampioenschap wilden profiteren van het ‘Hiddink-effect’. ‘Elk Koreaans doelpunt een golden goal voor het Nederlandse bedrijfsleven’, stond er in het Financieele Dagblad. ‘We komen ze inkoppen’ had de delegatieleider, een grote kaasfabrikant, gezegd.

‘Al die voorzetten van Guus. Pang er in, wat jij, Nico?’

Hij sloeg me op de schouder. Joviaal. Want ik was voor zo’n ambassadepik eigenlijk wel een toffe peer.

Ik knikte en las de mail die ik nog snel had geprint.

‘Nicolai,

Inderdaad, long time, no hear, no see en no speak. Je zult je ongetwijfeld afvragen waarom ik nu na zoveel jaar contact zoek en daarmee de afspraak van toen schend. Maar ik vind dat je dit moet weten. Eylard is dood. Hij was zoals dat hier tegenwoordig schijnt te moeten heten een slachtoffer van “zinloos geweld”. Een junk in het tehuis waar hij kennelijk werkte, heeft hem overhoop gestoken. Het aangehechte bestand is een stuk uit de plaatselijke krant waarin je meer over de toedracht kunt lezen.

Ik had uiteraard ook geen contact meer met hem, dus ik kan je niets vertellen over hoe het hem verder is vergaan. Ik weet alleen dat hij begin volgende week wordt begraven.

Ik heb voor mezelf besloten dat ik daarheen ga. Hij was per slot van rekening toen onze, jouw en mijn, beste vriend. Ik wil afscheid van hem nemen, ook al weet ik niet of hij mijn aanwezigheid op prijs zou hebben gesteld. Ik kan ten volle begrijpen wanneer jij deze beker aan je voorbij wil laten gaan.

Maar mocht je besluiten toch te komen, laat het me dan weten. Ik zal voor accommodatie zorgen.

Groet,

Roderick’.  

Eylard was neergestoken bij een ruzie met een 43-jarige junk. Hij had de man geweigerd geld te lenen en hem de deur uitgezet. De junk had hem opgewacht, toen hij ’s avonds naar huis wilde gaan en hem met “meer dan 20 messteken” neergestoken. Eylard was toen hij was gevonden nog niet dood geweest, maar had veel bloed verloren. Hij was in een kunstmatig coma gebracht, waaruit hij niet meer was ontwaakt. De verdachte had zich onmiddellijk na zijn daad gemeld bij de politie.

Uit het stuk bleek verder dat Eylard van Laerhoven (56), arts, een ruime ervaring had met drugs- en alcoholverslaafden. Voor hij naar Groningen kwam, had hij jarenlang als specialist in de Amsterdamse Jellinekkliniek gewerkt. De “verbijsterde” collega’s in het opvangcentrum beschreven hem als “rustig en doortastend”. Hij had een “natuurlijk overwicht” op de “cliënten”, bij wie hij veel respect genoot.

Zijn dood kwam voor “alle betrokkenen” als een grote schok, temeer omdat zijn verstandhouding met de dader “zonder meer goed” was geweest.

We rijden de oprijlaan in.

‘De voormalige ouderlijke woning, jongen,’ zegt Roderick.

Het huis is kleiner dan in mijn, toegegeven, onbetrouwbare herinnering. We lopen over het grintpad naar de voordeur. Ik zie dat de garage openstaat en vraag Roderick waarom hij niet binnen parkeert. Mijn bijdrage tot de conversatie. Briljant en to the point.

‘Voor mevroi, Charlot wil altijd binnen parkeren. Coiffure mag niet nat worden, begrijp je? Ze zal zo wel thuis komen. Heeft donderdags altijd nog laat een werkgroep.’

In de vestibule hangt een groot portret. Stijl Willink, denk ik, maar weet nauwelijks iets van moderne kunst, als je Willink daartoe mag rekenen. Zijn vader. Kan niet missen. De Grote Staatsman.

‘Mag niet in de huiskamer van Charlotte. Hij is te dwingend aanwezig, zegt ze. Niets hebben we in te brengen, Nicolai. Zoals de geportretteerde placht te zeggen: “In de strijd der geslachten strijdt de vrouw met een vloot, de man met een vlot”. Wees blij dat je niet getrouwd bent.’

In stilte geef ik Charlotte gelijk. Ik zou ook niet graag willen dat de Grote Staatsman me permanent van de schoorsteenmantel in de gaten zou houden.

‘Maar ik mocht hem ook niet aan mijn broer, de eminent staatsrechtgeleerde geven. Want het is wel een echte Willink.’

Weer een punt voor Charlotte, denk ik en hoor Roderick vragen of ik een douche wil nemen.

Onder de hete straal denk ik aan de eerste keer dat ik hier was. Ik was 19, eerstejaars rechten. Bleu tot in mijn haarwortels. Blozen bij elk woord dat tot me gericht werd. Elk voorjaar, na vlaggetjesdag hield de Grote Staatsman zijn haringparty. Wie in Nederland iemand was, politicus, zakenman, wetenschapper, was er. De hele Who is Who stond op het gazon haring te happen. Geen mootjes; bij de staart. Want zo hoorde het. Roderick, Eylard en ik hadden de tenten opgezet en hielpen de kelners. Kregen daar 100 gulden de man voor. Een vermogen voor mij. Eylard en ik hadden lang haar. Een gast maakte daar een afkeurende opmerking over. Hij werd terstond voor alle gasten hoorbaar door de Grote Staatsman afgestraft. De man, een grote projectontwikkelaar, in de oorlog rijk geworden door bunkers te bouwen voor de Duitsers, maar dat wist ik toen niet, droop onmiddellijk af.

‘Voor eens en altijd door Zeus van de Parnassus getrapt,‘ zei Roderick.

Dit is macht, wist ik. Straffeloos een van de rijkste mannen van het land wegsturen. Ik was naïef, maar zelfs ik had dit door. En wilde daarbij horen. Coûte que coûte.

Als ik in de woonkamer kom, vouwt Roderick de krant dicht, steekt een leesbril in zijn borstzak.

‘En, opgefrist? Dan ben je nu wel toe aan een neut.’

We toasten en drinken whisky die zijn zwager, die verder voor niets wil deugen, heeft ontdekt. Ik luister met een half oor naar waarom die zwager, “Freddie”, niet wil deugen en toch dankzij de relaties van pipa goed terecht is gekomen. ‘… Edinburgh, jongen. Doet iets bij dat festival. Geen flikker verstand van wat dan ook, maar loopt wel de erfgename van een drankimperium tegen de riant gevulde portemonnee. Hardwerkende jongens als jij en ik hebben altijd het nakijken.’

‘Tja, het leven is inderdaad oneerlijk. Dag, Nico. Man, wat is dat lang geleden.’

Charlotte! Mooie blonde verwende Charlotte. Dertig jaar geleden droom van elke corpsstudent, korpspik zei Eylard, maar sinds haar geboorte voorbestemd voor Roderick. Twee koningskinderen. Niemand anders had een kans. Ik neem haar op. Ze neemt mij op. De snuffeldans van een onverwacht weerzien. Zeg de nietszeggende woorden, maan ik mezelf. Doe alsof er niets gebeurd is.

Ze is me voor.

‘Nico, je bent niet meer het uitgemergelde scharminkel van vroeger, maar dik zul je nooit worden. Vertel, hoe doe je dat?’

Ik kus een wang, kus de andere en ruik vaag haar parfum.

Dieettips van mij heeft ze niet nodig. Charlotte is slank, net als vroeger.

‘Charlot! Hoe gaat het? Domme vraag, natuurlijk. Neem me niet kwalijk. Je ziet er geweldig uit!’

Ze ziet er goed uit. Geen woord van overdreven. Half lang blond haar en nog altijd blauwe ogen. Bijna geen rimpels. Alleen de lijnen bij haar mondhoeken zijn onverwacht scherp. Behalve opmerkelijk rode lippen nauwelijks make-up. Ze is kleiner dan ik dacht. Donkere broek, witte blouse, nonchalant geknoopte das in de kleur van haar lippen, en een kort zwart leren jack.

Artistiek en toch netjes. Zoals het een docente kunstgeschiedenis in Leiden betaamt.

‘Dat hebben ze je tenminste geleerd bij BZ. Ik kan me niet herinneren ooit een compliment uit jouw mond te hebben gehoord. En al helemaal niet, als je het niet meende.’

Ze lacht licht spottend.

‘Zelfs een ongelikte beer kan gedresseerd worden, zo zie je maar.’

Ze gaat zitten en richt zich tot Roderick.

‘Ik ook graag een whisky, schat. Ik zie dat je weer tekortgeschoten bent in je plichten als gastheer. Dat jij geen borrelhapjes meer mag, betekent niet dat onze gast ze ook niet mag hebben’.

Tegen mij: ‘Hij is op dieet; tenminste hij doet alsof, als hij weet ik dat ik hem kan betrappen.’

Roderick grijnst.

‘Je ziet het. Niets, maar dan ook niets blijft hare majesteit verborgen. Wat dat betreft is er helemaal niets veranderd.’

We babbelen nu met zijn drieën. Alsof er nooit iets is voorgevallen. Huisvriend op bezoek. Echtpaar kibbelt als vanzelfsprekend, hebben geen geheimen voor huisvriend. Zogenaamd.

Een kleine donkere vrouw verschijnt en zegt ‘table is ready.’

‘Grace,’ zegt Charlotte. ‘Onze Filippijnse parel.’

Maar eigenlijk hoor ik dat te weten, denk ik. Als huisvriend.

Zoals ik eigenlijk ook hoor te weten dat alles heel goed met de kinderen gaat.

Olivier, “Ollie” , 25, is bijna klaar met economie. Merel, “Mereltje”, 22, is geen echt studiehoofd maar doet “iets” in het modemanagement.

‘Maar ze kan wel heel goed hockeyen,’ zegt Roderick. ‘Misschien komt ze wel in het Nederlands elftal.’

‘We praten teveel over onszelf, schat,’ constateert Charlotte.

‘Nico, vertel eens iets over jezelf. Wat heb je al die jaren gedaan? Ben je getrouwd, heb je kinderen? Hoe bevalt het je in die dienst?’

De huisvriend neemt een slok wijn en vindt dat zij dat allemaal al lang horen te weten, maar steekt toch van wal.

‘Ik ben even getrouwd geweest. Iets meer dan een jaar, met een Amerikaanse journaliste. Een aardige meid, maar we pasten niet bij elkaar. Hoe zal ik het zeggen: twee verschillende werelden? Het duurde al met al net lang genoeg om te merken dat we elkaar alleen maar ongelukkig zouden maken. En daarna heb ik meerdere malen moeten vaststellen dat ik niet geboren ben voor een langdurige relatie. Dat komt ook door het werk, denk ik. Je kunt het een vrouw niet aandoen elke vier, vijf jaar te verkassen. Zeker niet als ze een eigen carrière heeft.’

‘Daar zit wat in,’ beaamt Charlotte. ‘Heb je er dan wel eens over nagedacht de dienst te verlaten.’

‘Bijna dagelijks’.

‘En waarom heb je het niet gedaan?’

‘Het is een manier van leven waaraan ik gewend ben geraakt. En ik heb niet veel zin om dat nu nog te veranderen. Afgezien van het feit dat geen bedrijf op iemand van mijn leeftijd zit te wachten.’

‘Dat klinkt niet erg positief. En, zijn er desondanks nog carrièrekansen? Kun je nog ambassadeur worden?

‘Nooit’.

‘Weet je dat echt zeker? Mijn vader wist altijd te vertellen dat iedereen dat kon worden. Als je niet al te stom was en een goede lever en een sterke maag had.’

‘Zo kan ie wel weer, Roderick’, zegt Charlotte. ‘Je ziet het, Nico. Hij is nog net zo subtiel en genuanceerd als vroeger.’

Roderick grijnst.

‘Nico weet hoe ik het bedoel.’

‘Ik mis de ambitie en het netwerk. Ik heb in Den Haag denk ik ook te vaak op de verkeerde tenen gestaan. Nek uitsteken, een afwijkend standpunt hebben, dat wordt niet gewaardeerd. Niet dat ik dat vaak gedaan heb, ik ben geen Don Quichotte, maar als je een keer de verkeerde mensen tegen je in het harnas hebt gejaagd, kun je het vergeten. Begrijp me goed, dat is niet iets waar ik me grote zorgen over maak.’

‘Het kan raar lopen. Mijn vader had altijd het idee dat van mijn vrienden jij het ’t verste zou schoppen.’

‘Tja, dan heeft de Grote Staatsman zich ook een keer vergist.’

Wordt vervolgd

Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 197 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (64) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD. Voor deze laatste organisatie was hij correspondent in Johannesburg, Berlijn en Tokio. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.